Enkele bijzondere bomen in de bosweiden van Zweden

Zweden staat niet bekend om zijn grote collectie monumentale bomen, eerder om zijn eindeloze naaldbossen. Toch zijn er ook in Zweden landschappen die sterk doen denken aan Engeland en Midden-Europa waar veel monumentale bomen staan: licht golvend, relatief open landschap met hier en daar een meer.

In Zweden is er in de nabijheid van de meren in Zuid-Zweden veel moois te zien; concreet tussen het Vätternmeer en het Vänermeer. Dit zijn heel grote meren tot honderd kilometer lang en zo groot als onze vroegere Zuiderzee. Tussen deze meren liggen grootschalige agrarische landschappen en bossen. Juist langs de meren komen heel grote landgoederen voor met enorme schuren en landhuisachtige boerderijen. Lang voor de uitvinding van kunstmest waren de bodems hier zo vruchtbaar dat de boeren goed verdienden; het waren en zijn gemengde bedrijven. Langs de begeleidende lanen en in prachtige bos- of boomweiden staan kapitale bomen van vele lokale soorten. Dit artikel belicht er enkele.

De Zwarte els van Hjo
Foto: Huib Sneep

De Zwarte els van Hjo
60 km boven Jönköping ligt aan het Vätternmeer het dorpje Hjo, op de plaats waar een lokale beek het meer in stroomt. Het is een prachtig meanderende beek waar grote Zwarte elzen de oevers vasthouden. Waar het beekje in de heuvel snijdt, staan imposante Zomereiken. Maar de mooiste boom staat vlakbij het meer waar de hoofdweg de beek kruist. Pal naast de beek staat een Zwarte els met een stamomvang op 130 cm hoog van meer dan 650 centimeter. Sinds 1966 staat hij in het Guinness book of records als de grootste Els van Zweden, toen had hij een stamomtrek van 547 centimeter. In 59 jaar is de boom ruim honderd centimeter gegroeid. Ervanuit gaande dat de boom de eerste 100 jaar sneller gegroeid is, moet hij inmiddels meer dan 400 jaar oud zijn. De hoogte is ongeveer 22 meter. De kroondoorsnede is nu kleiner dan toen het boombordje in 1966 werd geplaatst omdat zo’n tien jaar geleden de kroon rondom ingenomen is; toen heeft men een verankering tussen enkele kroondelen aangebracht om uit elkaar scheuren te voorkomen.

Het is een meerstammige boom en vanaf de overkant van de beek gezien, lijkt het of de twee stammen niet echt met elkaar vergroeid zijn. In het heldere water van de beek zijn de wortels onder water zichtbaar. Hij staat op de optimale plaats voor deze soort: stromend zuurstofrijk water is permanent beschikbaar en als de waterstand soms hoog komt, kan hij daar prima tegen. De Zweedse naam voor Zwarte els is Klibbal.

Boombordje bij de Zwarte els
Foto: Huib Sneep

Enkele naaldboomkampioenen op Almnäs Gärd
Zeven kilometer ten zuiden van Hjo ligt aan de oude kustweg het landgoed Almnäs Gärd.

Het Zweedse woord ‘gärd’ betekent ‘boomweide’, verwant aan ons woord ‘boomgaard’.

In het Engels wordt dit type beplanting door de Zweedse expert van veterane bomen Vikki Bengtson ‘wooded pastures or wood pastures’ genoemd. De onderlinge plantafstand is zodanig dat de bomen een min of meer solitair uiterlijk hebben. De bodem is compleet begroeid met gras en stinsenplanten. Onder de bomen grazen meestal koeien in een lage veedichtheid.

Het landschap op landgoed Almnäs
Foto: Huib Sneep

Het eerste wat bij aankomst op het landgoed opvalt, is een enorme schuur in de streekkleur ossenbloed. Daarna passeer je een schaftruimte met de zuilen van een Griekse tempel, waarna een huis zo groot als een paleis opdoemt met een prachtig uitzicht op het Vätternmeer.

We komen voor de bosweide die rechts naast het huis ligt en duidelijk onderdeel uitmaakt van de landschappelijke inpassing van het ensemble. Volgens de site Monumental trees staan hier enkele heel grote naaldbomen in een boomweide: Reuzenzilverspar, Gewone zilverspar, Douglasspar, Grove den en Zwarte den.

