Categorie archieven: Dendrovaria

Compensatie van CO2-uitstoot door aanplant van bomen

Voor aanplanten, beheren en oogsten van bomen zijn diverse verdienmodellen ontstaan in het kader van het klimaatbeleid. Het vastleggen van koolstofdioxide in biomassa, waaronder bomen, wordt door certificeringsorganisaties via rekenmethodes ‘vertaald’ naar CO2-kredieten en certificaten, die vervolgens worden verhandeld op een verplichte, dan wel een vrijwillige koolstofmarkt.

Ook zijn er projecten die zonder certificaten werken. Zo is in Arbor Vita 2024/4 een artikel te lezen over de aanplant van bomen op kosten van een Nederlands bedrijf in een landgoed in Frankrijk ter compensatie van (een gedeelte van) hun CO2-uitstoot.

Maar hoe werkt de markt voor koolstofvastlegging door bomen nu precies? Hoe wordt de koolstofvastlegging berekend, wat kosten de certificaten en wat zijn punten van kritiek?

De hoeveelheid CO2 in de atmosfeer
Hoewel het percentage CO2 in de lucht bijzonder klein is (in 2023 maakte CO2 circa 0,0420 procent uit van de lucht) wordt de stijging van het aandeel CO2 beschouwd als de belangrijkste aanjager van het broeikaseffect. Op internationaal niveau zijn afspraken gemaakt om de jaarlijkse wereldwijde uitstoot van koolstofdioxide omlaag te brengen.
In 2023 was die globale uitstoot circa 40 miljard ton CO2 (ook uitgedrukt als 40 gigaton CO2, (40 GtCO2)). Het totale massagewicht van alle CO2 in de aardse atmosfeer was daarmee gegroeid tot 3200 miljard ton CO2. Uitgaande van circa 8 miljard mensen op deze aarde, heeft ieder mens als het ware 400 ton CO2 op z’n schouders. Daar komt ieder jaar per aardbewoner circa 5 ton CO2 bovenop (40 miljard gedeeld door 8 miljard). Maar omdat ongeveer de helft daarvan door planten op het land en algen en wieren in de oceanen weer opgenomen wordt in de biosfeer stijgt het aandeel CO2 in de atmosfeer dus jaarlijks per saldo met circa 20 miljard ton.
Bedrijven en huishoudens kunnen hun specifieke en persoonlijke jaarlijkse CO2-uitstoot berekenen met behulp van op internet gratis te gebruiken rekenmodules. De CO2-uitstoot per Nederlander is gemiddeld 10 ton CO2 per jaar, ongeveer het dubbele van de gemiddelde CO2-uitstoot van een aardbewoner.

Verschil tussen koolstofkredieten en -certificaten
Tijdens de Houtdag in Velp op 21 februari 2025 hield René van der Velde, associate professor Urban forestry aan de TU Delft, een voordracht over ins & outs van koolstofkredieten en -certificaten. De koolstofkredieten komen voort uit het Kyotoprotocol en maken onderdeel uit van een verplichte koolstofmarkt waarop grote bedrijven die te veel CO2 uitstoten extra emissieruimte (krediet) kunnen kopen. Voor één koolstofkrediet mogen zij één ton extra CO2 uitstoten boven op hun door de overheid vastgestelde emissieplafond. Daarvan te onderscheiden zijn koolstofcertificaten, die worden verhandeld op een vrijwillige koolstofmarkt ter compensatie van een bestaande toegestane emissie. Deze certificaten worden gebruikt door bedrijven, organisaties en personen die om uiteenlopende redenen hun bestaande CO2-uitstoot willen compenseren. Die vrijwillige koolmarkt is groeiend en ook grote bedrijven zoals Shell, Microsoft, Unilever en Ahold Delhaize kopen miljoenen koolstofcertificaten in om hun duurzaamheidsdoelstellingen te bereiken.

