Bloesem, vlinders aantrekkend en herfstkleuren zijn de ideale belevingskenmerken van toekomstige straatbomen

In het kader van het CSI Trees project is onderzoek uitgevoerd naar de beleving en voorkeuren van bewoners als het gaat om stadsbomen. In de systematiek van CSI Trees wordt het zoekprofiel van toekomstig klimaat adaptief stedelijk groen niet alleen bepaald door bijvoorbeeld droogte-, zout- of hittetolerantie, maar ook door de voorkeur en beleving van burgers. Dit artikel geeft de resultaten van dit onderzoek weer.

Er ligt een opgave om de relatie tussen de boombeheerder en de burger zodanig vorm te geven dat de baten van bomen in de vorm van ecosysteemdiensten zo goed mogelijk tot zijn recht komen, maar dat ook voor het publiek minder gunstige eigenschappen van bomen worden begrepen en geaccepteerd. Dit leidt tot een burger-gedragen zoekprofiel voor toekomstige bomen en hun toepassing. Daarvoor zijn de kenmerken van bomen voorgelegd aan een online onderzoekpanel in tien gemeenten.

Opzet van het onderzoek
In de CSI Trees gemeenten Almere, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Den Haag, Dordrecht, Leeuwarden, Rotterdam, Den Bosch en Utrecht zijn minimaal 100 respondenten per gemeente ondervraagd. Om een representatief beeld te krijgen is er gewogen op leeftijd, geslacht en opleiding. In totaal zijn de gegevens van 1045 respondenten statistisch verwerkt.
Van de inwoners heeft 32% geen kennis over bomen; ze kunnen geen bomen bij naam noemen. En 55% kent maximaal vijf boomsoorten. Dit betekent dat een klein gedeelte wel een redelijke kennis heeft over bomen. Van de respondenten kent namelijk 12% 5 tot 15 boomsoorten en 1% kent meer dan 15 bomen bij naam. Hier lijkt een opgave te liggen voor onderwijs en voorlichting.

Vergroening van de straat
Inwoners werd een aantal stellingen voorgelegd over de vergroening van hun straat. De inwoners zijn het meest met de stelling eens (figuur 1) dat het fijn is om door bomen de seizoenen te beleven en ervaren. Er is ook een oproep aan alle tien gemeenten om meer te investeren in het vergroenen van de stad om het in de zomer lekker koel te houden, want de overlast van bomen weegt niet op tegen de voordelen die ze bieden voor het leefklimaat. Dit geldt voor alle tien steden. De inwoners zijn het ook eens dat ze het erg vinden als de oorspronkelijke bomen die in Nederland altijd voorkwamen door klimaatverandering uit het straatbeeld zullen verdwijnen. Maar aan de andere kant vinden ze het ook leuk als in de toekomst nieuwe soorten bomen in de straat zullen gaan groeien. Dat ze bomen belangrijk vinden, blijkt uit het feit dat een meerderheid zegt dat als ze zouden verhuizen, ze graag verhuizen naar een straat met bomen. Ze zien het liefst verschillende soorten bomen in de straat.

Figuur 1: Mate (%) waarin inwoners het eens zijn met een stelling.

Aan de inwoners is gevraagd om de mate van aantrekkelijkheid van in totaal 18 eigenschappen van een boom aan te geven. Hieruit blijkt (figuur 2) dat er een voorkeur is voor straatbomen die vooral vlinders aantrekken, in de herfst verkleuren, vogels aantrekken, bloesem geven en aangenaam geurend zijn en bijen aantrekken. Minder in trek zijn straatbomen die voor de mens al dan niet eetbare vruchten of fruit geven. Meer neutraal zijn de inwoners over of een boom bladhoudend in de winter is, meerstammig is of grote bladeren heeft. Een ovaal/eironde kroonvorm geniet de grootste voorkeur, naast de ronde vorm. Andere vormen zoals zuilvormig, afgeplat bolvormig, kegelvormig, vaasvormig of treurvorm scoren minder. Veel inwoners prefereren een variatie aan kroonvormen.

