Categorie archieven: Arbor Vitae

Resultaten van het verplanten van buiten­categoriebomen

Het verplanten van bomen werd meer dan honderd jaar geleden al gedaan. Denk aan het aanvoeren van halfvolwassen Eiken en Beuken vanaf de Heuvelrug naar kasteel De Haar in Haarzuilens in 1895. In 2021 en 2022 schreef Jan Holwerda een artikel hierover (Arbor Vitae 4, 2021. Boomverplanting met vorstkluit, nu en toen; Arbor Vitae 1, 2022. Historische boomverplantmachines).

Het gaat om voor die tijd grote bomen, die met speciaal geconstrueerde apparaten werden vervoerd. Uit de foto’s bij het artikel kan worden opgemaakt dat de stamdiameter ongeveer 30 cm was en de wortelkluit een diameter van 200 cm had.

Horizontale verplanting van een Fraxinus xanthoxyloides (Afghaanse es) in 1958 op rolletjes in arboretum Trompenburg.
Foto: Trompenburg Tuinen en Arboretum

Dit artikel gaat over het verplanten van bomen met een stamdiameter tot 140 cm en is het resultaat van een onderzoek naar de groei en (wortel)ontwikkeling op lange termijn. Samen met Roel Vermeulen, boomexpert uit Brabant, is in 2022, 2023 en 2024 onderzoek uitgevoerd bij ruim twintig bomen die tussen 1997 en 2015 verplant zijn, zowel in Brabant (door Roel) als in het westen van Nederland (samen). De onderzochte exemplaren zijn Plataan, Linde, Paardenkastanje, Iep en Eik. De stamdiameter van de onderzochte bomen varieert van 60 cm tot 140 cm. Critici van het verplanten van grote bomen menen dat het verplanten van grote bomen niet zinvol zou zijn omdat jonge bomen de oudere altijd inhalen. Al zou dit waar zijn, dan is het ook van belang om daarin te betrekken dat de gemiddelde boom in de stad niet de leeftijd van 30 jaar bereikt. Het is daarom in toenemende mate belangrijk dat we het stadsboombeheer richten op behoud en levensduurverlenging van bestaande bomen. Verplanting is dan een optie wanneer we het boomkroonvolume in de stad op peil willen houden of zelfs uitbreiden.

Horizontale verplanting van een Paardenkastanje met een totaalgewicht van 200 ton in Den Haag (1997)
Foto: Huib Sneep

Verplanttechniek
Na de opkomst van hydraulische telescoopkranen in de zeventiger jaren werd het mogelijk om bomen met een gewicht tot 20 ton te verplanten. Er wordt dan met eindloze stroppen aan de stam gehesen of via een zogenaamd Newman-frame aan de kluit. Eind jaren ’80 kwamen er kranen op de markt die tot 40 ton kunnen hijsen.
Toen de gemeente Den Haag in 1995 een Paardenkastanje wilde laten verplanten op de Koekamp nabij het Malieveld, schoot deze hijstechniek tekort en was er een grote innovatie nodig: horizontale verplaatsing van een totaalgewicht van 200 ton door middel van schuiftechniek. Hierbij worden acht tot tien stalen rijplaten onder de kluit doorgetrokken met behulp van een lier, waarna de rijplaten worden bevestigd aan een zware H-balk. Via een grote lier wordt de boom via een vooraf gegraven sleuf naar de nieuwe standplaats getrokken. Met deze techniek zijn bomen tot 200 ton verplant. Rond 1995 kwam de ‘pallettechniek’ op de markt, waarbij eerst een groot aantal stalen balkjes onder de kluit wordt geperst. Vervolgens worden onder de twee uiteinden van de balkjes twee zware onderslagbalken aangebracht. Hieraan hijsen één of twee kranen met een hijsvermogen tot 500 ton de boom omhoog en plaatsen deze op een platformwagen. Hierop wordt de boom naar de nieuwe standplaats vervoerd en daarna geplant. Sinds 1997 zijn met de nieuwe technieken in Nederland en daarbuiten tientallen buitencategorie bomen met succes verplant. Ook zijn er in de laatste decennia wat bomen verplant, waarbij een groot deel van de grond tussen de wortels verwijderd moest worden om de boom te kunnen optillen, of in de kluit aanwezige kabels of leidingen vrij te kunnen maken. Deze techniek wordt de ‘kale wortelverplanting’ genoemd. Wanneer een optimale nazorg en verankering van de boom wordt uitgevoerd, blijkt ook deze techniek succesvol, onder andere bij een Plataan in Maassluis (1996) en vier Iepen in Den Haag in 2018.