René van der Velde gaf op de houtdag een lezing over koolstof en bomen

Berekeningen koolstofvastlegging door bomen
De hoeveelheid CO2 die een boom op enig moment heeft opgenomen, is afhankelijk van vele factoren, waarvan groeisnelheid een hele belangrijke is. De groeisnelheid van diverse boomsoorten varieert binnen een bandbreedte van 10 tot 40 kg CO2-opname per jaar (gemiddelde, berekend over de levensduur van de boom). Eucalyptussen kunnen zelfs meer dan 40 kg CO2 per jaar opnemen. Een nog snellere groeier is de Paulownia. Met boomsoorten uit dit plantengeslacht wordt de laatste jaren in veel landen gepionierd. Ondernemers in landen zoals Duitsland, Oostenrijk, Kroatië en Roemenië zijn daar tien jaar geleden al mee begonnen. Maar ook in Nederland zijn er de laatste zeven jaar initiatieven met Paulownia. Agroforestry (‘bomenweides’) met een hybride soort, de Paulownia Shan Tong, een kloon van Paulownia tomentosa × P. fortunei, zou in dit kader veelbelovend zijn. In 2018 is Eric Litjens begonnen met het bedrijf Paulownia-cultures in Deest.

Inmiddels heeft hij 15 hectare aangeplant met Paulownia Shan Tong. Op zijn website noemt hij een gemiddelde CO2-vastlegging per boom van jaarlijks 64 kg. Dit lijkt overigens wel erg hoog ingeschat. In het in 2021 uitgebrachte door Probos uitgebrachte rapport ‘Paulowniateelt in Nederland’ is een vergelijking opgenomen van de Paulowniateelt met de biomassateelt van Wilg. Daarin wordt uitgegaan van jaarlijks respectievelijk 10 ton droge stof per hectare voor Wilg en 16 ton droge stof per hectare voor Paulownia. Dat komt neer op een jaarlijkse CO2-opslag per hectare van circa 18 ton voor Wilg en 30 ton voor Paulownia. Dit zijn indicatieve cijfers, omdat de opbrengst afhankelijk is van het aantal aangeplante bomen per hectare, de cultivar, de weersomstandigheden en de oogstfrequentie. De daadwerkelijke opbrengst van Paulowniateelt in Nederland zal de komende drie jaar blijken.

Paulownia plantage in Deest

Compenseren van 10 ton CO2-uitstoot
Voor het berekenen van de hoeveelheid benodigde bomen om de gemiddelde jaarlijkse uitstoot van 10 ton CO2 van een Nederlander te compenseren, nemen we als referentie een boomsoort die gemiddeld 25 kg CO2 per jaar vastlegt, dus een ton in 40 jaar, en daarmee goed is voor één koolstofcertificaat. De organisatie die een dergelijk certificaat verkoopt, moet aantonen dat het bomenproject voor die veertigjarige periode is gegarandeerd.

Ter vergelijking: René van der Velde rekende tijdens de NDV-Houtdag voor dat een 35 jaar oude boom van 1000 kg, met een droge massa van 47,5%, zo’n 237,5 kg koolstof bevat, wat neerkomt op een vastlegging van 871,63 kg koolstofdioxide en 871,63/35 = 24,09 kg CO2 per jaar. Op veel websites over CO2-compensatie wordt een gemiddelde vastlegging van 25 kg per jaar gehanteerd.

Feitelijke projecten kunnen uiteraard nogal verschillen van het geschetste hypothetische gemiddelde. Het hangt niet alleen af van de boomsoort, maar ook van de oogstwijze. Zo groeien bepaalde soorten Paulownia zo hard dat de bomen binnen tien jaar worden geoogst. Ze hebben dan een stamdiameter bereikt van 30 tot 50 centimeter. Er wordt dan iedere tien jaar verdiend aan het geoogste hout, maar ook aan de CO2-certificaten. Met het genoemde gemiddelde van 64 kg per jaar, zou een Paulownia na 10 jaar 640 kg CO2-vastlegging opleveren. In 35 jaar tijd (in het vierde oogstjaar) is op de ene groeiplaats van een Paulownia dan 2,24 ton CO2 vastgelegd. Vergeleken met de vastlegging van een ‘gemiddelde boomsoort’ uit het rekenvoorbeeld (ongeveer één ton na 35 jaar) is dat meer dan het dubbele.