Straatbomen mogen ook niet te hoog worden; 10m – 15m wordt als meest ideaal gezien (24%) gevolgd door 6m – 10m (23%). Meer dan 15m of minder dan 6m is de favoriete hoogte voor 11% van de inwoners. Meerdere hoogten wordt door 17% aangegeven en 15% heeft geen voorkeur.

Figuur 2: Mate van belangrijkheid (%) per eigenschap van een boom.

Naaldhout in de straat
De inwoners zijn niet te porren voor alleen naaldbomen als straatboom. Liever zien ze loofbomen (50%) of afwisselend loof- en naaldbomen (32%). Een grote voorkeur is er (64%) voor bomen waarbij de takken hoger aan de stam zitten, zodat je er onderdoor kunt lopen.

Kroondichtheid
Een meerderheid van de inwoners (52%) heeft een voorkeur voor bomen met een kroondichtheid die half open is, waar de helft van het licht doorheen valt. Een dichte kroon waarbij onder de boom er volledige schaduw is, krijgt van 16% de voorkeur. Daarentegen geeft 13% de voorkeur aan bomen met een hele open kroondichtheid waarbij er veel licht doorheen valt.

Boomkenmerken gewogen
Tevens konden de inwoners de drie belangrijkste eigenschappen van een boom voor in hun straat aangeven (tabel 1). Het blijkt dat de seizoencomponenten belangrijk worden gevonden, zoals ook al uit figuur 1 naar voren kwam. Bloesem in het voorjaar is de populairste eigenschap van een boom, gevolgd door herfstkleur. Een boom die de biodiversiteit vergroot heeft ook een voorkeur voor de inwoners van de tien steden evenals de bladhoudendheid van een boom en dat een straatboom een aangename geur verspreid. Naaldbomen, de kleur van de boomstam en het type boomschors worden nauwelijks belangrijk gevonden.

Tabel 1: Het gemiddeld belang per eigenschap voor een boom in de straat.

Eigenschap Belang
Bloesem in het voorjaar 0,37
Herfstkleur 0,34
Vergroten biodiversiteit 0,33
Bladhoudend in de winter 0,24
Aangenaam geurend 0,21
Geen overlast veroorzakend 0,19
Hoogte 0,18
Geen allergie veroorzakend 0,17
Grote bladeren 0,15
Loofboom 0,11
Voor de mens eetbare vruchten en fruit 0,07
Kroonvorm 0,05
Kroondichtheid 0,04
Voor de mens niet eetbare vruchten 0,04
Meerstammige straatbomen 0,02
Naaldboom 0,01
Kleur van de boomstam 0,01
Boomschors 0,00

Ook kregen inwoners vijf plaatjes te zien met daarop een straat afgebeeld met voor Nederland op dit moment nog zeer ongebruikelijke en (nog) niet toepasbare straatbomen die voor hen een heel ongebruikelijk straatbeeld geven. Figuur 3 laat zien dat in lijn met de resultaten de bloesemrijke Banababoom (Lagerstroemia speciosa) het meest aantrekkelijk wordt gevonden. Daarna volgen de Parasolden (Pinus pinea) en de eveneens bloesemrijke Perzische slaapboom (Albizia julibrissin). Minder aantrekkelijk vinden de inwoners de Chileense honingpalm (Jubaea chilensis) als straatboom. Het gemiddeld minst gewaardeerd als straatboom is het type ‘boomfles’ (Ceiba speciosa (oude naam: Chorisia speciosa)).

Figuur 3: Aantrekkelijkheid (%) van diverse toekomstige straatbomen.

Uit het onderzoek blijkt verder dat er twee groepen gemeenten te onderscheiden zijn op basis van de mate van beschikbaarheid van een tuin. Inwoners uit de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Dordrecht hebben minder vaak een tuin. Inwoners van de gemeenten Almere, Arnhem, Apeldoorn, Leeuwarden en Den Bosch hebben vaak wel de beschikking over een tuin.