Uiterlijk van de Paardenkastanje in Den Haag in 2015, kroondoorsnede is 29 meter
Foto: Huib Sneep
Aan de kroonrand van deze boom is te zien dat deze zich ontwikkelt: onvertakte scheuten met grote knoppen.
Foto: Huib Sneep

Opzet van het onderzoek
Het eerste onderdeel van het onderzoek is een visuele inspectie van de kruin van de boom om vast te stellen of na de verplanting de kroon zich verder ontwikkeld heeft. Wanneer de groei van een boom stagneert, is dit het eerst zichtbaar in de structuur van de dunste takjes.
Vervolgens is de grootte van de groeiplaats bekeken. Soms is de grootte van de aan het maaiveld zichtbare groeiplaats kleiner dan de werkelijke inhoud en bestaat de groeiplaats bijvoorbeeld maar tot 30 centimeter diep uit goede teelaarde met daaronder straatzand. Deze situatie maakt dat de boom lijdt onder droogtestress en er een onbalans is tussen wortelvolume en kroonvolume.
Het derde deel van het onderzoek richt zich op de wortelontwikkeling na de verplanting. Stagneert deze, dan stagneert ook de groei of sterft de boom zelfs (gedeeltelijk) af. Stagnatie kan zowel het gevolg zijn van onjuist uitgevoerde groeiplaatscreatie als een te gering volume aan goede bodem met daaromheen straatzand of te sterk verdichte klei.

Plataan in Maassluis die in 1996 met kale wortel verplant is naar een plaats met een hoge grondwaterstand. Daarom is de boom op een verhoging geplant (foto gemaakt in 2024)
Foto: Huib Sneep

Resultaten van het onderzoek
Bij optimale bodemomstandigheden, dus voldoende vocht en een vruchtbare, luchtige bodem, kan een wortel 75 cm lengte per jaar groeien. Het wortelvolume kan dan in enkele jaren met 70 procent toenemen.
De conditie van vrijwel alle onderzochte bomen in West Nederland is redelijk tot goed, die in Brabant gemiddeld minder. Meer dan de helft van de verplante bomen heeft na de verplanting een goede verdere ontwikkeling doorgemaakt met bijbehorende diktegroei. Wanneer de groei gestagneerd was, bleek het volume aan doorwortelbare grond een belangrijke oorzaak.
Voldoende water geven over een lange periode is bepalend voor een goede hergroei, vooral wanneer de bomen op de nieuwe groeiplaats niet direct contact hebben met het grondwater. In die situatie kan het noodzakelijk zijn om langer dan vijf jaar water te geven, vooral nu droge zomers meer regel dan uitzondering zijn.
Zelfs bij een verplanting met een kluit van 10 bij 10 meter, zoals de Paardenkastanje op de Koekamp in Den Haag, wordt niet meer dan 25 procent van het oorspronkelijke aanwezige wortelvolume verplant; de overige 75 procent blijft op de oude standplaats achter.
Bij het onderzoek is gebleken dat na de verplanting vanuit de kluit heel dikke wortels kunnen ontstaan. Zo bleek bij een Plataan aan de Amstelveenseweg in Amsterdam in twintig jaar tijd een wortel van 20 cm diameter te zijn gevormd aan de zuidwestkant van de boom.

Tijdens het onderzoek van de beworteling in 2024 van de Plataan in Maassluis
Foto: Huib Sneep

Conclusies en aanbevelingen
Nazorg is nodig tot het moment dat het wortelvolume weer terug is op het niveau van voor de verplanting. Dit kan vijf tot tien jaar duren, vooral wanneer de vochtvoorziening beperkt is. Water geven is de belangrijkste activiteit gedurende de nazorgperiode.
De bodemkwaliteit is de factor die het waterhoudend vermogen bepaalt en mineralen buffert.
Verplantbaarheidsonderzoek is heel belangrijk om vast te stellen of de boom direct klaar is voor verplanting of een voorbereidingsperiode van één of twee jaar nodig heeft. Om vast te stellen hoeveel procent van het wortelvolume meegenomen wordt tijdens de verplanting, is het sterk aan te bevelen om het bestaande wortelvolume te bepalen. Zo kan worden ingeschat hoeveel m3 groeiplaats minimaal (altijd meer dan op de oude groeiplaats!) nodig is op de nieuwe standplaats en hoe lang de nazorgperiode moet zijn voor een goede hergroei.