Wat kost het om CO2-uitstoot vrijwillig via bomenaanplant te compenseren?
Eén koolstofcertificaat staat voor één ton verwijderde of voorkomen CO2-uitstoot. Inmiddels zijn er vele bomenprojectorganisaties die met de uitgifte van CO2-certificaten compensatieaanplant verzorgen, zoals Trees for all, EcoTree, One Tree Planet, Reforestum, Plant-for-the-planet, Eden Reforestation Projects en WeForest. Ook zijn tal van certificerende en verifiërende instellingen in het leven geroepen die de uitgifte van certificaten valideren en controleren. Een tamelijk ondoorzichtig woud aan instellingen.
De organisatie EcoTree (www.ecotree.green) spreekt liever over een CO2-bijdrage. Volgens deze organisatie zijn vooral vermijden en verminderen nodig en levert compensatie maar een beperkte bijdrage met het terughalen van CO2 uit de atmosfeer. Toch biedt ook EcoTree voor een bedrag van circa €75 gecertifieerde koolstofcertificaten aan van projecten in bijvoorbeeld Frankrijk of Denemarken. Een ander voorbeeld, in eigen land, is het agroforestry-project van John Heesakkers, (zie Arbor Vitae 2023/3). Een deel van de bomenaanplant op zijn bedrijf is verzorgd via TreesforAll (www.treesforall.nl) die behalve bomenaanplant in Nederland ook bebossingsprojecten in landen als Panama, Columbia, Mexico en Uganda financiert.
Zij rekent per CO2-certificaat een bedrag van €21,50 en heeft ook niet gecertificeerde projecten, waarbij een inschatting wordt gemaakt hoeveel CO2 de met donaties aan te planten bomen vastleggen.
De organisatie Ecommit (www.ecommit.nl) rekent €85 per certificaat. Het eerdergenoemde bedrijf Paulownia-cultures biedt koolstofcertificaten aan voor €125,-. Die certificaten zijn gevalideerd door de instelling Oncra (Open Natural Carbon Removal Accounting), die 7% ontvangt voor ieder verkocht certificaat. De monitoring en metingen moeten door onafhankelijke experts worden uitgevoerd.

De kosten verschillen dus nogal. Voor het volledig compenseren van een jaarlijkse CO2-uitstoot van 10 ton CO2 kan momenteel een bedrag gemoeid zijn tussen de 215 en 1250 euro. Uiteraard kan men er ook voor kiezen om slechts een gedeelte te compenseren.

Hoe de verdienmodellen voor koolstofvastlegging werken, wordt uitgelegd in een publicatie van het Louis Bolkinstituut. Een belangrijke rol lijkt daarbij weggelegd voor de Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK). De SNK komt voort uit de Green Deal Nationale Koolstofmarkt (opgericht in 2019). Het is een onafhankelijke stichting die beoogt de kwaliteit van koolstofcertificaten te waarborgen. Binnen de SNK-methode ‘Aanleg bos en beplanting buiten bosverband’ kunnen koolstofcertificaten alleen worden verkregen voor de aanplant van bosweides en lijnvormige beplantingen.

Agroforestry kan gedeeltelijk worden gefinancierd door uitgifte van koolstofcertificaten, zoals hier bij het bedrijf van John Heesakkers.

Kritiek
Kritische milieuorganisaties, zoals Milieudefensie, zetten grote vraagtekens bij inzet op CO2-compensatie door het aanplanten van bomen. Als nadelen zien zij de moeilijk te controleren opbrengst, de gevaren van ‘greenwashing’ en de verstoring van kwetsbare ecosystemen. Daarbij zijn er de afgelopen jaren ook de nodige schandalen aan het licht gekomen. Follow The Money schreef een ontluisterend artikel over het Zwitserse klimaatadviesadviesbureau South Pole, dat tientallen miljoenen CO2-certificaten verkocht aan het bedrijfsleven, onder andere in Nederland. De certificaten, uitgegeven voor het grootste bosbeschermingsproject in de wereld (het Kariba-project in Zimbabwe) genereerde in tien jaar grotendeels fictieve CO2-rechten. Van de omzet van 100 miljoen was ondanks afspraken vrijwel niets bij de lokale gemeenschappen terecht gekomen. Ondanks dergelijke schandalen groeit de vrijwillige koolstofmarkt met schommelingen door.

Routekaart koolstofverwijdering
Onlangs bracht de Minister van Klimaat en groene groei het rapport Routekaart koolstofverwijdering uit. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen permanente en tijdelijke opslag van CO2. De koolstofvastlegging door bomen wordt als tijdelijke opslag van CO2 beschouwd en deze gaat een beperkt aandeel van de opgave voor CO2-verwijdering leveren. Maar we zullen er de komende jaren wel het nodige van merken. Hopelijk leidt de beoogde ‘groene groei’ in dit kader tot een daadwerkelijke vergroening, met positieve impuls voor biodiversiteit en bomen.

