Categorie archieven: Dendrovaria

Uitgestelde onverenigbaarheid

Op de Larensteindag van 27 februari 2026 waren twee sprekers uitgenodigd om een volle gehoorzaal deelgenoot te maken van hun praktische inzichten. Een verslag van het verhaal van Adriaan Schalk met als titel “wat doen we me de Es? is hier te lezen. Ronnie Nijboer presenteerde een helder verhaal over (uitgestelde) onverenig­baarheid. Als iepenexpert lag zijn focus vooral bij Iepen (Ulmus spp).

Onverenigbaarheid van Ulmus ‘Homestead’ op Ulmus × hollandica
‘Belgica’. Een slechte ent.
Foto’s: Hans Kaljee
Onverenigbaarheid van Ulmus ‘Homestead’ op Ulmus × hollandica
‘Belgica’. De doorsnede van een slecht ent.
Foto’s: Hans Kaljee

Al sinds de oudheid worden Iepen geteeld. De vermeerdering verliep van oudsher via zaaien en afleggen. Later kwam enten in zwang en sinds deze eeuw stekken. Zaailingen werden lang gebruikt als onderstammen. Daarbij ging het dan met name om de Ruwe iep (Ulmus glabra) omdat deze geen wortelopslag maakt. Ook Hollandse iep (Ulmus × hollandica ‘Belgica’) werd gebruikt als onderstam, maar dat betreft dan afleggers. De vermeerdering middels afleggers is de historische manier van vermeerdering voor Iepen; bomen die ooit het landschap en de steden van de Lage Landen domineerden. Deze afleggers worden gemaakt van een moerstoof. Dit is een bewerkelijk proces dat veel ruimte inneemt. Op 25 m2 kunnen 100 tot 200 afleggers worden geproduceerd. De resultaten zijn goed, maar er moet voorkomen worden dat er zogenoemde hockeysticks (worteling aan horizontaal lopende delen waar de stam hoeks recht op staat) ontstaan.

Eenzijdige wortel van de ent.
Foto: Ronnie Nijboer

De overstap naar enten heeft vooral te maken gehad met kostenoverwegingen. Enten kost minder tijd en is goedkoper, vooral het enten op een zaailing. Als onderstam zijn zaailingen van Veldiep (Ulmus minor) ongeschikt. Deze planten geven veel wortelopslag en de groei is zeer variabel. Toch komt het voor dat verkeerd gelabelde zaailingen als onderstam worden gebruikt. Bij het enten treedt soms onverenigbaarheid op. Dit kan direct plaatsvinden na het enten, of pas decennia later. Dit laatste wordt uitgestelde onverenigbaarheid genoemd.

De keuze van de onderstam is van invloed op de te verwachten onverenigbaarheid van ent en onderstam. Het devies is daarbij om zo dicht mogelijk bij de herkomst te blijven. Zo kent Ulmus ‘Columella’ bij enten op zaailingen van U. glabra reeds op de kwekerij een uitvalpercentage van 20 tot 30%. Ulmus laevis, de Fladderiep, is alleen geschikt als onderstam voor de nauw verwante U. americana, alle andere enten falen. Ulmus pumila een Centraal-Aziatische soort met een grote droogteresistentie, wordt juist vanwege die droogteresistentie als onderstam toegepast in de VS, maar blijkt ongeschikt voor ons klimaat. De ervaring leert dat het enten van klonen met daarin genen van de U. davidiana of U. pumila op U. glabra en ‘Belgica’ een verhoogd risico geeft op onverenigbaarheid.

Onverenigbaarheid gaat terug op een slechte vergroeiing van ent en onderstam. Bij onverenigbaarheid vernauwen de zeefvaten van de ent waardoor de toevoer van suikers en zetmeel naar de onderstam afneemt. Deze stoffen worden opgeslagen in het onderste deel van de ent die daarvoor een afsluiting richting onderstam maakt met als gevolg een verdikking boven de entplaats. Hierdoor verhongert de onderstam wat leidt tot wortelsterfte. Uiteindelijk wordt de onderstam afgestoten. Onverenigbaarheid betreft dus niet het afstoten van de ent door de onderstam, zoals vaak wordt gedacht!

