Een al jaren in het Middellandse zeegebied ingeburgerde Chinese boom is ook in ons land langzaam maar zeker meer te zien. Het is onmiskenbaar dat steeds meer gewassen uit zuidelijker streken het sortiment bij ons komen verrijken.
Eriobotrya japonica, in de buurt Wittevrouwen in Utrecht Foto: Bert Schalkx
Het geslacht Eriobotrya, uit de Rosaceae vinden we in alle herdrukken van Boom’s Nederlandse Dendrologie nog niet vermeld. Ook Bean vond in Trees and shrubs hardy in the British Isles (editie 1973) dat de in 1877 door Sir Joseph Hooker ingevoerde E. japonica in Engeland alleen tegen een zuidmuur bestand was tegen de Britse winters. Het geslacht werd in 1821 door Lindley beschreven. Hij bracht de door Thunberg in 1780 benaamde Mespilus japonica erin onder als Eriobotrya japonica (Thunberg) Lindley. De soort is echter niet inheems in Japan. In China is ze alleen in het wild te vinden in de provincies Chongqing en Hubei, maar elders is de soort in heel China, evenals verder in Oost-Azië, al lang ingeburgerd. De eetbare vruchten hebben daar ook geresulteerd in tal van selecties.
Eriobotrya japonica, Gran Canaria Foto: Wouter Hagens, Public domain, via Wikimedia Commons
De boom is ook visueel aantrekkelijk met zijn grote, leerachtige, wintergroene bladeren. Dit laatste betekent wel dat de aanblik van de bomen in het voorjaar wat ontsierd wordt door het verdorde blad, maar in de late zomer en herfst zijn ze een opvallende verschijning. De onderzijde van het blad is, evenals de twijgen, bezet met een wollige, witte tot roestbruine beharing. Dit was de aanleiding voor de (oude) Nederlandse naam Japanse wolmispel (inmiddels Japanse mispel). De bloei is in september met dichte, roestbruine bloemtrossen en kleine, witte bloemen. De drie tot vier cm grote vruchten zijn aanvankelijk roestbruin behaard en uiteindelijk geel tot oranje van kleur en bevatten twee hazelnootachtige zaden. De sappige vruchten worden vers gegeten, maar ook vaak verwerkt tot confitures. In ons klimaat worden ze echter niet rijp. Enkele benaamde selecties zijn in ons land in de handel, o.a. ‘Angelino’, ‘Coppertone’ en ‘Tanaka ‘.
Blad van Eriobotrya japonica Foto: Bert Schalkx
Het geslacht Eriobotrya telde volgens de oudere literatuur een tiental soorten, maar in de recente revisie van Idrees et al uit 2022 telt het geslacht maar liefst 32 soorten in China, India en Zuidoost-Azië (zie M. Idrees et al, 2022. A taxonomic revision of the genus Eriobotrya Lindl. (Rosaceae). Pak. J. Bot., 54(3): 985-1017. Online: https://mail.pakbs.org/pjbot/papers/1646203884.pdf, de moeite waard vanwege de vele afbeeldingen).
De Chinese flora telt 14 soorten, waarvan er vijf inheems zijn. Eén soort daarvan die ook in West-Europa in cultuur is, is E. deflexa uit Zuid-China en Taiwan. Het jonge blad van deze soort is spectaculair bronsroodkleurig wat de Engelse benaming Bronze loquat opleverde. Een boom van E. elliptica stond tientallen jaren lang in het Temperate House van Kew Gardens. Ze was gekweekt van zaden verzameld door Tony Schilling in Nepal in 1966. De vindplaats was op ca. 2500 m en daardoor leek ze niet winterhard, maar ook deze boom heeft mogelijk vanwege de klimaatverandering wel een kans buiten te overwinteren. Het areaal van de soort is verder in subtropisch zuidoost Tibet en Noord-Vietnam, gebieden waaruit er van diverse gewassen thans winterharde planten afkomstig zijn.
Bloemen van Eriobotrya japonica Foto: Mauroguanandi, Public domain, via Wikimedia Commons
Ik ben Ad van der Maden, inmiddels 70 jaar en altijd bezig geweest met het verzamelen van planten in allerlei vormen en soorten. In mijn tuin in Dongen staat dan ook een indrukwekkende collectie bomen, struiken, bolgewassen en vaste planten.