Er zijn verschillen tussen de resultaten van verschillende gemeenten. Zo kennen inwoners van Apeldoorn meer bomen bij naam dan inwoners uit Almere. Ook het belang dat inwoners hechten aan het aantrekken van vlinders, vogels of bijen of een voorkeur voor stamkleur kan (licht) verschillen per gemeente. Het is vaak niet helemaal duidelijk waardoor die verschillen veroorzaakt worden. Dat zou te maken kunnen hebben met het al dan niet hebben van een tuin, gebrek aan parkeerplaatsen en dergelijke.

Dichtheid van bomen in de straat en bladerdek
Volgens de inwoners van de tien gemeenten staat de meerderheid van de bomen (74%), waar de gemeente het onderhoud van heeft, zover uit elkaar dat de kronen elkaar niet raken. In 12% raken de kronen elkaar wel. Dit geeft in de zomer een dik bladerdek waardoor de hitte wordt beperkt. Toch hebben de inwoners liefst dat de kronen elkaar niet raken (42%). Elkaar rakende kronen heeft de voorkeur bij 16% van de inwoners. Ruim 8% van de inwoners zien bomen liever gegroepeerd staan als een klein bosje.

Tussen de 7 en 11% van de inwoners wil geen bomen in de straat.

Bij 14% van de inwoners uit deze tien steden staan er ook geen bomen in de straat. Vaak is er vanaf de straat wel zicht op bomen die in particuliere tuinen staan.

De straat is in een kwart van deze gevallen te smal voor bomen.

Overlast
Indien er wel bomen staan, worden de bomen voor het overgrote deel (86%) ook aantrekkelijk gevonden, waarbij 29% van de inwoners aangeeft dat sommige bomen wel en andere niet aantrekkelijk zijn om te zien. Van de inwoners geeft 32% aan overlast te ondervinden van de bomen. De belangrijkste redenen (tabel 2) hiervoor zijn vogelpoep, kleverige materie op stoep en auto en vallende takken. De overlast lijkt ook een reden te zijn waarom deze inwoners geen bomen in de straat willen, want hiermee is een sterke significante relatie (-0,118; p < 0,001).

Tabel 2: Type overlast (%) door een boom.

Type overlast Percentage
vogelpoep 10,0
kleverige materie op stoep en auto 9,2
vallende takken 8,1
hooikoorts/allergie 6,8
zaad en/of vruchten 6,4
te veel schaduw/beperkt zonlicht 4,4
vallende vruchten en eikels 4,4
rottende vruchten op de grond 2,4
eikenprocessierups 2,1
schaduw beperkt opbrengst zonnepanelen 1,8
beperkt mijn vrije uitzicht 1,6
overig 4,5

Het project CSI trees: klimaatbomen voor de toekomst
Vanwege de versnelling van de klimaatverandering blijken steeds meer stadsbomen minder klimaatbestendig te zijn voor de huidige en verwachte toekomstige binnenstedelijke omgeving. Dit leidt onder meer tot slechte groei, blad- en bastverbranding, verhoogde vatbaarheid voor ziekten en plagen en in het algemeen in een povere ‘performance’, waardoor potentiële ecosysteemdiensten niet kunnen worden behaald. Het huidige bomenbestand is grotendeels afkomstig uit de gematigde streken van de wereld, terwijl het binnenstedelijke microklimaat inmiddels meer overeenkomst vertoond met droog landklimaat. De verschuiving van de klimaatzones is een mondiaal verschijnsel en raakt ook de Nederlandse bomen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd om steden in de toekomst onderbouwd te kunnen voorzien van boomsoorten die bestand zijn tegen de toenemende abiotische stressfactoren als gevolg van de klimaatsverandering.

CSI Trees: klimaatbomen met toekomst wordt gefinancierd vanuit de Topsector T&U met financiering vanuit het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat. De cofinanciering wordt opgebracht door het Nederlandse bedrijfsleven: Boomkwekerij Gebr. Van den Berk, Boomkwekerijen Udenhout, Boot & Dart, Ebben Boomkwekerijen, Mart van den Oever Boomkwekerijen, Gemeente Almere, Gemeente Amsterdam, Gemeente Apeldoorn, Gemeente Arnhem, Gemeente Den Haag, Gemeente Dordrecht, Gemeente Leeuwarden, Gemeente Rotterdam, Gemeente ‘s-Hertogenbosch, Gemeente Utrecht, Branche Organisatie Anthos en Stichting De Groene Stad

Meer informatie: Marc Ravesloot, marc.ravesloot@wur.nl, M 06 22193312

Martin Goossen (WENR Wageningen Environmental Research)

Marc Ravesloot (WUR Agrosysteemkunde )

Gert Dijksterhuis (oud medewerker WUR Agrotechnology & Food Sciences Group)

Karen de Rosa Spierings (WUR Agrotechnology & Food Sciences Group)

Wat bomen kunnen betekenen; bomen als bondgenoten?