De Douglasspar (Pseudotsuga menziesii) heeft een stamomvang van 475 centimeter en is daarmee bijna net zo dik als Nederlandse dikste (510cm) op het Kroondomein bij Apeldoorn. De hoogte is ongeveer 33 meter. De Douglasspar bij Apeldoorn staat in het bos en is met 50 meter de hoogste boom van Nederland. Op deze locatie staan de bomen vrijwel solitair in een grasland met stinsenplanten.

De Reuzenzilverspar te midden van Gewone zilversparren (Almnäs)
Foto: Huib Sneep

Aan de voet van een Zwarte den (Pinus nigra) met een stamomvang van 375 centimeter staat een bloeiende Goudenregen (Laburnum anagyroides), voor Nederlanders een bijzondere combinatie.

De Grove den (Pinus sylvestris) heeft een stamomvang van 350 cm en een ruige kroon bij een hoogte van 30 meter.

De hoogste boom op het terrein is de Gewone zilverspar (Abies alba) met een hoogte van 40 meter; zijn stamomvang is 434 centimeter. Het is bekend dat bij oude bomen de hoogtegroei stagneert, terwijl de diktegroei gewoon doorgaat. Hier is dat aan een andere Gewone zilverspar goed te zien. Zijn stamomvang is ‘slechts’ 250 centimeter, maar zijn hoogte is al meer dan 37 meter. Dit exemplaar heeft nog een spitse top met zichtbare scheut, terwijl de kroon van de oudere bomen afgerond is zonder zichtbare scheut. De Reuzenzilverspar (Abies grandis) is de dikste boom op het terrein; zijn omtrek is 485 centimeter bij een hoogte van 36 meter.

Verder komen op het terrein Beuk, Zomerlinde, Eik, Es, Europese lork, Nordmannspar, Noorse esdoorn, Iep, Ratelpopulier, Haagbeuk en Berk voor. Omgevallen bomen worden soms geoogst, maar blijven vaak ook liggen. De sfeer van het terrein is ruig maar zeer vriendelijk omdat de zon overal tot op de bodem komt.

Het landgoed Almnäs wordt voor het eerst genoemd in 1225. Het is 3581 hectare groot, waarvan 1030 hectare weiland. Het landhuis is gebouwd rond 1766. De melk van de 800 Holstein koeien wordt tot kaas verwerkt. Het landgoed is niet vrij toegankelijk.

Zomereik aan de rand van een bosweide (Rabäck)
Foto: Huib Sneep
Boomweide met vee (Rabäck)
Foto: Huib Sneep

Het natuurreservaat bij landgoed Räbäck
Aan het Vänermeer ligt nabij het dorp Hällekis het landgoed Räbäck, dat dateert uit de periode 1100-1200. Het is ongeveer 160 hectare groot. Een groot deel van het terrein is een natuurreservaat genaamd Munkängarna. Hier komen vrijwel alle boomsoorten van Zweden voor met daaronder veel stinsenplanten. Vroeger was het ook een boomweide, maar in de loop der tijd ontwikkelden veel boomweiden zich tot bos. Aan de randen zijn de weiden er nog en staan grote solitairen van Beuk, Eik, Iep, Linde, Es en Els. Het bos is open genoeg om een intensieve begroeiing van de bodem mogelijk te maken. Begin juni ademde het hele bos de geur van Daslook (Allium ursinum). Omdat veel bomen in het huidige bos vroeger solitairen waren hebben ze nog brede kronen. Daarnaast kiemen er vele jonge bomen die een totaalbeeld met grote variatie geven. Ik kwam er onder andere zaailingen van Zomerlinde (Tilia platyphyllos) tegen. Door het terrein loopt een steilrand van rode zandsteen die Kinnekulle heet en indrukwekkende vormen aanneemt vooral als er bomen op staan.

De steilrand van rode zandsteen (Rabäck)
Foto: Huib Sneep

Invasieve boomsoorten in bossen

Onlangs werd ik geattendeerd op een artikel dat is verschenen op de website van Nature Today. De titel van het stuk (verschenen op 19 november 2024) luidt: Gevestigde invasieve boomsoorten kunnen met ecosysteemaanpak bijdragen aan veerkrachtig bos.