Ik kom van een boerenbedrijf waar ik opgroeide met liefde voor het groen. Mijn ouders hadden ook groene vingers. Ik heb de lagere en de middelbare tuinbouwschool gedaan en daarna tien jaar diverse opleidingen gevolgd. Ik ben begonnen in de bloemisterij. Als 12-jarige ging ik in mijn vrije tijd bij een kwekerij aan de slag. Mijn baas was een bloemenkweker in hart en nieren en een gedreven specialist. Van hem leerde ik wat fijne kneepjes van het vak. In die tijd maakte ik met ruitjes van 40 x 60 cm een eigen platte bak voor o.a. wat Geraniumstekje en éénjarige planten. En zo is het begonnen.
Ad van de Maden bij Cercis canadensis ᴇᴛᴇʀɴᴀʟ ꜰʟᴀᴍᴇ. Foto: Ineke van Teylingen
Daarna heb ik bij een kweker van grote kamerplanten gewerkt, gevolgd door werken op een boomkwekerij. In mijn jongere jaren heb ik bij de zogenaamde oude rotten uit de boomkwekerij heel veel kennis opgedaan en planten gedeeld. Ik was 14-15 jaar toen ik een studiedag bijwoonde bij Harry van de Laar over de naamgeving van de Ericaceeën. Dat was de aanleiding om alle planten die ik toen had, van de juiste naam te voorzien.
Eind jaren 80 werd ik tuinman/amanuensis op een scholengemeenschap. Daarna werkte ik, tot aan mijn pensioen, bij een werkvoorzieningsschap als werkvoorbereider en uitvoerder. Ik heb veel lezingen gehouden en enkele artikelen geschreven en haalde daar veel voldoening uit. Nog altijd ben ik bezig met verzamelen en, zoals mij ooit is verteld, al staat het nog zo vol, er is altijd wel een plekje voor iets nieuws te vinden.
Overzicht van de rotstuin. Foto: Ineke van Teylingen
Vaak vraagt men naar mijn favoriete plant of soort. Dat is zéér moeilijk aan te geven maar de Idesia polycarpa (Oranjekers), de Lindera’s (Koortsstruik), de Sarcococca’s (Vleesbes) en de Viburnums behoren wel tot mijn favorieten. Maar elke plant heeft zijn schoonheid met zijn eigenaardigheden en met verschillende kenmerken in elk jaargetijde. Zo ben ik dol op herfstkleuren van bijvoorbeeld de Lindera, de Photinia, de Euyonymus en de Viburnums. Ook vele vaste planten geven een fantastische herfstkleur zoals o.a. de Cynanchum en de Vernonia.
In mijn leven ging het groen altijd voor. Met behulp van diverse kwekers heb ik een grote collectie bomen en struiken bij elkaar kunnen brengen. In mijn tuin staan o.a. een aantal Ginkgo’s en Eiken, die in bladgrootte, textuur en herfstkleuren heel verschillend zijn. Er staan ook veel bolgewassen en vaste planten, die weer wat extra kleur aan de tuin geven. Ik vind het belangrijk dat al mijn planten voorzien zijn van een etiket met de juiste wetenschappelijke naam, opdat ook de bezoeker juist wordt geïnformeerd. Planten die écht de moeite waard zijn en nooit door de vinder zijn uitgebracht, neem ik ook graag op in mijn collectie om ze te behouden. Er staan er enkele van in onze collectietuin en mogelijk dat er nog iets mee gedaan wordt, nadat ik ze heb uitgetest. De tijd zal het leren.
Enkele soorten uit de tuin van Ad van der Maden (foto’s: Ineke van Teylingen en Gert Fortgens)
Het is een regelmatig terugkerende discussie: worden er wel de juiste bomen aangeplant in onze bossen en andere natuurgebieden? En behouden we op deze manier onze inheemse, autochtone populaties?