Invasieve boomsoorten in bossen

Onlangs werd ik geattendeerd op een artikel dat is verschenen op de website van Nature Today. De titel van het stuk (verschenen op 19 november 2024) luidt: Gevestigde invasieve boomsoorten kunnen met ecosysteemaanpak bijdragen aan veerkrachtig bos.

Het is een interessant artikel waarin niet alleen de negatieve kanten worden belicht van de aanwezigheid van niet-inheemse boomsoorten in onze bossen. In tegendeel, op basis van onderzoek wordt hier gesteld dat exoten (al dan niet bestempeld als invasief) wel degelijk een rol kunnen spelen bij de uitdagingen waar de bossen voor staan, zoals klimaatverandering. De moeite waard dus om dit onder de aandacht te brengen. Het artikel is geschreven door Bart Nyssen en Lisa Raats, verbonden aan Bosgroepen (onafhankelijke coöperaties van en voor eigenaren van bos- en natuurterreinen).

Enkele passages uit het artikel:
“Uit recent internationaal onderzoek blijkt dat dominantie van veel invasieve boomsoorten in het bos door de ecosysteemaanpak doorbroken kan worden. Boomsoorten zijn in het verleden om verschillende redenen over continenten verplaatst. Bijvoorbeeld voor de esthetiek, herstel van ecosystemen, verrijking van biodiversiteit of houtproductie. In veel gevallen zijn ze onderdeel geworden van regionale boomsoortenpools over de hele wereld. Sommige soorten vallen op door hun snelle uitbreiding en worden daarom ‘invasief’ genoemd. Onderzoek naar de effecten van invasieve boomsoorten in bossen richt zich vaak op het voorkómen van nieuwe invasies. In dit onderzoek richten we ons op invasieve boomsoorten die al ingeburgerd en wijdverspreid zijn. We spreken hier over established invasive tree species (EITS) ofwel gevestigde invasieve boomsoorten.
EITS kunnen schadelijk zijn buiten bossen, zoals op heiden en in graslanden. Ook binnen bossen kunnen ze aanzienlijke gevolgen hebben voor bosgerelateerde biodiversiteit, ecosysteemprocessen en gerelateerde ecosysteemdiensten. Bovenal kan hun aanwezigheid conflicteren met natuurbehoudsdoelstellingen, omdat ze meestal geen deel uitmaken van de beoogde bossamenstelling. Toch worden er ook voordelen van EITS gerapporteerd. Uit onderzoek blijkt dat zij kunnen bijdragen aan soortenrijkdom, verbetering van de beschikbaarheid van voedingsstoffen en levering van ecosysteemdiensten. Daarnaast wordt door sommige bosbeheerders en onderzoekers gesuggereerd dat EITS onder bepaalde omstandigheden de veerkracht van bossen in een veranderend klimaat kunnen versterken.

Plantengemeenschap met Amerikaanse vogelkers in een bos in Noord-Limburg
Foto: Industrees, CC0, via Wikimedia Commons

In veerkrachtige bosecosystemen kunnen EITS bijdragen aan klimaatadaptatie vanwege hun vaak hogere droogte- en warmtetolerantie en hun pionierkarakter. Dit vertaalt zich in snel herstel van een bosmicroklimaat na grootschalige verstoringen en het vermogen om als verzorgende boomsoort de vestiging van inheemse bomen te bevorderen”.
Het artikel besluit met de conclusie van het onderzoek:
“Ondanks alle verschillen in hoe de aanwezigheid van verschillende invasieve bomen uitpakt in diverse bosecosystemen, heeft de samenleving veel te winnen bij een niet-vooringenomen benadering van deze ‘nieuwe’ boomsoorten. De duurzame levering van bosgebonden ecosysteemdiensten onder snel veranderende klimaatomstandigheden kan er deels afhankelijk van zijn”.
Het volledige Engelstalige rapport is na te lezen op: https://www.resilias.eu/wp-content/uploads/2024/10/paper-Current-Forestry-Reports-3.pdf

Bloesem, vlinders aantrekkend en herfstkleuren zijn de ideale belevingskenmerken van toekomstige straatbomen

In het kader van het CSI Trees project is onderzoek uitgevoerd naar de beleving en voorkeuren van bewoners als het gaat om stadsbomen. In de systematiek van CSI Trees wordt het zoekprofiel van toekomstig klimaat adaptief stedelijk groen niet alleen bepaald door bijvoorbeeld droogte-, zout- of hittetolerantie, maar ook door de voorkeur en beleving van burgers. Dit artikel geeft de resultaten van dit onderzoek weer.