In het NDV-jubileumboek Honderd jaar dendrologie 1924-2024 stelt botanisch filosoof Norbert Peeters de vraag ‘Wat is een boom’? Zijn verkenning is interessant omdat deze naast de fysiologisch-biologische vorm waarin bomen verschijnen (en waar dendrologen zich vooral mee bezighouden) op zoek gaat naar andere visies op ‘de boom’. Daarmee sluit hij, zonder dat te benoemen, aan bij cultuurfilosofen die zoeken naar betekenisgeving, in het geval van bomen naar de betekenis van hun relatie met mensen.

Het in Arbor Vitae 1, 2024 besproken Bomen en Bossen van cultureel antropoloog en filosoof Ton Lemaire benadrukt precies het belang van dit laatste perspectief, waarin bomen en bossen een relatie met mensen hebben en zelfs bondgenoten zijn. In dit artikel willen wij laten zien hoe vruchtbaar zo’n benadering is. We putten voor ons artikel uit drie bronnen. Ten eerste het werk van de Nederlandse bioloog Arjen Mulder wiens ‘heropvoeding’ hem laat communiceren met bomen. In het tweede voorbeeld bespreken we een heel andere culturele traditie; aan de hand van de Bengaalse Sumana Roy besteden we aandacht aan de invloed die bomen hebben op onderwijs en onderzoek bij de Indiase universiteit gesticht door Nobelprijswinnaar voor literatuur Rabindranath Tagore. Ten slotte presenteren we de Zuid-Afrikaanse antropoloog William Ellis, die zich aan de Zuid-Afrikaanse Universiteit van de Westkaap sterk maakt voor de verhalen die bomen ons vertellen over de lokale sociaal-culturele geschiedenis van slavernij.

Cultuur en betekenisgeving
In navolging van André Droogers beschouwen wij cultuur als zin- en betekenisgeving. Zo bekeken is cultuur het menselijk vermogen om betekenis te geven aan de wereld, en de producten van dat vermogen, of het nu woorden, daden of dingen (of de symbolen daarvan) zijn. De verscheidenheid aan culturen toont de creativiteit van de menselijke betekenisgeving. Een belangrijke eigenschap van betekenisgeving is haar speelse karakter. Cultuur is dan een spel: het vermogen om meerdere werkelijkheden te creëren en daarmee om te gaan. Om dit wat concreter voor de boomwereld te maken de bijgaande foto van de Cipres als boom en het schilderij waarin Vincent van Gogh op speelse wijze betekenis aan de Cipres geeft en daarmee de wereld van mensen en bomen met elkaar verbindt. Zoals Lemaire in Bomen en bossen (p. 114-115) schrijft, maken Cipressen, alsook Olijven, deel uit van Van Gogh’s dagelijkse worsteling met de zin van het leven tijdens zijn verblijf in een Zuid-Franse inrichting.

Het antropologisch begrip cultuur als betekenisgeving sluit nauw aan bij hoe daar in de grote religieuze tradities naar gezocht wordt. Denk alleen maar aan Gilgamesj zoektocht naar betekenis in het Cederwoud, Boeddha’s vereenzelviging met de Bodhiboom, maar ook het Bijbelse Genesis waarin Adam namen en daarmee betekenis geeft aan dieren en planten, waarmee ook de beheersing en exploitatie van bomen en meer in het algemeen de natuur een gegeven wordt. De diversiteit aan culturele betekenisgeving rond bos en bomen is zo groot als de wereld culturen rijk is. In dit artikel pretenderen we niet meer dan een zeer selecte demonstratie te geven.