Flora wordt inheems genoemd als de soort zich na de laatste ijstijd spontaan in een gebied heeft gevestigd. Autochtoon zijn de populaties die zich generaties lang genetisch hebben aangepast aan de omstandigheden in een bepaald gebied (een zogenaamde klimaatregio, Nederland maakt deel uit van de klimaatregio Nederland/West-Vlaanderen), dus eigenlijk de plaatselijke nakomelingen van een inheemse soort, ook wel wilde flora genoemd. Binnen Natura 2000 is geregeld en geaccepteerd dat landen ernaar moeten streven iets van hun wilde flora, dus ook de wilde bomen en struiken, in stand te houden en te behoeden voor uitsterven. Dan gaat het dus om bomen en struiken die zich spontaan hebben gevestigd en waarvan de nakomelingen zich zonder (noemenswaardig) toedoen van de mens hebben weten te handhaven. Uit onderzoek van Bert Maes en anderen in de afgelopen 35 jaar blijkt echter dat het aandeel inheemse, autochtone bomen en struiken in nog aanwezige in situ bronpopulaties eind vorige eeuw tot een minimum was gedaald. Circa 3 tot 5% was nog maar inheems autochtoon te noemen en terug te vinden in de bronpopulaties.
Assortiment vruchten en zaden van inheems autochtoon materiaal Foto: Lammert Kragt
In Nederland komen ongeveer 100 tot 110 inheemse boom- en struiksoorten (inclusief halfheesters) voor met wilde populaties. Zo’n 10% daarvan is uitgestorven (de soort bestaat nog wel, maar het oorspronkelijke autochtone genetische materiaal niet meer), of bestaat alleen nog uit hele kleine aantallen. Van het oorspronkelijke materiaal en wat daar nog van over is, is 50% ernstig bedreigd geraakt in nog bestaande plaatselijke populaties. Jaarlijks verdwijnen er regionaal inheemse soorten met wilde (autochtone) herkomst. Deze achteruitgang heeft voornamelijk te maken met niet adequaat of gericht beheer van onze oude bosrestanten en houtwallen, naast de invloed van ontwatering, mest en gifstoffen. Zo golden tot en met de middeleeuwen strenge wetten en bepalingen omtrent de instandhouding van bossen (Jaap Buis, 1985. Historia Forestis) maar nadat die losgelaten werden, zette de achteruitgang zich snel in. Toch zouden we graag zien dat op het eind van deze eeuw de dan levende generaties nog steeds iets van onze wilde, houtige flora in ons landschap kunnen zien en ervaren. En niet alleen in arboreta.
Het is goed om de rol van wilde/autochtone bomen en struiken enerzijds en de rol van bomen en struiken in het algemeen (natuur, recreatie, productie) goed van elkaar te scheiden, hoewel er ook heel goed sprake kan zijn van een mengvorm (autochtone beplanting gebruiken die voldoet aan de eisen van het gewenste doel). Maar instandhouding van onze meest complexe landschapselementen met inheemse, wilde bomen en struiken is, alleen al uit voorzorg, wel verstandig. Hoe Staatsbosbeheer dat in Nederland wil doen, wordt hierna uitgelegd.
Vijlenerbos, oude bosgroeiplaats Foto: Lammert Kragt
De aandacht voor inheemse, autochtone bomen en struiken dateert uit de jaren ‘80 van de vorige eeuw en heeft zich nadien verder ontwikkeld in beleid en aanpak. Staatsbosbeheer heeft tussen 2005 en 2013 alle terreinen in eigendom en beheer door Maes laten inventariseren op mogelijk aanwezige bronpopulaties. Dat is tussen 2015 en 2018 nog een keer herijkt. Rapporten daarvan staan in het databestand van het Centrum voor Genetische Bronnen (CGN). Andere terreinbeheerders, zoals Natuurmonumenten en een aantal Provinciale Landschappen, zijn zover echter nog niet en staan pas aan het begin van een dergelijke monitoring.
