Wat bomen kunnen betekenen; bomen als bondgenoten?

In het NDV-jubileumboek Honderd jaar dendrologie 1924-2024 stelt botanisch filosoof Norbert Peeters de vraag ‘Wat is een boom’? Zijn verkenning is interessant omdat deze naast de fysiologisch-biologische vorm waarin bomen verschijnen (en waar dendrologen zich vooral mee bezighouden) op zoek gaat naar andere visies op ‘de boom’. Daarmee sluit hij, zonder dat te benoemen, aan bij cultuurfilosofen die zoeken naar betekenisgeving, in het geval van bomen naar de betekenis van hun relatie met mensen.

Het in Arbor Vitae 1, 2024 besproken Bomen en Bossen van cultureel antropoloog en filosoof Ton Lemaire benadrukt precies het belang van dit laatste perspectief, waarin bomen en bossen een relatie met mensen hebben en zelfs bondgenoten zijn. In dit artikel willen wij laten zien hoe vruchtbaar zo’n benadering is. We putten voor ons artikel uit drie bronnen. Ten eerste het werk van de Nederlandse bioloog Arjen Mulder wiens ‘heropvoeding’ hem laat communiceren met bomen. In het tweede voorbeeld bespreken we een heel andere culturele traditie; aan de hand van de Bengaalse Sumana Roy besteden we aandacht aan de invloed die bomen hebben op onderwijs en onderzoek bij de Indiase universiteit gesticht door Nobelprijswinnaar voor literatuur Rabindranath Tagore. Ten slotte presenteren we de Zuid-Afrikaanse antropoloog William Ellis, die zich aan de Zuid-Afrikaanse Universiteit van de Westkaap sterk maakt voor de verhalen die bomen ons vertellen over de lokale sociaal-culturele geschiedenis van slavernij.

Cultuur en betekenisgeving
In navolging van André Droogers beschouwen wij cultuur als zin- en betekenisgeving. Zo bekeken is cultuur het menselijk vermogen om betekenis te geven aan de wereld, en de producten van dat vermogen, of het nu woorden, daden of dingen (of de symbolen daarvan) zijn. De verscheidenheid aan culturen toont de creativiteit van de menselijke betekenisgeving. Een belangrijke eigenschap van betekenisgeving is haar speelse karakter. Cultuur is dan een spel: het vermogen om meerdere werkelijkheden te creëren en daarmee om te gaan. Om dit wat concreter voor de boomwereld te maken de bijgaande foto van de Cipres als boom en het schilderij waarin Vincent van Gogh op speelse wijze betekenis aan de Cipres geeft en daarmee de wereld van mensen en bomen met elkaar verbindt. Zoals Lemaire in Bomen en bossen (p. 114-115) schrijft, maken Cipressen, alsook Olijven, deel uit van Van Gogh’s dagelijkse worsteling met de zin van het leven tijdens zijn verblijf in een Zuid-Franse inrichting.

Het antropologisch begrip cultuur als betekenisgeving sluit nauw aan bij hoe daar in de grote religieuze tradities naar gezocht wordt. Denk alleen maar aan Gilgamesj zoektocht naar betekenis in het Cederwoud, Boeddha’s vereenzelviging met de Bodhiboom, maar ook het Bijbelse Genesis waarin Adam namen en daarmee betekenis geeft aan dieren en planten, waarmee ook de beheersing en exploitatie van bomen en meer in het algemeen de natuur een gegeven wordt. De diversiteit aan culturele betekenisgeving rond bos en bomen is zo groot als de wereld culturen rijk is. In dit artikel pretenderen we niet meer dan een zeer selecte demonstratie te geven.

Praten met bomen
In zijn De vriendschap van bomen beschrijft bioloog Arjen Mulder hoe zijn kijk als Europees en seculier bioloog op de bomenwereld diepgaand verandert en verder gaat dan een speelse betekenisgeving aan die wereld. Zijn relatie met bomen blijkt tweezijdig: bomen verlenen hem op hun beurt betekenis in een subtiel communicatieproces. Hij noemt dit proces zelfs vriendschap, wat suggereert dat de mensen- en bomenwereld elkaar ten minste deels overlappen. In zijn boek ‘ontmoet’ hij vele Europese bomen: Lindes, Eiken, Beuken, Sparren en vele andere. Wanneer hij onder invloed van de klimaatcrisis de gebaande paden van de biologie verlaat, op zoek naar nieuwe (deels oude) manieren van denken over de natuur, o.a. in de antropologie (zie p. 32), ontstaat bij Mulder een soort boomverering vergelijkbaar met hoe Germaanse stammen voor de komst van het Christendom Eiken vereerden. Hele dagen en nachten zit en ligt hij bij bomen en ‘leert’ zelfs met hen ‘spreken’. Net als Adam in Genesis geeft hij hen namen. De meest ‘sprekende’ vonden wij ‘kwebbelende meisjes’ waarmee hij tijdens een nachtelijke ceremonie met een drietal Beuken in het Bakkummerbos in gesprek gaat.