Praten met bomen
In zijn De vriendschap van bomen beschrijft bioloog Arjen Mulder hoe zijn kijk als Europees en seculier bioloog op de bomenwereld diepgaand verandert en verder gaat dan een speelse betekenisgeving aan die wereld. Zijn relatie met bomen blijkt tweezijdig: bomen verlenen hem op hun beurt betekenis in een subtiel communicatieproces. Hij noemt dit proces zelfs vriendschap, wat suggereert dat de mensen- en bomenwereld elkaar ten minste deels overlappen. In zijn boek ‘ontmoet’ hij vele Europese bomen: Lindes, Eiken, Beuken, Sparren en vele andere. Wanneer hij onder invloed van de klimaatcrisis de gebaande paden van de biologie verlaat, op zoek naar nieuwe (deels oude) manieren van denken over de natuur, o.a. in de antropologie (zie p. 32), ontstaat bij Mulder een soort boomverering vergelijkbaar met hoe Germaanse stammen voor de komst van het Christendom Eiken vereerden. Hele dagen en nachten zit en ligt hij bij bomen en ‘leert’ zelfs met hen ‘spreken’. Net als Adam in Genesis geeft hij hen namen. De meest ‘sprekende’ vonden wij ‘kwebbelende meisjes’ waarmee hij tijdens een nachtelijke ceremonie met een drietal Beuken in het Bakkummerbos in gesprek gaat.

Ook in het Amsterdamse Vondelpark, het Duitse Sauerland en aan de Noorse Barentszee ‘ontmoet’ hij bomen en andere mensen die betekenis geven aan en communiceren met bomen. Het boek is fascinerende lectuur.

Of Mulder in zijn boek het culturele vermogen tot betekenisgeving (van mensen en bomen) nu te veel oprekt of niet, is een terechte maar misschien niet eens zo’n relevante vraag. Zijn manier van handelen en schrijven laat vooral eerbied voor bomen zien en de bereidheid om naar hen te ‘luisteren’. Het odium van ‘bomenknuffelaar’ ligt om de hoek, maar misschien is het wel beter om met Mulder bomen in al hun hoedanigheden te ‘omarmen’ dan ze vanuit een Westers functionele logica massaal om te zagen en daarmee onze planeet onleefbaar te maken.

De ‘kwebbelende meisjes’ uit het boek van Arjen Mulder (p. 211)

Hoe word ik een boom?
Sumana Roy’s How I became a tree is een diepgaande reflectie op de vraag hoe in de Indiase culturele betekenisgeving bomen als voorbeeld voor mensen en hun onderlinge relaties dienen. Zo beschrijft ze hoe de Boeddha bomen als voorbeeld stelde aan mensen om af te zien van hebzucht en verlangen en vooral het laten varen van trots om alles in het leven te willen controleren en daarmee anderen lijden te berokkenen. Ons grote voorbeeld zou volgens de Boeddha de Banyan boom moeten zijn die altijd gastvrij de vermoeide reiziger haar verkoelende schaduw biedt.

De diepe verankering van bomen in het Boeddhistische en Indiase culturele denken vindt ook expressie in het denken van Nobelprijswinnaar Rabindranath Tagore (1913), die in 1921 de Bengaalse Visva-Bharati universiteit stichtte (Sanskriet voor ‘India in een gemeenschappelijke wereld’; Visva betekent wereld of universum en Bharati betekent India en cultuur). Een andere beroemde naam en tijdgenoot uit India, Mahatma Gandhi, hielp Tagore mee om de financiering voor de universiteit rond te krijgen. Waar Roy een boom wil zijn, wilde Tagore vooral cactus zijn vanwege zijn niet-veeleisende karakter. Cactussen bloeien met weinig water, voeding en aandacht. Zo wilde Tagore leven, blijkend uit zijn poëzie, zijn muziek en zijn verdere oeuvre. Geen wonder dat bomen, en groen in het algemeen, een centrale rol spelen in ‘zijn’ Visva-Bharati universiteit, waar het onderwijs zoveel mogelijk in de buitenlucht plaatsvindt. Vanwege de meestal onverbiddelijke zon in India vinden colleges vaak plaats in de schaduw van een boom. Voor Tagore was een boom overigens nooit zomaar een boom. Volgens hem moest elke boom als individu worden beschouwd. In elk onderwijsprogramma zit een verplicht vak ‘natuurstudie’ waarin van studenten wordt gevraagd om individuele bomen en planten door de seizoenen heen met al hun zintuigen te bestuderen. Deze vorm van academisch onderwijs probeert door diepgaande studie van, en verbondenheid met bomen, planten en natuur in zijn algemeen, elke vorm van onverschilligheid en onachtzaamheid jegens hen af te leren. Aan deze culturele boodschap zouden ook de Nederlandse universiteiten inspiratie kunnen ontlenen.