In 2006 is op basis van mondiale, Europese en nationale afspraken (zie o.a. bijlage 1 bij nota en wet Bronnen van ons bestaan; behoud en duurzaamheid van genetische diversiteit) de genenbank voor bomen en struiken in de terreinen van Staatsbosbeheer ingericht (het Bronnenbos in boswachterij Roggebotzand). Circa 50 ha genenbank ex situ voor inheemse, autochtone bomen en struiken. Het oorspronkelijk materiaal hiervoor is verzameld binnen de klimaatregio Nederland/West-Vlaanderen, vanuit bronpopulaties. Het gaat dus om een klimaatregio-brede representatie van wat we nog hebben en in stand willen houden om drie belangrijke pijlers te waarborgen: klimaatbestendigheid, biodiversiteit (alle levensvormen die met deze soorten zijn verbonden) en ziektebestendigheid. Een collectie van een soort moet tenminste uit 30 verschillende genotypen bestaan, anders mag ze niet in de genenbank worden opgenomen. Dit zou anders de genetische basis versmallen. Alle oogstlocaties in- en ex situ staan geregistreerd in de Nederlandse Rassenlijst voor bomen en struiken.
De genenbank kent twee doelen:
conservering door bijeen te brengen van wat er nog is en waar mogelijk de genetische basis verbreden met materiaal uit nieuw gevonden bronpopulaties
vanuit de diverse collecties teeltmateriaal oogsten (zaad, stek) voor de vermeerdering via de boomkwekerijen die hiertoe gespecialiseerd zijn en het plantmateriaal (bosplantsoen) dat hieruit voortkomt door Staatsbosbeheer en andere organisaties planten in het bos en landschap binnen de klimaatregio. Dat kan in bestaand bos en landschap maar ook in nieuw aan te leggen bossen en landschappelijke beplantingen.
Dat werk wordt door Staatsbosbeheer uitgevoerd en is een wettelijk opgedragen taak van deze organisatie. Het staat onder toezicht van het CGN (wetenschappelijk toezicht) en NAK-tuinbouw (controle op in omloop brengen van teeltmateriaal en fyto-sanitaire hygiëne).
Oogsten van Meidoorn Foto: Lammert Kragt
Inheemse, autochtone herkomsten hebben een eigen status (SI = Source Identified) in de Nederlandse Rassenlijst. Staatsbosbeheer, afdeling Zaad & Plantsoen, heeft dit indertijd geïnitieerd om hiermee ‘gerommel’ te voorkomen. Deze categorie is vastgelegd in EU Richtlijn 1999/105/EG. De komende tijd wordt deze richtlijn omgezet naar een verordening en is daarmee, als een nog stringenter beleid, bindend voor alle EU-lidstaten.
Tussen 2010 en 2020 heeft dat per jaar circa 400.000 inheemse, autochtone, jonge bomen en struiken opgeleverd die allen een plaats hebben gekregen in bestaand of nieuw aangelegd bos en landschap. Vanaf 2020 is daar dankzij de Nationale Bossenstrategie een fors tandje bovenop gezet. Nu leveren we, in samenwerking met de boomkwekerijen, 800.000 autochtone bomen en struiken per jaar af. Omgerekend kom je op: (10 jr * 400.000 stuks) + (5 jaar * 800.000 stuks) = 8.000.000 inheemse, autochtone planten die het Nederlandse bos en landschap verrijken en daarmee hun autochtone voorgangers representeren en weer terugbrengen.
Daarnaast is het CGN gestart met een plan om, op basis van Europese afspraken, genenbewaringsunits in te stellen. Verspreid over het land zijn plaatsen aangewezen (bossen en landschappelijke beplantingen) waar zich nog oorspronkelijke bronpopulaties bevinden. Die populaties worden, voor zover dat nog niet het geval is, in kaart gebracht. Tevens wordt er ook actief gezocht naar mogelijk nieuwe, nog niet bekende populaties. Deze populaties worden gericht beheerd om ervoor te zorgen dat de populatie zich tenminste kan handhaven en zo mogelijk weer langs natuurlijke weg kan uitbreiden.
Zaden van Juniperus communis Foto: Lammert Kragt
Hoe worden nu de inheemse, autochtone bronpopulaties van soorten bepaald? Als ijkpunt wordt het landschap voor 1850 genomen: er wordt gekeken naar restanten van bossen en landschappelijke beplantingen die toen aanwezig waren. De populaties moeten zich in ongestoorde situaties bevinden waar bomen en struiken zich vanaf de laatste ijstijd in grote mate zelf hebben weten te handhaven door de eeuwen heen.