Er ligt een opgave om de relatie tussen de boombeheerder en de burger zodanig vorm te geven dat de baten van bomen in de vorm van ecosysteemdiensten zo goed mogelijk tot zijn recht komen, maar dat ook voor het publiek minder gunstige eigenschappen van bomen worden begrepen en geaccepteerd. Dit leidt tot een burger-gedragen zoekprofiel voor toekomstige bomen en hun toepassing. Daarvoor zijn de kenmerken van bomen voorgelegd aan een online onderzoekpanel in tien gemeenten.

Opzet van het onderzoek
In de CSI Trees gemeenten Almere, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Den Haag, Dordrecht, Leeuwarden, Rotterdam, Den Bosch en Utrecht zijn minimaal 100 respondenten per gemeente ondervraagd. Om een representatief beeld te krijgen is er gewogen op leeftijd, geslacht en opleiding. In totaal zijn de gegevens van 1045 respondenten statistisch verwerkt.
Van de inwoners heeft 32% geen kennis over bomen; ze kunnen geen bomen bij naam noemen. En 55% kent maximaal vijf boomsoorten. Dit betekent dat een klein gedeelte wel een redelijke kennis heeft over bomen. Van de respondenten kent namelijk 12% 5 tot 15 boomsoorten en 1% kent meer dan 15 bomen bij naam. Hier lijkt een opgave te liggen voor onderwijs en voorlichting.

Vergroening van de straat
Inwoners werd een aantal stellingen voorgelegd over de vergroening van hun straat. De inwoners zijn het meest met de stelling eens (figuur 1) dat het fijn is om door bomen de seizoenen te beleven en ervaren. Er is ook een oproep aan alle tien gemeenten om meer te investeren in het vergroenen van de stad om het in de zomer lekker koel te houden, want de overlast van bomen weegt niet op tegen de voordelen die ze bieden voor het leefklimaat. Dit geldt voor alle tien steden. De inwoners zijn het ook eens dat ze het erg vinden als de oorspronkelijke bomen die in Nederland altijd voorkwamen door klimaatverandering uit het straatbeeld zullen verdwijnen. Maar aan de andere kant vinden ze het ook leuk als in de toekomst nieuwe soorten bomen in de straat zullen gaan groeien. Dat ze bomen belangrijk vinden, blijkt uit het feit dat een meerderheid zegt dat als ze zouden verhuizen, ze graag verhuizen naar een straat met bomen. Ze zien het liefst verschillende soorten bomen in de straat.

Figuur 1: Mate (%) waarin inwoners het eens zijn met een stelling.

Aan de inwoners is gevraagd om de mate van aantrekkelijkheid van in totaal 18 eigenschappen van een boom aan te geven. Hieruit blijkt (figuur 2) dat er een voorkeur is voor straatbomen die vooral vlinders aantrekken, in de herfst verkleuren, vogels aantrekken, bloesem geven en aangenaam geurend zijn en bijen aantrekken. Minder in trek zijn straatbomen die voor de mens al dan niet eetbare vruchten of fruit geven. Meer neutraal zijn de inwoners over of een boom bladhoudend in de winter is, meerstammig is of grote bladeren heeft. Een ovaal/eironde kroonvorm geniet de grootste voorkeur, naast de ronde vorm. Andere vormen zoals zuilvormig, afgeplat bolvormig, kegelvormig, vaasvormig of treurvorm scoren minder. Veel inwoners prefereren een variatie aan kroonvormen.

Straatbomen mogen ook niet te hoog worden; 10m – 15m wordt als meest ideaal gezien (24%) gevolgd door 6m – 10m (23%). Meer dan 15m of minder dan 6m is de favoriete hoogte voor 11% van de inwoners. Meerdere hoogten wordt door 17% aangegeven en 15% heeft geen voorkeur.