Ook in het Amsterdamse Vondelpark, het Duitse Sauerland en aan de Noorse Barentszee ‘ontmoet’ hij bomen en andere mensen die betekenis geven aan en communiceren met bomen. Het boek is fascinerende lectuur.

Of Mulder in zijn boek het culturele vermogen tot betekenisgeving (van mensen en bomen) nu te veel oprekt of niet, is een terechte maar misschien niet eens zo’n relevante vraag. Zijn manier van handelen en schrijven laat vooral eerbied voor bomen zien en de bereidheid om naar hen te ‘luisteren’. Het odium van ‘bomenknuffelaar’ ligt om de hoek, maar misschien is het wel beter om met Mulder bomen in al hun hoedanigheden te ‘omarmen’ dan ze vanuit een Westers functionele logica massaal om te zagen en daarmee onze planeet onleefbaar te maken.

De ‘kwebbelende meisjes’ uit het boek van Arjen Mulder (p. 211)

Hoe word ik een boom?
Sumana Roy’s How I became a tree is een diepgaande reflectie op de vraag hoe in de Indiase culturele betekenisgeving bomen als voorbeeld voor mensen en hun onderlinge relaties dienen. Zo beschrijft ze hoe de Boeddha bomen als voorbeeld stelde aan mensen om af te zien van hebzucht en verlangen en vooral het laten varen van trots om alles in het leven te willen controleren en daarmee anderen lijden te berokkenen. Ons grote voorbeeld zou volgens de Boeddha de Banyan boom moeten zijn die altijd gastvrij de vermoeide reiziger haar verkoelende schaduw biedt.

De diepe verankering van bomen in het Boeddhistische en Indiase culturele denken vindt ook expressie in het denken van Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore (1913), die in 1921 de Bengaalse Visva-Bharati universiteit stichtte (Sanskriet voor ‘India in een gemeenschappelijke wereld’; Visva betekent wereld of universum en Bharati betekent India en cultuur). Een andere beroemde naam en tijdgenoot uit India, Mahatma Gandhi, hielp Tagore mee om de financiering voor de universiteit rond te krijgen. Waar Roy een boom wil zijn, wilde Tagore vooral cactus zijn vanwege zijn niet-veeleisende karakter. Cactussen bloeien met weinig water, voeding en aandacht. Zo wilde Tagore leven, blijkend uit zijn poëzie, zijn muziek en zijn verdere oeuvre. Geen wonder dat bomen, en groen in het algemeen, een centrale rol spelen in ‘zijn’ Visva-Bharati universiteit, waar het onderwijs zoveel mogelijk in de buitenlucht plaatsvindt. Vanwege de meestal onverbiddelijke zon in India vinden colleges vaak plaats in de schaduw van een boom. Voor Tagore was een boom overigens nooit zomaar een boom. Volgens hem moest elke boom als individu worden beschouwd. In elk onderwijsprogramma zit een verplicht vak ‘natuurstudie’ waarin van studenten wordt gevraagd om individuele bomen en planten door de seizoenen heen met al hun zintuigen te bestuderen. Deze vorm van academisch onderwijs probeert door diepgaande studie van, en verbondenheid met bomen, planten en natuur in zijn algemeen, elke vorm van onverschilligheid en onachtzaamheid jegens hen af te leren. Aan deze culturele boodschap zouden ook de Nederlandse universiteiten inspiratie kunnen ontlenen.

Banyan (Ficus benghalensis) in de botanische tuin in Howra, India.
Foto: Biswarup Ganguly, CC BY 3.0, via Wikimedia Commons

Onder de Melkhoutboom
Vanuit Zuid-Afrika bereikt ons een vergelijkbare culturele boodschap over de betekenis die bomen hebben voor mensen. Zo werden bomen, met name de Melkhoutboom, door de eerste Nederlandse kolonisten in Zuid-Afrika rond de Kaap massaal gekapt voor gebruik in de scheeps- en huizenbouw, alsmede het vervaardigen van gereedschappen.