Wortel van 20 cm diameter die na de verplanting is gevormd vanuit de rand van de kluit
Foto: Huib Sneep

Huidige Ginkgo vergeleken met fossielen

Ginkgo biloba is en blijft een unieke soort. Er is slechts een verre verwantschap met andere nog levende planten. Ginkgo wordt vaak als conifeer beschouwd, maar dat is onjuist. Kortgeleden zijn alle argumenten nog eens op een rij gezet, zodat het voor iedereen nu duidelijk zou moeten zijn: Ginkgo is géén conifeer (Kruijt, 2025).

Ginkgo in het Houtmansplantsoen in Gouda
Foto: Rob Kruijt

Maar wat is het dan wel? Ginkgo biloba is de enige overgebleven soort van een unieke evolutionaire tak. En in de huidige levende soort worden soms nog restanten van de evolutionaire geschiedenis aangetroffen. Deze worden hier getoond.

Fossiele Ginkgo
Ginkgo komt uit een apart staande groep (orde Ginkgoales). Uit het Mesozoïcum (Boven-Trias, ca. 210 miljoen jaar geleden (verder aangeduid als Ma=Mega annuum)) zijn fossielen bekend waarin alle typische Ginkgo-elementen reeds aanwezig zijn (Zhou & Wu, 2006). Het hoogtepunt van de ontwikkeling kwam in het Jura- en Krijt-tijdperk (200 tot 65 Ma geleden). Zie hiervoor Tralau, 1968, met uitgebreide beschrijvingen en afbeeldingen.

Fossielen van Ginkgo zijn gevonden op het Noordelijk én Zuidelijk halfrond: tot 2,5 Ma geleden kwam Ginkgo zelfs nog in Nederland voor. De uit Europa afkomstige fossielen lijken soms heel erg op de huidige Ginkgo, maar zijn beschreven onder de naam Ginkgo adiantoides. Deze lijkt zoveel op de huidige Ginkgo dat wordt verondersteld dat deze twee soorten eigenlijk één soort zijn (Tralau, 1968, p. 87). Zhou & Zheng geven aan dat ook de door hen onderkende Ginkgo apodes uit het Krijt al heel erg veel op de huidige Ginkgo lijkt (zie Zhou en Zheng, 2003 en Zheng en Zhou, 2004).

Hier beperk ik me tot de wijze waarop de huidige Ginkgo lijkt op gevonden fossielen. Eerst worden de vrouwelijke structuren vergeleken, daarna de bladeren.

De zaadknoppen
Tijdens een leergang in mei 2025 in Gouda kwamen we in het Houtmansplantsoen langs een Ginkgo (boomnummer 1372915) waaronder heel veel afgevallen onrijpe ovulum-takjes (takjes met zaadknoppen) op de grond lagen.

Afgevallen ovulum-takjes op de grond in Gouda
Afgevallen ovulum-takjes op de grond in Gouda
Foto: Rob Kruijt

Nadere inspectie leerde dat de takjes zeer divers waren: van twee ovulums die sessiel (zittend, zonder steeltje) op één takje zaten, wat we als standaard beschouwen, tot vier ovulums die niet sessiel maar op stelen op het takje zaten (niet standaard). Ook bij een vrouwelijke Ginkgo in Pinetum Blijdenstein (Hilversum) werd dit waargenomen. Opvallend is wel dat de gevonden takjes met meer ovulums allemaal afvallen en dat ze niet rijpen. Meestal rijpt er maar één ovulum tot een zaad, maar soms zijn dat er twee of drie.

Takje met twee sessiele ovulums de als standaard beschouwde vorm
Foto: Rob Kruijt
Takjes met twee tot vier gesteelde ovulums wat niet als standaard wordt beschouwd
Foto: Rob Kruijt

De niet als standaard beschouwde structuren zijn al veel langer bekend. Het artikel van Karstens (1945, pp. 533-537) beschrijft de verschillende vormen en geeft een overzicht van de morfologische literatuur tot die tijd en de toenmalige interpretaties van deze structuren. Daarbij valt op dat de auteurs van begin 20e eeuw veel moeite hadden om éénduidige botanische termen te vinden voor de ovulum-structuren van Ginkgo: het varieerde van macrosporangium tot strobilus. Eigenlijk wist men zich toen nog niet goed raad met deze unieke structuur onder de nog levende planten.