Het is een interessant artikel waarin niet alleen de negatieve kanten worden belicht van de aanwezigheid van niet-inheemse boomsoorten in onze bossen. In tegendeel, op basis van onderzoek wordt hier gesteld dat exoten (al dan niet bestempeld als invasief) wel degelijk een rol kunnen spelen bij de uitdagingen waar de bossen voor staan, zoals klimaatverandering. De moeite waard dus om dit onder de aandacht te brengen. Het artikel is geschreven door Bart Nyssen en Lisa Raats, verbonden aan Bosgroepen (onafhankelijke coöperaties van en voor eigenaren van bos- en natuurterreinen).

Enkele passages uit het artikel:
“Uit recent internationaal onderzoek blijkt dat dominantie van veel invasieve boomsoorten in het bos door de ecosysteemaanpak doorbroken kan worden. Boomsoorten zijn in het verleden om verschillende redenen over continenten verplaatst. Bijvoorbeeld voor de esthetiek, herstel van ecosystemen, verrijking van biodiversiteit of houtproductie. In veel gevallen zijn ze onderdeel geworden van regionale boomsoortenpools over de hele wereld. Sommige soorten vallen op door hun snelle uitbreiding en worden daarom ‘invasief’ genoemd. Onderzoek naar de effecten van invasieve boomsoorten in bossen richt zich vaak op het voorkómen van nieuwe invasies. In dit onderzoek richten we ons op invasieve boomsoorten die al ingeburgerd en wijdverspreid zijn. We spreken hier over established invasive tree species (EITS) ofwel gevestigde invasieve boomsoorten.
EITS kunnen schadelijk zijn buiten bossen, zoals op heiden en in graslanden. Ook binnen bossen kunnen ze aanzienlijke gevolgen hebben voor bosgerelateerde biodiversiteit, ecosysteemprocessen en gerelateerde ecosysteemdiensten. Bovenal kan hun aanwezigheid conflicteren met natuurbehoudsdoelstellingen, omdat ze meestal geen deel uitmaken van de beoogde bossamenstelling. Toch worden er ook voordelen van EITS gerapporteerd. Uit onderzoek blijkt dat zij kunnen bijdragen aan soortenrijkdom, verbetering van de beschikbaarheid van voedingsstoffen en levering van ecosysteemdiensten. Daarnaast wordt door sommige bosbeheerders en onderzoekers gesuggereerd dat EITS onder bepaalde omstandigheden de veerkracht van bossen in een veranderend klimaat kunnen versterken.

Plantengemeenschap met Amerikaanse vogelkers in een bos in Noord-Limburg
Foto: Industrees, CC0, via Wikimedia Commons

In veerkrachtige bosecosystemen kunnen EITS bijdragen aan klimaatadaptatie vanwege hun vaak hogere droogte- en warmtetolerantie en hun pionierkarakter. Dit vertaalt zich in snel herstel van een bosmicroklimaat na grootschalige verstoringen en het vermogen om als verzorgende boomsoort de vestiging van inheemse bomen te bevorderen”.
Het artikel besluit met de conclusie van het onderzoek:
“Ondanks alle verschillen in hoe de aanwezigheid van verschillende invasieve bomen uitpakt in diverse bosecosystemen, heeft de samenleving veel te winnen bij een niet-vooringenomen benadering van deze ‘nieuwe’ boomsoorten. De duurzame levering van bosgebonden ecosysteemdiensten onder snel veranderende klimaatomstandigheden kan er deels afhankelijk van zijn”.
Het volledige Engelstalige rapport is na te lezen op: https://www.resilias.eu/wp-content/uploads/2024/10/paper-Current-Forestry-Reports-3.pdf

Bloesem, vlinders aantrekkend en herfstkleuren zijn de ideale belevingskenmerken van toekomstige straatbomen

In het kader van het CSI Trees project is onderzoek uitgevoerd naar de beleving en voorkeuren van bewoners als het gaat om stadsbomen. In de systematiek van CSI Trees wordt het zoekprofiel van toekomstig klimaat adaptief stedelijk groen niet alleen bepaald door bijvoorbeeld droogte-, zout- of hittetolerantie, maar ook door de voorkeur en beleving van burgers. Dit artikel geeft de resultaten van dit onderzoek weer.