Banyan (Ficus benghalensis) in de botanische tuin in Howra, India.
Foto: Biswarup Ganguly, CC BY 3.0, via Wikimedia Commons

Onder de Melkhoutboom
Vanuit Zuid-Afrika bereikt ons een vergelijkbare culturele boodschap over de betekenis die bomen hebben voor mensen. Zo werden bomen, met name de Melkhoutboom, door de eerste Nederlandse kolonisten in Zuid-Afrika rond de Kaap massaal gekapt voor gebruik in de scheeps- en huizenbouw, alsmede het vervaardigen van gereedschappen.

Waar de Melkhoutwouden wijdverspreid waren in de voormalige Kaapprovincie, is deze boom nu nog slechts sporadisch te vinden. In het Engels wordt dit een ‘vegetal genocide’ genoemd, de systematische uitroeiing van een plantensoort, zoals ook veel in de mijnbouwgebieden in zuidelijk Afrika gebeurt. Zo staat er in Kaapstad op de plaats waar eens een Melkhoutboom stond nu een inscriptie om aan te duiden dat in koloniale tijden daar de slaven werden verkocht. Elders in Kaapstad staat een vijf eeuwen oude Melkhoutboom als aandenken aan de Nederlandse overdracht van de Kaapkolonie aan de Engelsen. Aan deze zogenaamde Treaty Tree werden ooit ontsnapte en weer gevangen slaven opgehangen: een buitengewoon bittere herinnering. William Ellis probeert zich in zijn reflectie op de culturele betekenis van deze Melkhoutbomen voor te stellen hoe zijn vaders betovergrootmoeder ooit als slaaf verkocht is bij een Melkhoutboom in de buurt van Kaapstad en hoe haar tranen en andere excrementen met die van de talloze andere slaven de boom hebben gevoed die daardoor onderdeel is geworden van zijn relatie met zijn voorouders. Het ‘houten vlees’ van de oude overgebleven Melkhoutbomen is daarmee niet alleen getuige, maar ook letterlijk doordrenkt met dit slavenverleden. Wat zouden al die eeuwenoude bomen die nu de vele wijnhuizen in en rond Kaapstad sieren en die jaarlijks zoveel toeristen trekken, ons nog meer kunnen vertellen over wat zij allemaal hebben meegemaakt? Misschien zou Arjen Mulder het hen een keer kunnen vragen?

Witmelkhoutboom (Sideroxylon inerme).
Foto: Maretblom, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons

Slot
Mensen maken wereldwijd en historisch deel uit van het vlees dat wij bij bomen hout noemen. De boom is daarmee de belichaming van ook onze geschiedenis. Maar de boom is ook de ‘host’, die schaduw, troost en beschutting biedt aan iedereen die dit nodig heeft: mens, dier, of plant. Onbaatzuchtig zijn bomen bereid tot het bieden van bescherming, maar ze worden als gastheren ook gevoed door de ontbinding van alles wat leeft, inclusief de mens. In deze visie heeft iedere individuele boom een eigen verhaal te vertellen aan wie zoekt naar antwoorden op vragen die slechts bomen kunnen beantwoorden. Laten we daarom met Lemaire bomen, net als mensen, als bondgenoten en betekenisgevers zien en daarmee het NDV en KVBC perspectief op de dendrologie verrijken.