Recenter heeft Zhou (2003, p. 388) van deze niet als standaard beschouwde structuren afbeeldingen gepubliceerd en vergeleken met fossiele vondsten.
Het voorkomen van meerdere ovulums op één takje is gevonden bij fossiele soorten zoals Ginkgo apodes en G. yimaensis. De in Gouda gevonden gesteelde ovulum-takjes lijken sprekend op deze fossielen. De conclusies van meerdere auteurs is dat er een evolutionaire trend is waar te nemen die leidde tot reductie van het aantal rijpende ovulums (Tralau 1968, Zhou & Zheng 2003: 821).

De bladeren
De variatie van bladvorm en -grootte in Ginkgo biloba is enorm. Dit is voornamelijk het gevolg van het verschil tussen bladeren van langloten en die van kortloten. De bladeren van kortloten worden als standaard beschouwd. De bladeren van langloten zijn veel groter en hebben veel meer variatie in deling van het blad.

Zhou (2003, p. 378) geeft een overzicht en vergelijkt dit met de fossiele soorten. Er zijn meerdere fossiele soorten beschreven met diep ingesneden bladeren, zoals Ginkgo digitata en G. pluripartita (zie Tralau, 1968, resp. p. 69 en p. 75). Van de laatste soort is een fossiel te zien in de vitrines van Pinetum Blijdenstein.

Bladvariatie bij Ginkgo. Links een blad van een kortlot, midden en rechts bladeren van langloten
Foto: Rob Kruijt

Conclusie
Ovulum-structuren van Ginkgo die bekend zijn uit de fossiele geschiedenis zijn heden ten dage nog steeds waar te nemen in de levende Ginkgo. Er rijpten steeds minder ovulums, maar de basisstructuren (meerdere ovulums op één takje) zijn nog steeds aanwezig. Tijdens de leergang in Gouda lag deze evolutionaire geschiedenis van Ginkgo eigenlijk op straat.

De grote variatie in bladvormen geeft aan dat het lastig is om fossiele Ginkgo-soorten alleen te beschrijven op grond van een afwijkende bladvorm. Sommige gevonden fossielen hoeven misschien niet allemaal te worden beschouwd als soorten apart van Ginkgo biloba, al kan dat een wat gewaagde opmerking zijn. Duidelijk is dat over deze unieke groep nog heel wat valt te schrijven.

Fossiel van Ginkgo pluripartita in Blijdenstein
Foto: Rob Kruijt

Literatuur
NB: waar de online bron wordt vermeld, is het artikel zonder kosten te downloaden.

Karstens, W., 1945. Variability of the female reproductive organs in Ginkgo biloba L. Blumea V(3), pp. 532-553.

Online: https://repository.naturalis.nl/pub/524732/BLUM1945005003007.pdf

Kruijt, R., 2025. Ginkgo is géén conifeer! Blijdenstein Nieuws 55, pp. 16-21.

Online: https://www.pinetum.nl/library/Blijdenstein%20nieuws/20250622202607_Blijdenstein_nieuws_nr_55.pdf?20250822162221

Tralau, H., 1968. Evolutionary trends in the genus Ginkgo. Lethaia 1, pp. 63-101.

Online: https://www.scup.com/doi/pdf/10.1111/j.1502-3931.1968.tb01728.x

Zheng, S. & Z. Zhou, 2004. A new Mesozoic Ginkgo from western Liaoning, China and its evolutionary significance. Review of Palaeobotany and Palynology 131, pp. 91-103.

Zhou, Z., 2003. Mesozoic Ginkgoaleans: Phylogeny, Classification and Evolutionary Trends. Acta Botanica Yunnanica 25, pp. 377-396.

Online: https://www.integrativebiology.ac.cn/pd/EN/volumn/volumn_1178.shtml

Zhou, Z., 2009. An overview of fossil Ginkgoales.
Palaeoworld 18, pp. 1-22.

Zhou, Z. & X. Wu., 2006. The rise of Ginkgoalean plants in the early Mesozoic: A data analysis. Geological Journal 41, pp. 363-375.

Zhou, Z.-Y. & Zheng, S.-L., 2003. The missing link in Ginkgo evolution. Nature 423, pp. 821-822.