Er ligt een opgave om de relatie tussen de boombeheerder en de burger zodanig vorm te geven dat de baten van bomen in de vorm van ecosysteemdiensten zo goed mogelijk tot zijn recht komen, maar dat ook voor het publiek minder gunstige eigenschappen van bomen worden begrepen en geaccepteerd. Dit leidt tot een burger-gedragen zoekprofiel voor toekomstige bomen en hun toepassing. Daarvoor zijn de kenmerken van bomen voorgelegd aan een online onderzoekpanel in tien gemeenten.

Opzet van het onderzoek
In de CSI Trees gemeenten Almere, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Den Haag, Dordrecht, Leeuwarden, Rotterdam, Den Bosch en Utrecht zijn minimaal 100 respondenten per gemeente ondervraagd. Om een representatief beeld te krijgen is er gewogen op leeftijd, geslacht en opleiding. In totaal zijn de gegevens van 1045 respondenten statistisch verwerkt.
Van de inwoners heeft 32% geen kennis over bomen; ze kunnen geen bomen bij naam noemen. En 55% kent maximaal vijf boomsoorten. Dit betekent dat een klein gedeelte wel een redelijke kennis heeft over bomen. Van de respondenten kent namelijk 12% 5 tot 15 boomsoorten en 1% kent meer dan 15 bomen bij naam. Hier lijkt een opgave te liggen voor onderwijs en voorlichting.

Vergroening van de straat
Inwoners werd een aantal stellingen voorgelegd over de vergroening van hun straat. De inwoners zijn het meest met de stelling eens (figuur 1) dat het fijn is om door bomen de seizoenen te beleven en ervaren. Er is ook een oproep aan alle tien gemeenten om meer te investeren in het vergroenen van de stad om het in de zomer lekker koel te houden, want de overlast van bomen weegt niet op tegen de voordelen die ze bieden voor het leefklimaat. Dit geldt voor alle tien steden. De inwoners zijn het ook eens dat ze het erg vinden als de oorspronkelijke bomen die in Nederland altijd voorkwamen door klimaatverandering uit het straatbeeld zullen verdwijnen. Maar aan de andere kant vinden ze het ook leuk als in de toekomst nieuwe soorten bomen in de straat zullen gaan groeien. Dat ze bomen belangrijk vinden, blijkt uit het feit dat een meerderheid zegt dat als ze zouden verhuizen, ze graag verhuizen naar een straat met bomen. Ze zien het liefst verschillende soorten bomen in de straat.

Figuur 1: Mate (%) waarin inwoners het eens zijn met een stelling.

Aan de inwoners is gevraagd om de mate van aantrekkelijkheid van in totaal 18 eigenschappen van een boom aan te geven. Hieruit blijkt (figuur 2) dat er een voorkeur is voor straatbomen die vooral vlinders aantrekken, in de herfst verkleuren, vogels aantrekken, bloesem geven en aangenaam geurend zijn en bijen aantrekken. Minder in trek zijn straatbomen die voor de mens al dan niet eetbare vruchten of fruit geven. Meer neutraal zijn de inwoners over of een boom bladhoudend in de winter is, meerstammig is of grote bladeren heeft. Een ovaal/eironde kroonvorm geniet de grootste voorkeur, naast de ronde vorm. Andere vormen zoals zuilvormig, afgeplat bolvormig, kegelvormig, vaasvormig of treurvorm scoren minder. Veel inwoners prefereren een variatie aan kroonvormen.

Straatbomen mogen ook niet te hoog worden; 10m – 15m wordt als meest ideaal gezien (24%) gevolgd door 6m – 10m (23%). Meer dan 15m of minder dan 6m is de favoriete hoogte voor 11% van de inwoners. Meerdere hoogten wordt door 17% aangegeven en 15% heeft geen voorkeur.

Figuur 2: Mate van belangrijkheid (%) per eigenschap van een boom.