Bronnen

  • André Droogers, 2010. Zingeving als spel. Over religie, macht en speelse spiritualiteit. Een gids voor vrije zinzoekers. Almere: Parthenon
  • William Ellis, 2019. A Tree walks through the forest: Milkwoods and other botanical witnesses. Catalyst: Feminism, Theory, Technoscience 5(2)
  • Ton Lemaire, 2023. Bomen en bossen. Bondgenoten voor een leefbare Aarde. Amsterdam: Ambo/Anthos
  • Arjen Mulder, 2024. De vriendschap van bomen. Heropvoeding van een bioloog. Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers.
  • Sumana Roy, 2017. How I became a tree. New Haven/London: Yale University Press

* Harry Wels en Frans Kamsteeg zijn beiden werkzaam aan de Vrije Universiteit, faculteit Organisatiewetenschappen

Het herbarium in het Naturalis Biodiversity Centre in Leiden

Toen ik in Wageningen studeerde ben ik meermaals in het herbarium geweest als onderdeel van mijn studie. Dit Herbarium Vadense was gevestigd in het gebouw van Plantentaxonomie aan de rand van arboretum De Dreijen aan de Generaal Foulkesweg. Dit herbarium, dat werd gestart in 1896, kende vooral veel materiaal uit tropisch Afrika en cultuurgewassen. Planten en zaden zijn hier echter niet meer te vinden: het gebouw is in 2016 getransformeerd naar studentenhuisvesting als onderdeel van de concentratie van de universiteit op een nieuwe campus en als gevolg van heroriëntatie in onderwijs en onderzoek.

André Beerendonk en Barbara Gavendeel in het herbarium
Foto: Ronnie Nijboer

Het Wagenings herbariummateriaal is niet verloren, het is nu opgenomen in de collectie van het Naturalis Biodiversity Centre, samen met de herbaria van de Universiteit Utrecht en de Universiteit Leiden (het voormalige Rijksherbarium). Daarmee is effectief de cirkel rond gemaakt. Het Rijksherbarium dat werd gesticht in 1929 te Brussel door Carl Ludwig Blume, werd in 1830, na de afscheiding van België, door Philip Franz von Siebold en medewerkers naar Leiden geëvacueerd. Ook zijn eigen herbarium maakte namelijk deel uit van deze wetenschappelijke plantencollectie. Het Rijksherbarium richtte zich met name op Zuidoost-Azië en de inheemse flora van Nederland en Europa. In dat kader was het betrokken bij Heukel’s Flora van Nederland. Dit overzicht van inheemse planten werd in 1883 uitgegeven als Schoolflora van Nederland en was gebaseerd op Otto Wünsche’s Schulflora von Deutschland. Het boek groeide uit tot de toonaangevende veldgids voor de inheemse planten. Daarnaast stelde het Rijksherbarium de Standaardlijst Nederlandse Flora op met daarbij een lijst van zogenoemde wachtkamersoorten, waarvan eens per 7 jaar werd beoordeeld of deze planten zich inmiddels blijvend hadden gevestigd in ons land. FLORON is nu verantwoordelijk voor deze lijst.

Ampelocera een tropische verwant van de Iep is alleen te zien in ons land als herbariumexemplaar
Foto: André Beerendonk

Uiteindelijk is het Rijksherbarium in 1999 opgegaan in het Nationaal Herbarium Nederland, een decentrale collectie met drie vestigingen in Leiden, Utrecht en Wageningen. In 2013 is het Nationaal Herbarium Nederland samengevoegd met de in 2011 samengevoegde collecties van het Zoölogisch Museum Amsterdam (ontstaan uit Artis) en Museum Naturalis (ontstaan uit het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie) en opgegaan in het Naturalis Biodiversity Centre. Sinds 2019 is de collectie gevestigd in de nieuwbouw achter museum Naturalis. Hoewel nu op één locatie bestaan de herbariumcollecties van Leiden, Utrecht en Wageningen nog steeds naast elkaar.