Waar de Melkhoutwouden wijdverspreid waren in de voormalige Kaapprovincie, is deze boom nu nog slechts sporadisch te vinden. In het Engels wordt dit een ‘vegetal genocide’ genoemd, de systematische uitroeiing van een plantensoort, zoals ook veel in de mijnbouwgebieden in zuidelijk Afrika gebeurt. Zo staat er in Kaapstad op de plaats waar eens een Melkhoutboom stond nu een inscriptie om aan te duiden dat in koloniale tijden daar de slaven werden verkocht. Elders in Kaapstad staat een vijf eeuwen oude Melkhoutboom als aandenken aan de Nederlandse overdracht van de Kaapkolonie aan de Engelsen. Aan deze zogenaamde Treaty Tree werden ooit ontsnapte en weer gevangen slaven opgehangen: een buitengewoon bittere herinnering. William Ellis probeert zich in zijn reflectie op de culturele betekenis van deze Melkhoutbomen voor te stellen hoe zijn vaders betovergrootmoeder ooit als slaaf verkocht is bij een Melkhoutboom in de buurt van Kaapstad en hoe haar tranen en andere excrementen met die van de talloze andere slaven de boom hebben gevoed die daardoor onderdeel is geworden van zijn relatie met zijn voorouders. Het ‘houten vlees’ van de oude overgebleven Melkhoutbomen is daarmee niet alleen getuige, maar ook letterlijk doordrenkt met dit slavenverleden. Wat zouden al die eeuwenoude bomen die nu de vele wijnhuizen in en rond Kaapstad sieren en die jaarlijks zoveel toeristen trekken, ons nog meer kunnen vertellen over wat zij allemaal hebben meegemaakt? Misschien zou Arjen Mulder het hen een keer kunnen vragen?

Witmelkhoutboom (Sideroxylon inerme).
Foto: Maretblom, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons

Slot
Mensen maken wereldwijd en historisch deel uit van het vlees dat wij bij bomen hout noemen. De boom is daarmee de belichaming van ook onze geschiedenis. Maar de boom is ook de ‘host’, die schaduw, troost en beschutting biedt aan iedereen die dit nodig heeft: mens, dier, of plant. Onbaatzuchtig zijn bomen bereid tot het bieden van bescherming, maar ze worden als gastheren ook gevoed door de ontbinding van alles wat leeft, inclusief de mens. In deze visie heeft iedere individuele boom een eigen verhaal te vertellen aan wie zoekt naar antwoorden op vragen die slechts bomen kunnen beantwoorden. Laten we daarom met Lemaire bomen, net als mensen, als bondgenoten en betekenisgevers zien en daarmee het NDV en KVBC perspectief op de dendrologie verrijken.

Bronnen

  • André Droogers, 2010. Zingeving als spel. Over religie, macht en speelse spiritualiteit. Een gids voor vrije zinzoekers. Almere: Parthenon
  • William Ellis, 2019. A Tree walks through the forest: Milkwoods and other botanical witnesses. Catalyst: Feminism, Theory, Technoscience 5(2)
  • Ton Lemaire, 2023. Bomen en bossen. Bondgenoten voor een leefbare Aarde. Amsterdam: Ambo/Anthos
  • Arjen Mulder, 2024. De vriendschap van bomen. Heropvoeding van een bioloog. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers.
  • Sumana Roy, 2017. How I became a tree. New Haven/London: Yale University Press

* Harry Wels en Frans Kamsteeg zijn beiden werkzaam aan de Vrije Universiteit, faculteit Organisatiewetenschappen

Het herbarium in het Naturalis Biodiversity Centre in Leiden

Toen ik in Wageningen studeerde ben ik meermaals in het herbarium geweest als onderdeel van mijn studie. Dit Herbarium Vadense was gevestigd in het gebouw van Plantentaxonomie aan de rand van arboretum De Dreijen aan de Generaal Foulkesweg. Dit herbarium, dat werd gestart in 1896, kende vooral veel materiaal uit tropisch Afrika en cultuurgewassen. Planten en zaden zijn hier echter niet meer te vinden: het gebouw is in 2016 getransformeerd naar studentenhuisvesting als onderdeel van de concentratie van de universiteit op een nieuwe campus en als gevolg van heroriëntatie in onderwijs en onderzoek.