Naaldhout in de straat
De inwoners zijn niet te porren voor alleen naaldbomen als straatboom. Liever zien ze loofbomen (50%) of afwisselend loof- en naaldbomen (32%). Een grote voorkeur is er (64%) voor bomen waarbij de takken hoger aan de stam zitten, zodat je er onderdoor kunt lopen.

Kroondichtheid
Een meerderheid van de inwoners (52%) heeft een voorkeur voor bomen met een kroondichtheid die half open is, waar de helft van het licht doorheen valt. Een dichte kroon waarbij onder de boom er volledige schaduw is, krijgt van 16% de voorkeur. Daarentegen geeft 13% de voorkeur aan bomen met een hele open kroondichtheid waarbij er veel licht doorheen valt.

Boomkenmerken gewogen
Tevens konden de inwoners de drie belangrijkste eigenschappen van een boom voor in hun straat aangeven (tabel 1). Het blijkt dat de seizoencomponenten belangrijk worden gevonden, zoals ook al uit figuur 1 naar voren kwam. Bloesem in het voorjaar is de populairste eigenschap van een boom, gevolgd door herfstkleur. Een boom die de biodiversiteit vergroot heeft ook een voorkeur voor de inwoners van de tien steden evenals de bladhoudendheid van een boom en dat een straatboom een aangename geur verspreid. Naaldbomen, de kleur van de boomstam en het type boomschors worden nauwelijks belangrijk gevonden.

Tabel 1: Het gemiddeld belang per eigenschap voor een boom in de straat.

Eigenschap Belang
Bloesem in het voorjaar 0,37
Herfstkleur 0,34
Vergroten biodiversiteit 0,33
Bladhoudend in de winter 0,24
Aangenaam geurend 0,21
Geen overlast veroorzakend 0,19
Hoogte 0,18
Geen allergie veroorzakend 0,17
Grote bladeren 0,15
Loofboom 0,11
Voor de mens eetbare vruchten en fruit 0,07
Kroonvorm 0,05
Kroondichtheid 0,04
Voor de mens niet eetbare vruchten 0,04
Meerstammige straatbomen 0,02
Naaldboom 0,01
Kleur van de boomstam 0,01
Boomschors 0,00

Ook kregen inwoners vijf plaatjes te zien met daarop een straat afgebeeld met voor Nederland op dit moment nog zeer ongebruikelijke en (nog) niet toepasbare straatbomen die voor hen een heel ongebruikelijk straatbeeld geven. Figuur 3 laat zien dat in lijn met de resultaten de bloesemrijke Banababoom (Lagerstroemia speciosa) het meest aantrekkelijk wordt gevonden. Daarna volgen de Parasolden (Pinus pinea) en de eveneens bloesemrijke Perzische slaapboom (Albizia julibrissin). Minder aantrekkelijk vinden de inwoners de Chileense honingpalm (Jubaea chilensis) als straatboom. Het gemiddeld minst gewaardeerd als straatboom is het type ‘boomfles’ (Ceiba speciosa (oude naam: Chorisia speciosa)).

Figuur 3: Aantrekkelijkheid (%) van diverse toekomstige straatbomen.

Uit het onderzoek blijkt verder dat er twee groepen gemeenten te onderscheiden zijn op basis van de mate van beschikbaarheid van een tuin. Inwoners uit de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Dordrecht hebben minder vaak een tuin. Inwoners van de gemeenten Almere, Arnhem, Apeldoorn, Leeuwarden en Den Bosch hebben vaak wel de beschikking over een tuin.

Er zijn verschillen tussen de resultaten van verschillende gemeenten. Zo kennen inwoners van Apeldoorn meer bomen bij naam dan inwoners uit Almere. Ook het belang dat inwoners hechten aan het aantrekken van vlinders, vogels of bijen of een voorkeur voor stamkleur kan (licht) verschillen per gemeente. Het is vaak niet helemaal duidelijk waardoor die verschillen veroorzaakt worden. Dat zou te maken kunnen hebben met het al dan niet hebben van een tuin, gebrek aan parkeerplaatsen en dergelijke.