Afgebroken ent met kenmerkend puntig einde (potloodboom).
Foto: Ronnie Nijboer

In de onderkant van de verdikte ent bevinden zich veel snel delende cellen en hormonen. Zodra de verdikking de grond raakt, produceert deze een wortel die, gevoed door de volledige kroon, snel uitgroeit tot een dikke wortel. Een dergelijke wortelvoet met een eenzijdige dikke wortel is kenmerkend voor planten op een afgestorven onderstam. Het effect van deze overlevingsstrategie van de ent is dat de gehele plant instabiel wordt. Vooral in vochtige grond of met een zomerstorm leidt dit tot omwaaien. De boom breekt af op de entplaats met vaak een kenmerkend puntig einde, en daarom ook wel een potloodboom genoemd. De verdikte stamvoet is een duidelijk signaal bij jonge planten dat er sprake kan zijn van onverenigbaarheid. Andere tekenen van uitgestelde onverenigbaarheid zijn het uitlopen van de onderstam en vervroegde herfstkleuring. Uitgestelde onverenigbaarheid komt bij meer boomsoorten voor. Het is inmiddels een gekend fenomeen bij Quercus robur ‘Fastigate Koster’, Quercus frainetto (op Q. robur), Robinia × margaretta (op R. pseudoacacia), Acer rubrum (op A. platanoides), Fraxinus ornus (op F. excelsior), Aria edulis (op Sorbus aucuparia), Tilia tomentosa (op T. cordata) en Betula utilis (op B. pendula).

Uitlopen van de onderstam (Ulmus glabra).
Foto: Ronnie Nijboer

Van de Chinese iep (Ulmus parvifolia), die voor bonsai wordt gebruikt, is al eeuwen bekend dat deze middels stekken vermeerderd kan worden. Sinds de jaren 1990 worden ook andere iepensoorten en -klonen middels stekken vermeerderd. Zomerstekken worden in trays onder verneveling geplaatst in kassen en vormen binnen enkele weken een bewortelde plugplant. Sommige klonen, zoals ‘Regal’ en ‘Homestead’, hebben de neiging een haakwortel te maken. Dergelijke stekken zijn niet geschikt voor doorkweek. Ook groeien iepenstekken te hard om in P9 potjes opgepot te worden; het beste is aanplant in de volle grond. Door stekken te gebruiken wordt (uitgestelde) onverenigbaarheid voorkomen, evenals aantasting door iepziekte via wortelcontact bij een niet-resistente onderstam. Het is daarom belangrijk Iepen op eigen wortel te telen.

Geel worden van geënte Ulmus ‘Clusius’ in Zeewolde
Foto: Ronnie Nijboer

Waarom is de bodem zo belangrijk voor bomen?

Tijdens de najaarsbijeenkomst van de NDV in Opheusden op zaterdag 22 november 2025 hield Dr. Ir. Jacqueline Baar*, directeur/adviseur bij Soil Best B.V. uit Wageningen een boeiende lezing over de bodem.

Het was illustratief dat het eerste beeld van de lezing de Langlevende den, Pinus longaeva, liet zien op de kale rotsbodem in Californië. Een leven, ruig, maar duizenden jaren standvastig in een genadeloos onherbergzame omgeving. Een mooi voorbeeld van de relatie tussen plant en bodem die in hoge mate wederkerig is. Zelfs in deze rotsachtige situatie weet de plant met behulp van mycorrhiza-schimmels water en voeding op te nemen.

Jacqueline startte met de theorie over de bodem. In Nederland is er ruwweg een verdeling mogelijk in klei-, zand- en veenbodems. Vaak worden ook nog bodems met löss en leem onderscheiden. De eigenschappen van die bodems zijn toe te schrijven aan een samenstelling van een drietal onlosmakelijke componenten: de biologische, de chemische en de fysische component.

De biologische component, waartoe deze lezing zich merendeels beperkte, werkt aan, en beïnvloedt de beide andere componenten tot een functionerend ecosysteem waarin het zelf ook kan leven. Het bodemleven verkleint het organisch materiaal, mengt het en breekt het af zodat de voedingsstoffen weer vrijkomen. Ook zorgt het bodemleven voor een luchtige kruimelstructuur van de bodem door zogenaamde bodemaggregaten te vormen middels kleverige stoffen. Zo ontstaat een optimale verhouding tussen vocht, lucht en bodem waarin de chemische processen die belangrijk zijn voor het ecosysteem, zoals de uitwisseling van voedingsstoffen, kunnen plaatsvinden.