André Beerendonk en Barbara Gavendeel in het herbarium
Foto: Ronnie Nijboer

Het Wagenings herbariummateriaal is niet verloren, het is nu opgenomen in de collectie van het Naturalis Biodiversity Centre, samen met de herbaria van de Universiteit Utrecht en de Universiteit Leiden (het voormalige Rijksherbarium). Daarmee is effectief de cirkel rond gemaakt. Het Rijksherbarium dat werd gesticht in 1929 te Brussel door Carl Ludwig Blume, werd in 1830, na de afscheiding van België, door Philip Franz von Siebold en medewerkers naar Leiden geëvacueerd. Ook zijn eigen herbarium maakte namelijk deel uit van deze wetenschappelijke plantencollectie. Het Rijksherbarium richtte zich met name op Zuidoost-Azië en de inheemse flora van Nederland en Europa. In dat kader was het betrokken bij Heukel’s Flora van Nederland. Dit overzicht van inheemse planten werd in 1883 uitgegeven als Schoolflora van Nederland en was gebaseerd op Otto Wünsche’s Schulflora von Deutschland. Het boek groeide uit tot de toonaangevende veldgids voor de inheemse planten. Daarnaast stelde het Rijksherbarium de Standaardlijst Nederlandse Flora op met daarbij een lijst van zogenoemde wachtkamersoorten, waarvan eens per 7 jaar werd beoordeeld of deze planten zich inmiddels blijvend hadden gevestigd in ons land. FLORON is nu verantwoordelijk voor deze lijst.

Ampelocera een tropische verwant van de Iep is alleen te zien in ons land als herbariumexemplaar
Foto: André Beerendonk

Uiteindelijk is het Rijksherbarium in 1999 opgegaan in het Nationaal Herbarium Nederland, een decentrale collectie met drie vestigingen in Leiden, Utrecht en Wageningen. In 2013 is het Nationaal Herbarium Nederland samengevoegd met de in 2011 samengevoegde collecties van het Zoölogisch Museum Amsterdam (ontstaan uit Artis) en Museum Naturalis (ontstaan uit het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie) en opgegaan in het Naturalis Biodiversity Centre. Sinds 2019 is de collectie gevestigd in de nieuwbouw achter museum Naturalis. Hoewel nu op één locatie bestaan de herbariumcollecties van Leiden, Utrecht en Wageningen nog steeds naast elkaar.

Toen het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in 1820 werd opgericht op initiatief van de zoöloog Coenraad Temminck, was het beperkt toegankelijk voor publiek. In 1986 werd besloten dat het een publieksmuseum moest worden. Dit werd uiteindelijk Museum Naturalis. De herbaria waren vooral bedoeld voor wetenschappelijk onderzoek en op afspraak geopend. Het is een feit dat dieren ook veel meer enthousiasme oproepen bij het grote publiek, dus de roep om een botanisch museum zal hooguit als een fluistering geklonken hebben.

Een gedroogde tak van Ulmus × hollandica ‘Klemmer’ de Vlaamse iep
Foto: André Beerendonk

De totale collectie van Naturalis Biodiversity Center telde in 2022 ruim 43 miljoen objecten en behoort wat omvang daarmee tot de top vijf van de wereld. De collectie is doorzoekbaar op een website. In 2011 is namelijk begonnen met het digitaliseren van de collectie. Sinds 2015 zijn 7 miljoen objecten opgeslagen in een database die online beschikbaar is. Ook zijn vele afbeeldingen uit de Naturalis-collectie in Wikimedia Commons ingebracht. Een deel van deze digitaal ontsloten gegevens betreft herbariumexemplaren die zijn gescand op hoge resolutie.

De gedigitaliseerde collectie is te raadplegen in het bioportaal via de website bioportal.naturalis.nl. De website biedt verschillende zoekmogelijkheden. Zo kan er gezocht worden op wetenschappelijke naam en herkomstgebied. De resultaten kunnen sterk variëren. Zo kan een zoekopdracht zowel herbariumexemplaren opleveren, als fossielen en paleobotanische resten. Van de ingescande herbariumexemplaren wordt naast het collectienummer ook de vindplaats, verzamelaar en datum weergegeven. De naamgeving is in lijn gebracht met de laatste taxonomische inzichten. Eventueel verkeerd benoemde planten blijven echter verkeerd benoemd, de naamgeving is met het digitaliseren niet gecontroleerd.