Online illustration: https://ars.els-cdn.com/content/image/3-s2.0-B978012374173850020X-f19-232-9780123741738.jpg

Takjes met rijpende zaden
Foto: Rob Kruijt

Eriobotrya japonica, een warmteminnende nieuwkomer

Een al jaren in het Middellandse zeegebied ingeburgerde Chinese boom is ook in ons land langzaam maar zeker meer te zien. Het is onmiskenbaar dat steeds meer gewassen uit zuidelijker streken het sortiment bij ons komen verrijken.

Eriobotrya japonica, in de buurt Wittevrouwen in Utrecht
Foto: Bert Schalkx

Het geslacht Eriobotrya, uit de Rosaceae vinden we in alle herdrukken van Boom’s Nederlandse Dendrologie nog niet vermeld. Ook Bean vond in Trees and shrubs hardy in the British Isles (editie 1973) dat de in 1877 door Sir Joseph Hooker ingevoerde E. japonica in Engeland alleen tegen een zuidmuur bestand was tegen de Britse winters. Het geslacht werd in 1821 door Lindley beschreven. Hij bracht de door Thunberg in 1780 benaamde Mespilus japonica erin onder als Eriobotrya japonica (Thunberg) Lindley. De soort is echter niet inheems in Japan. In China is ze alleen in het wild te vinden in de provincies Chongqing en Hubei, maar elders is de soort in heel China, evenals verder in Oost-Azië, al lang ingeburgerd. De eetbare vruchten hebben daar ook geresulteerd in tal van selecties.

Eriobotrya japonica, Gran Canaria
Foto: Wouter Hagens, Public domain, via Wikimedia Commons

De boom is ook visueel aantrekkelijk met zijn grote, leerachtige, wintergroene bladeren. Dit laatste betekent wel dat de aanblik van de bomen in het voorjaar wat ontsierd wordt door het verdorde blad, maar in de late zomer en herfst zijn ze een opvallende verschijning. De onderzijde van het blad is, evenals de twijgen, bezet met een wollige, witte tot roestbruine beharing. Dit was de aanleiding voor de (oude) Nederlandse naam Japanse wolmispel (inmiddels Japanse mispel). De bloei is in september met dichte, roestbruine bloemtrossen en kleine, witte bloemen. De drie tot vier cm grote vruchten zijn aanvankelijk roestbruin behaard en uiteindelijk geel tot oranje van kleur en bevatten twee hazelnootachtige zaden. De sappige vruchten worden vers gegeten, maar ook vaak verwerkt tot confitures. In ons klimaat worden ze echter niet rijp. Enkele benaamde selecties zijn in ons land in de handel, o.a. ‘Angelino’, ‘Coppertone’ en ‘Tanaka ‘.

Blad van Eriobotrya japonica
Foto: Bert Schalkx

 Het geslacht Eriobotrya telde volgens de oudere literatuur een tiental soorten, maar in de recente revisie van Idrees et al uit 2022 telt het geslacht maar liefst 32 soorten in China, India en Zuidoost-Azië (zie M. Idrees et al, 2022. A taxonomic revision of the genus Eriobotrya Lindl. (Rosaceae). Pak. J. Bot., 54(3): 985-1017. Online: https://mail.pakbs.org/pjbot/papers/1646203884.pdf, de moeite waard vanwege de vele afbeeldingen).

De Chinese flora telt 14 soorten, waarvan er vijf inheems zijn. Eén soort daarvan die ook in West-Europa in cultuur is, is E. deflexa uit Zuid-China en Taiwan. Het jonge blad van deze soort is spectaculair bronsroodkleurig wat de Engelse benaming Bronze loquat opleverde. Een boom van E. elliptica stond tientallen jaren lang in het Temperate House van Kew Gardens. Ze was gekweekt van zaden verzameld door Tony Schilling in Nepal in 1966. De vindplaats was op ca. 2500 m en daardoor leek ze niet winterhard, maar ook deze boom heeft mogelijk vanwege de klimaatverandering wel een kans buiten te overwinteren. Het areaal van de soort is verder in subtropisch zuidoost Tibet en Noord-Vietnam, gebieden waaruit er van diverse gewassen thans winterharde planten afkomstig zijn.

Bloemen van Eriobotrya japonica
Foto: Mauroguanandi, Public domain, via Wikimedia Commons