Figuur 2: Mate van belangrijkheid (%) per eigenschap van een boom.

Naaldhout in de straat
De inwoners zijn niet te porren voor alleen naaldbomen als straatboom. Liever zien ze loofbomen (50%) of afwisselend loof- en naaldbomen (32%). Een grote voorkeur is er (64%) voor bomen waarbij de takken hoger aan de stam zitten, zodat je er onderdoor kunt lopen.

Kroondichtheid
Een meerderheid van de inwoners (52%) heeft een voorkeur voor bomen met een kroondichtheid die half open is, waar de helft van het licht doorheen valt. Een dichte kroon waarbij onder de boom er volledige schaduw is, krijgt van 16% de voorkeur. Daarentegen geeft 13% de voorkeur aan bomen met een hele open kroondichtheid waarbij er veel licht doorheen valt.

Boomkenmerken gewogen
Tevens konden de inwoners de drie belangrijkste eigenschappen van een boom voor in hun straat aangeven (tabel 1). Het blijkt dat de seizoencomponenten belangrijk worden gevonden, zoals ook al uit figuur 1 naar voren kwam. Bloesem in het voorjaar is de populairste eigenschap van een boom, gevolgd door herfstkleur. Een boom die de biodiversiteit vergroot heeft ook een voorkeur voor de inwoners van de tien steden evenals de bladhoudendheid van een boom en dat een straatboom een aangename geur verspreid. Naaldbomen, de kleur van de boomstam en het type boomschors worden nauwelijks belangrijk gevonden.

Tabel 1: Het gemiddeld belang per eigenschap voor een boom in de straat.

Eigenschap Belang
Bloesem in het voorjaar 0,37
Herfstkleur 0,34
Vergroten biodiversiteit 0,33
Bladhoudend in de winter 0,24
Aangenaam geurend 0,21
Geen overlast veroorzakend 0,19
Hoogte 0,18
Geen allergie veroorzakend 0,17
Grote bladeren 0,15
Loofboom 0,11
Voor de mens eetbare vruchten en fruit 0,07
Kroonvorm 0,05
Kroondichtheid 0,04
Voor de mens niet eetbare vruchten 0,04
Meerstammige straatbomen 0,02
Naaldboom 0,01
Kleur van de boomstam 0,01
Boomschors 0,00

Ook kregen inwoners vijf plaatjes te zien met daarop een straat afgebeeld met voor Nederland op dit moment nog zeer ongebruikelijke en (nog) niet toepasbare straatbomen die voor hen een heel ongebruikelijk straatbeeld geven. Figuur 3 laat zien dat in lijn met de resultaten de bloesemrijke Banababoom (Lagerstroemia speciosa) het meest aantrekkelijk wordt gevonden. Daarna volgen de Parasolden (Pinus pinea) en de eveneens bloesemrijke Perzische slaapboom (Albizia julibrissin). Minder aantrekkelijk vinden de inwoners de Chileense honingpalm (Jubaea chilensis) als straatboom. Het gemiddeld minst gewaardeerd als straatboom is het type ‘boomfles’ (Ceiba speciosa (oude naam: Chorisia speciosa)).

Figuur 3: Aantrekkelijkheid (%) van diverse toekomstige straatbomen.

Uit het onderzoek blijkt verder dat er twee groepen gemeenten te onderscheiden zijn op basis van de mate van beschikbaarheid van een tuin. Inwoners uit de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Dordrecht hebben minder vaak een tuin. Inwoners van de gemeenten Almere, Arnhem, Apeldoorn, Leeuwarden en Den Bosch hebben vaak wel de beschikking over een tuin.

Er zijn verschillen tussen de resultaten van verschillende gemeenten. Zo kennen inwoners van Apeldoorn meer bomen bij naam dan inwoners uit Almere. Ook het belang dat inwoners hechten aan het aantrekken van vlinders, vogels of bijen of een voorkeur voor stamkleur kan (licht) verschillen per gemeente. Het is vaak niet helemaal duidelijk waardoor die verschillen veroorzaakt worden. Dat zou te maken kunnen hebben met het al dan niet hebben van een tuin, gebrek aan parkeerplaatsen en dergelijke.