Ik kreeg, samen met Ronnie Nijboer, begin dit jaar de kans voor een rondleiding in het herbarium door professor Gravendeel. Met veel plezier zijn we verschillende ruimten op verschillende verdiepingen afgegaan om zowel exemplaren in de voormalige Leidse, als Wageningse en Utrechtse collecties te bekijken. De plat gedroogde planten zitten in papieren mappen die per soort in kartonnen dozen zijn opgeborgen, opgestapeld in rekken. Omdat de gedroogde planten behandeld zijn met gif is het telkens van belang goed de handen te wassen. Ook is het goed vooraf te weten wat je wilt zien, de collectie is immers enorm!

Voor de gemiddelde persoon zullen de gedroogde planten minder enthousiasme opwekken dan levende exemplaren. Toch kan het nuttig zijn om exemplaren verzameld in andere herkomstgebieden of van lang geleden te beoordelen op mogelijke vormafwijkingen van wat nu als typisch wordt beschouwd voor de betreffende soort. Ook voor kweekvormen kan dit interessant zijn. Zo zijn in het herbarium exemplaren aanwezig van enkele Iepencultivars die niet meer worden gekweekt en zelfs (waarschijnlijk) niet meer bestaan. Beschikbare historische afbeeldingen of beschrijvingen kunnen vergeleken worden met het herbariummateriaal. Ook is het aan de hand van herbariumexemplaren mogelijk verloren gewaande cultivars te determineren en op die manier te herontdekken. Voor een plantennerd als ondergetekende was het gewoonweg leuk om na 30 jaar weer eens een specimendoos te openen en voorzichtig de mappen naast elkaar te leggen voor inspectie.

Het herbarium is op afspraak te bezoeken voor onderzoek. Dit kan via collectie@naturalis.nl. Geef het doel aan van je bezoek, de specifieke collectie, de gewenste periode en de verwachte duur van je bezoek. Omdat telkens een collectiebeheerder aanwezig dient te zijn, zal op basis van beschikbaarheid een afspraak ingepland worden. Het is verstandig via het bioportaal één en ander voor te bereiden, zodat je een duidelijk beeld hebt van wat je fysiek wilt zien.

Ulmus × hollandica ‘Vegeta’, Huntingdons iep met vruchten.
Foto: Ronnie Nijboer

Twee herdenkingsbomen onder de loep – Vraagtekens bij determinatie van Tilia americana

Twee aan Juliana toegewijde ‘koninklijke bomen’ in de gemeente Leiden trokken medio 2025 onze aandacht. De ene is aangeplant in 1909 in het Rembrandtpark langs het Noordeinde ter gelegenheid van de geboorte van de prinses en de andere in 1948 op het Gerecht, een plein in het centrum van Leiden, bij haar inhuldiging als koningin.

De in 1909 aangeplante boom staat op het daarnaast geplaatste informatiebord te boek als Zomerlinde (Tilia platyphyllos), maar blijkt bij nadere beschouwing een Amerikaanse linde te zijn (Tilia americana). Ondersteunend bewijs daarvoor vonden we bovendien in het Leidsch Dagblad van 11 juni 1909, waarin staat vermeld: “[…] de geboorte van Prinses Juliana […] alhier een boom geplant, een Amerikaansche linde.” En de op 6 september 1948 aangeplante herdenkingsboom wordt in het Leidsch Dagblad van 7 september 1948 vermeld als ‘grootbladige linde’. In het gemeentelijk bomenbestand staat deze evenwel te boek als Hollandse linde (Tilia ×  europaea). Maar klopt dat wel?

Tilia americana op het Gerecht.
Foto: Eduard Groen

Duidelijke kenmerken
Bij het determineren van Lindesoorten (Tilia) spelen bloemen, schutblad, bladvorm, nervatuur en beharing vaak een belangrijke rol. In de zomer van 2025 viel het de bomenkenner Hans van Daalen op dat bladeren van de boom op het Gerecht groter zijn dan gebruikelijk bij een Hollandse linde. Het kon dus een Zomerlinde zijn, oftewel een Grootbladige linde, maar de typische beharing van de nerven, een kenmerk van deze soort, ontbrak. Tijdens de bloei in juni viel hem bovendien op dat de boom meer bloemen heeft dan kenmerkend is voor een Tilia platyphyllos. De bloeiwijze van Zomerlinde bevat meestal maar drie bloemen. Deze boom heeft er aanmerkelijk meer per bloeiwijze (vijf tot acht). Bovendien steekt het schutblad ruim (>1cm) boven de bloemen uit.