Dichtheid van bomen in de straat en bladerdek
Volgens de inwoners van de tien gemeenten staat de meerderheid van de bomen (74%), waar de gemeente het onderhoud van heeft, zover uit elkaar dat de kronen elkaar niet raken. In 12% raken de kronen elkaar wel. Dit geeft in de zomer een dik bladerdek waardoor de hitte wordt beperkt. Toch hebben de inwoners liefst dat de kronen elkaar niet raken (42%). Elkaar rakende kronen heeft de voorkeur bij 16% van de inwoners. Ruim 8% van de inwoners zien bomen liever gegroepeerd staan als een klein bosje.

Tussen de 7 en 11% van de inwoners wil geen bomen in de straat.

Bij 14% van de inwoners uit deze tien steden staan er ook geen bomen in de straat. Vaak is er vanaf de straat wel zicht op bomen die in particuliere tuinen staan.

De straat is in een kwart van deze gevallen te smal voor bomen.

Overlast
Indien er wel bomen staan, worden de bomen voor het overgrote deel (86%) ook aantrekkelijk gevonden, waarbij 29% van de inwoners aangeeft dat sommige bomen wel en andere niet aantrekkelijk zijn om te zien. Van de inwoners geeft 32% aan overlast te ondervinden van de bomen. De belangrijkste redenen (tabel 2) hiervoor zijn vogelpoep, kleverige materie op stoep en auto en vallende takken. De overlast lijkt ook een reden te zijn waarom deze inwoners geen bomen in de straat willen, want hiermee is een sterke significante relatie (-0,118; p < 0,001).

Tabel 2: Type overlast (%) door een boom.

Type overlast Percentage
vogelpoep 10,0
kleverige materie op stoep en auto 9,2
vallende takken 8,1
hooikoorts/allergie 6,8
zaad en/of vruchten 6,4
te veel schaduw/beperkt zonlicht 4,4
vallende vruchten en eikels 4,4
rottende vruchten op de grond 2,4
eikenprocessierups 2,1
schaduw beperkt opbrengst zonnepanelen 1,8
beperkt mijn vrije uitzicht 1,6
overig 4,5

Het project CSI trees: klimaatbomen voor de toekomst
Vanwege de versnelling van de klimaatverandering blijken steeds meer stadsbomen minder klimaatbestendig te zijn voor de huidige en verwachte toekomstige binnenstedelijke omgeving. Dit leidt onder meer tot slechte groei, blad- en bastverbranding, verhoogde vatbaarheid voor ziekten en plagen en in het algemeen in een povere ‘performance’, waardoor potentiële ecosysteemdiensten niet kunnen worden behaald. Het huidige bomenbestand is grotendeels afkomstig uit de gematigde streken van de wereld, terwijl het binnenstedelijke microklimaat inmiddels meer overeenkomst vertoond met droog landklimaat. De verschuiving van de klimaatzones is een mondiaal verschijnsel en raakt ook de Nederlandse bomen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd om steden in de toekomst onderbouwd te kunnen voorzien van boomsoorten die bestand zijn tegen de toenemende abiotische stressfactoren als gevolg van de klimaatsverandering.

CSI Trees: klimaatbomen met toekomst wordt gefinancierd vanuit de Topsector T&U met financiering vanuit het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat. De cofinanciering wordt opgebracht door het Nederlandse bedrijfsleven: Boomkwekerij Gebr. Van den Berk, Boomkwekerijen Udenhout, Boot & Dart, Ebben Boomkwekerijen, Mart van den Oever Boomkwekerijen, Gemeente Almere, Gemeente Amsterdam, Gemeente Apeldoorn, Gemeente Arnhem, Gemeente Den Haag, Gemeente Dordrecht, Gemeente Leeuwarden, Gemeente Rotterdam, Gemeente ‘s-Hertogenbosch, Gemeente Utrecht, Branche Organisatie Anthos en Stichting De Groene Stad

Meer informatie: Marc Ravesloot, marc.ravesloot@wur.nl, M 06 22193312

Martin Goossen (WENR Wageningen Environmental Research)

Marc Ravesloot (WUR Agrosysteemkunde )

Gert Dijksterhuis (oud medewerker WUR Agrotechnology & Food Sciences Group)

Karen de Rosa Spierings (WUR Agrotechnology & Food Sciences Group)