Toen het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in 1820 werd opgericht op initiatief van de zoöloog Coenraad Temminck, was het beperkt toegankelijk voor publiek. In 1986 werd besloten dat het een publieksmuseum moest worden. Dit werd uiteindelijk Museum Naturalis. De herbaria waren vooral bedoeld voor wetenschappelijk onderzoek en op afspraak geopend. Het is een feit dat dieren ook veel meer enthousiasme oproepen bij het grote publiek, dus de roep om een botanisch museum zal hooguit als een fluistering geklonken hebben.

Een gedroogde tak van Ulmus × hollandica ‘Klemmer’ de Vlaamse iep
Foto: André Beerendonk

De totale collectie van Naturalis Biodiversity Center telde in 2022 ruim 43 miljoen objecten en behoort wat omvang daarmee tot de top vijf van de wereld. De collectie is doorzoekbaar op een website. In 2011 is namelijk begonnen met het digitaliseren van de collectie. Sinds 2015 zijn 7 miljoen objecten opgeslagen in een database die online beschikbaar is. Ook zijn vele afbeeldingen uit de Naturalis-collectie in Wikimedia Commons ingebracht. Een deel van deze digitaal ontsloten gegevens betreft herbariumexemplaren die zijn gescand op hoge resolutie.

De gedigitaliseerde collectie is te raadplegen in het bioportaal via de website bioportal.naturalis.nl. De website biedt verschillende zoekmogelijkheden. Zo kan er gezocht worden op wetenschappelijke naam en herkomstgebied. De resultaten kunnen sterk variëren. Zo kan een zoekopdracht zowel herbariumexemplaren opleveren, als fossielen en paleobotanische resten. Van de ingescande herbariumexemplaren wordt naast het collectienummer ook de vindplaats, verzamelaar en datum weergegeven. De naamgeving is in lijn gebracht met de laatste taxonomische inzichten. Eventueel verkeerd benoemde planten blijven echter verkeerd benoemd, de naamgeving is met het digitaliseren niet gecontroleerd.

Ik kreeg, samen met Ronnie Nijboer, begin dit jaar de kans voor een rondleiding in het herbarium door professor Gravendeel. Met veel plezier zijn we verschillende ruimten op verschillende verdiepingen afgegaan om zowel exemplaren in de voormalige Leidse, als Wageningse en Utrechtse collecties te bekijken. De plat gedroogde planten zitten in papieren mappen die per soort in kartonnen dozen zijn opgeborgen, opgestapeld in rekken. Omdat de gedroogde planten behandeld zijn met gif is het telkens van belang goed de handen te wassen. Ook is het goed vooraf te weten wat je wilt zien, de collectie is immers enorm!

Voor de gemiddelde persoon zullen de gedroogde planten minder enthousiasme opwekken dan levende exemplaren. Toch kan het nuttig zijn om exemplaren verzameld in andere herkomstgebieden of van lang geleden te beoordelen op mogelijke vormafwijkingen van wat nu als typisch wordt beschouwd voor de betreffende soort. Ook voor kweekvormen kan dit interessant zijn. Zo zijn in het herbarium exemplaren aanwezig van enkele Iepencultivars die niet meer worden gekweekt en zelfs (waarschijnlijk) niet meer bestaan. Beschikbare historische afbeeldingen of beschrijvingen kunnen vergeleken worden met het herbariummateriaal. Ook is het aan de hand van herbariumexemplaren mogelijk verloren gewaande cultivars te determineren en op die manier te herontdekken. Voor een plantennerd als ondergetekende was het gewoonweg leuk om na 30 jaar weer eens een specimendoos te openen en voorzichtig de mappen naast elkaar te leggen voor inspectie.

Het herbarium is op afspraak te bezoeken voor onderzoek. Dit kan via collectie@naturalis.nl. Geef het doel aan van je bezoek, de specifieke collectie, de gewenste periode en de verwachte duur van je bezoek. Omdat telkens een collectiebeheerder aanwezig dient te zijn, zal op basis van beschikbaarheid een afspraak ingepland worden. Het is verstandig via het bioportaal één en ander voor te bereiden, zodat je een duidelijk beeld hebt van wat je fysiek wilt zien.

Ulmus × hollandica ‘Vegeta’, Huntingdons iep met vruchten.
Foto: Ronnie Nijboer