Bladeren en vruchten van de Linde op het Gerecht.
Foto: Eduard Groen

‘Lastig’ kenmerk
Wat het determineren ook lastig maakte, was dat auteurs elkaar tegenspreken bij het kenmerk staminodium (steriele meeldraad). Volgens Boeijink et al. heeft de Amerikaanse linde geen staminodia. In ‘Dendrologie van de lage landen’ staat dat ze die wel heeft. De monografie van Pigott vermeldt (met tekening) ook dat ze die heeft. De bloemen van beide Juliana-Linden hebben staminodia. Voor de Hollandse linde vermeldt zowel Boeijink als Pigott dat staminodia ontbreken. In ‘Dendrologie van de lage landen’ staat niets vermeld over dit kenmerk voor deze soort.

Uit de determinatie blijkt dat de Linde op het Gerecht in werkelijkheid ook een Tilia americana is: grote bladeren, zeer scheve bladvoet, schutbladen langer dan bloeiwijze, veel bloemen, geen beharing op de nerven, aanwezigheid steriele meeldraden. Het feit dat in de gemeente Leiden twee Amerikaanse linden zijn aangeplant voor Juliana (en dit heden ten dage ‘vergeten’ blijkt te zijn), is op zichzelf onvoldoende reden om er een artikel aan te wijden. Maar er is nog iets dat we kwijt willen…!

Bloeiwijze van Tilia americana op het Gerecht.
Foto: Eduard Groen

Afstaande haren aan de bladrand
Tijdens het determineren is Hans van Daalen een kenmerk van de Amerikaanse linde (Tilia americana) opgevallen dat tot dusver niet expliciet genoemd wordt in diverse toonaangevende determinatiewerken: de aanwezigheid van afstaande haren aan de bladrand. Het betreft duidelijk afstaande haren die zich langs de rand van de bladschijf bevinden. Deze zijn bij voldoende vergroting goed zichtbaar. De haren komen over de gehele rand van het blad voor, in tegenstelling tot bijvoorbeeld borstelharen die soms slechts aan de top of basis van het blad worden gezien bij andere Lindesoorten.

Het gaat hier nadrukkelijk niet om de haren in de bladoksels (domatium ofwel okselbaard), die vaker benoemd worden bij determinatie van Linden, maar om een beharing langs de bladrand zelf. Dit kenmerk kan mogelijk van waarde zijn bij het onderscheiden van T. americana van andere soorten of cultivars.

Behaarde bladrand van Tilia americana op het Gerecht
Foto: Hans van Daalen

Het is opmerkelijk dat dit kenmerk niet voorkomt in enkele gezaghebbende determinatiewerken:

  • Tilia L. (Malvaceae) – Vegetative Key to Species in Cultivation – J. De Langhe
  • Loofbomen, in en buiten het bos – D.E. Boeijink
  • Dendrologie van de Lage Landen – J. de Koning & W. van den Broek
  • Lime-trees and Basswoods – D. Pigott

In geen van deze bronnen wordt melding gemaakt van afstaande haren aan de bladrand als kenmerk voor T. americana. Dit roept de vraag op of het kenmerk mogelijk over het hoofd wordt gezien, of dat het slechts in bepaalde ecotypen of cultivars voorkomt. Ook is het mogelijk dat dit kenmerk als ‘algemeen’ beschouwd wordt en daarom niet als determinatiehulp vermeld wordt.

Daarom stellen wij via deze weg een vraag aan collega-dendrologen en boomkenners:

Herkennen jullie dit kenmerk van afstaande haren aan de bladrand bij Tilia americana? En zijn er determinatietabellen of bronnen bekend waarin dit kenmerk wél benoemd wordt? Waarnemingen, foto’s en referenties zijn van harte welkom. Een beter begrip van deze beharing kan bijdragen aan nauwkeuriger determinatie en mogelijk zelfs inzicht geven in genetische variatie binnen de soort.

Reacties kunnen worden gericht aan de redactie.