Verder zijn de morfologische (o.a. bladvorm, bloeiwijze) en de genetische (DNA) kenmerken van de betreffende plant/populatie belangrijk. Zekerheid is echter lang niet altijd te geven, dus het blijft een vermoeden met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat het dan om een inheemse, autochtone bronpopulatie gaat. Tijd, ruimte en andere invloeden, kortom de natuur, bepalen mede de oorsprong. Verder weten we veel van de moederplanten maar slechts weinig of niets van de vaderplanten. Dat geldt met name voor windbestuivers, maar er zijn ook lokale voorbeelden van ingekruist materiaal.
Momenteel is er een stroming die alleen kiest voor zeer lokaal, autochtoon materiaal. Dus zaad winnen van locatie X, daar planten van telen en die op locatie X en omgeving terug planten. Dat maakt de uiteindelijke genetische basis echter zeer smal met als gevolg allerlei problemen in tijd (ziekten). Verder is uit archeobotanisch onderzoek duidelijk naar voren gekomen dat veel huidige zeldzame en zeer lokaal gebonden soorten eerder ook op (veel) andere geschikte groeiplaatsen in het land voorkwamen. Een voorbeeld is de wilde appel (Malus sylvestris). Het is de kracht van de genenbank dat daar populaties staan die genetisch representatief zijn voor de gehele klimaatregio.
Anderzijds is er nog zeer veel onkunde en soms stuitende domheid op dit gebied. Een voorbeeld (waar gebeurd); een instelling vraagt naar autochtone Tamme kastanje (Castanea sativa). Dus een Nederlands-Vlaamse herkomst categorie SI. De kweker bevestigt dat die te krijgen is, maar levert uiteindelijk Castanea sativa met als herkomst Bulgarije (autochtoon). Voor de afnemer geldt daarom dat je duidelijk moet aangeven wat je wil hebben en altijd de correcte papieren erbij moet eisen. Blijkt dat het niet gaat om een Nederlands-Vlaamse autochtone herkomst, dan neem je de partij niet af en meld je de situatie bij NAK-tuinbouw.
In bossen en landschapselementen met accent natuur en een Natura 2000 status worden altijd en alleen inheems autochtone bomen en struiken geplant. In multifunctioneel bos (met houtproductie) worden als basis inheemse bomen en struiken geplant. De struiken zijn inheems autochtoon en de bomen zoveel als mogelijk of anders van goede en erkende bosbouwkundige herkomst in Nederland.
Bloeiende Berberis vulgaris in de genenbank Foto: Lammert Kragt
Er is niks mis met exoten, in tegendeel, ze vormen vaak een waardevol, eeuwenoud erfgoed en zijn belangrijk voor onze woonomgeving. In onze complexe bosecosystemen, met samenhang van mycorrhiza, insecten, bodemfauna enz., spelen exoten echter vaak een minder positieve rol, zeker als ze invasief zijn. Logisch, omdat ze niet aan onze levensgemeenschappen en ecosystemen zijn aangepast. Toch kunnen ze ook voor onze bossen soms een waardevolle aanwinst zijn. In het kader van de klimaatontwikkeling worden dan ook kleine pilots (in het kader van het LIFE Climate Forest programma van Staatsbosbeheer en de Bosgroepen) geplant met zowel inheemse als uitheemse bomen. Het gaat daarbij om andere Europese boomsoorten die van oorsprong van elders komen, maar die al lang in Europa zijn ingeburgerd, zoals de Douglasspar. Maar ook om nieuwe soorten zoals Liriodendron, Sequoiadendron, Carya etc. of Europese soorten die elders in Europa inheems zijn zoals Corylus colurna of Sorbus torminalis (ook wel Torminalis glaberrima genoemd). In het kader van klimaatslim bosbeheer wordt geprobeerd op basis van waarneming en monitoring of deze soorten een waardevolle aanvulling in de tijd kunnen betekenen. In de voormalige terreinen van het Rijksinstituut voor Onderzoek in de Bos- en Landschapsbouw (RIBL) de Dorschkamp zijn proefvelden aangelegd met een aantal van deze nieuwe soorten. Op de site van Probos staat een lijst van mogelijke complementaire soorten
(https://www.probos.nl/projecten/innovaties-in-beheer/1635-aanvullende-boomsoorten-ten-behoeve-van-revitalisering).
Deze website maakt gebruik van cookies
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Als je geen toestemming geeft of je toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.