Dichtheid van bomen in de straat en bladerdek
Volgens de inwoners van de tien gemeenten staat de meerderheid van de bomen (74%), waar de gemeente het onderhoud van heeft, zover uit elkaar dat de kronen elkaar niet raken. In 12% raken de kronen elkaar wel. Dit geeft in de zomer een dik bladerdek waardoor de hitte wordt beperkt. Toch hebben de inwoners liefst dat de kronen elkaar niet raken (42%). Elkaar rakende kronen heeft de voorkeur bij 16% van de inwoners. Ruim 8% van de inwoners zien bomen liever gegroepeerd staan als een klein bosje.

Tussen de 7 en 11% van de inwoners wil geen bomen in de straat.

Bij 14% van de inwoners uit deze tien steden staan er ook geen bomen in de straat. Vaak is er vanaf de straat wel zicht op bomen die in particuliere tuinen staan.

De straat is in een kwart van deze gevallen te smal voor bomen.

Overlast
Indien er wel bomen staan, worden de bomen voor het overgrote deel (86%) ook aantrekkelijk gevonden, waarbij 29% van de inwoners aangeeft dat sommige bomen wel en andere niet aantrekkelijk zijn om te zien. Van de inwoners geeft 32% aan overlast te ondervinden van de bomen. De belangrijkste redenen (tabel 2) hiervoor zijn vogelpoep, kleverige materie op stoep en auto en vallende takken. De overlast lijkt ook een reden te zijn waarom deze inwoners geen bomen in de straat willen, want hiermee is een sterke significante relatie (-0,118; p < 0,001).

Tabel 2: Type overlast (%) door een boom.

Type overlast Percentage
vogelpoep 10,0
kleverige materie op stoep en auto 9,2
vallende takken 8,1
hooikoorts/allergie 6,8
zaad en/of vruchten 6,4
te veel schaduw/beperkt zonlicht 4,4
vallende vruchten en eikels 4,4
rottende vruchten op de grond 2,4
eikenprocessierups 2,1
schaduw beperkt opbrengst zonnepanelen 1,8
beperkt mijn vrije uitzicht 1,6
overig 4,5

Het project CSI trees: klimaatbomen voor de toekomst
Vanwege de versnelling van de klimaatverandering blijken steeds meer stadsbomen minder klimaatbestendig te zijn voor de huidige en verwachte toekomstige binnenstedelijke omgeving. Dit leidt onder meer tot slechte groei, blad- en bastverbranding, verhoogde vatbaarheid voor ziekten en plagen en in het algemeen in een povere ‘performance’, waardoor potentiële ecosysteemdiensten niet kunnen worden behaald. Het huidige bomenbestand is grotendeels afkomstig uit de gematigde streken van de wereld, terwijl het binnenstedelijke microklimaat inmiddels meer overeenkomst vertoond met droog landklimaat. De verschuiving van de klimaatzones is een mondiaal verschijnsel en raakt ook de Nederlandse bomen. Dit onderzoek wordt uitgevoerd om steden in de toekomst onderbouwd te kunnen voorzien van boomsoorten die bestand zijn tegen de toenemende abiotische stressfactoren als gevolg van de klimaatsverandering.

CSI Trees: klimaatbomen met toekomst wordt gefinancierd vanuit de Topsector T&U met financiering vanuit het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat. De cofinanciering wordt opgebracht door het Nederlandse bedrijfsleven: Boomkwekerij Gebr. Van den Berk, Boomkwekerijen Udenhout, Boot & Dart, Ebben Boomkwekerijen, Mart van den Oever Boomkwekerijen, Gemeente Almere, Gemeente Amsterdam, Gemeente Apeldoorn, Gemeente Arnhem, Gemeente Den Haag, Gemeente Dordrecht, Gemeente Leeuwarden, Gemeente Rotterdam, Gemeente ‘s-Hertogenbosch, Gemeente Utrecht, Branche Organisatie Anthos en Stichting De Groene Stad

Meer informatie: Marc Ravesloot, marc.ravesloot@wur.nl, M 06 22193312

Martin Goossen (WENR Wageningen Environmental Research)

Marc Ravesloot (WUR Agrosysteemkunde )

Gert Dijksterhuis (oud medewerker WUR Agrotechnology & Food Sciences Group)

Karen de Rosa Spierings (WUR Agrotechnology & Food Sciences Group)