De Langlevende den (Pinus longaeva) in Patriarch Grove, White Mountains, Californië.
Foto: Jim Morefield uit Nevada, USA, CC BY-SA 2.0, via Wikimedia Commons

Het bodemleven is enorm divers, alhoewel het grotendeels aan ons oog onttrokken wordt. Ik probeer het hier weer te geven in een achttal groepen al is deze indeling niet echt wetenschappelijk en volledig:

  1. Schimmels
  2. Actinomyceten (bacteriën die op schimmels lijken; deze zijn verantwoordelijk voor de typisch “aardse” geur van de grond)
  3. Bacteriën
  4. Eéncellige eukaryoten zoals amoeben en flagellaten (vroeger wel protozoa genoemd.)
  5. Nematoden (aaltjes)
  6. Veel micro- en macrogeleedpotigen en larven daarvan
  7. Naaktslakken en huisjesslakken.
  8. Regenwormen en grotere bodembewoners zoals de mol.

Er bestaat een directe positieve correlatie tussen de biodiversiteit onder de grond en dat erboven. Het leven wordt natuurlijk beïnvloed door landgebruik, klimaat, microklimaat, (boom-)soort en dergelijke, maar in het algemeen kan men stellen dat hoe groter de soortenrijkdom boven de grond is, hoe groter die ook is daaronder. Tóch overtreft de biodiversiteit onder de grond duidelijk die van boven de grond.

Tijdens de lezing werden met name de bacteriën en schimmels onder de loep genomen. Beide zijn zeer klein en verborgen, maar alom en in astronomische getale en verscheidenheid in de bodem aanwezig. Zo kunnen in een theelepel grond wel miljoenen, en naar schatting zelfs tot één miljard bacteriën leven. Zij vormen in kwantiteit het grootste aandeel aan het bodemleven. Bovendien zijn zij aangepast om in de meest extreme omstandigheden te kunnen overleven.

Maar vooral de schimmels, met name de mycorrhiza-schimmels, blijken van belang te zijn bij de uitwisseling van nutriënten en water tegen suikers die gevormd worden tijdens het assimilatieproces in de plant. De schimmeldraden van mycorrhiza-schimmels vormen een dicht netwerk rondom de wortels en staan ermee in hecht contact. Zo vergroten ze het opname-oppervlak van de wortels enorm en transporteren zelf actief nutriënten naar de plantenwortels; ook moeilijk te mobiliseren nutriënten die zij door afscheiding van enzymen kunnen extraheren. Met name in de bovenste dertig centimeter van de bodem reageren de planten daarop met een sterke beworteling. Tot wel 80 – 90% van de wortels daar kunnen leven in symbiose met mycorrhizae.

Schematische afbeelding van de wisselwerking tussen bomen en
mycorrhiza.
Afbeelding: Bert Schalkx en André Beerendonk

Er bestaan meerdere typen van mycorrhiza-schimmels. We kennen een aantal zichtbare paddenstoelen die steeds bepaalde soorten bomen vergezellen, zoals de vliegenzwam bij Berk en Eik. Dit is een ectomycorrhiza die samen met de boom een mutualistische associatie vormt (interactie waar beiden voordeel van hebben). Bindingen van ectomycorrhiza zijn betrekkelijk soortspecifiek en daardoor beperkt (ongeveer 2% van de landplantensoorten wereldwijd hebben een binding met een ectomycorrhiza). Er zijn daarnaast echter veel meer soorten mycorrhiza-schimmels die een samenwerkingsverband kunnen aangaan met heel veel planten. Dat zijn endomycorrhizae, met name de arbusculaire mycorrhizae. In tegenstelling tot de ectomycorrhizae zijn ze niet zo selectief, leiden een verborgen bestaan en kunnen bijna 95% van alle landplanten koloniseren, inclusief grassen, kruiden en de meeste landbouwgewassen en tuinplanten. Een uitzondering hierop zijn planten van de families Brassicaceae (koolgewassen) en Chenopodiaceae (bieten en spinazie onder andere).

Uit de figuren die Jacqueline Baar liet zien, werd duidelijk hoezeer mycorrhiza-schimmels in de bodem leiden tot een zich veel sterker en gezonder ontwikkelend gewas. Op proefvelden in binnen- en buitenland liet ze zien hoe bomen, maar ook landbouwgewassen, veel robuuster opgroeiden in samenwerking met de schimmels, met groter blad en beter bestand tegen droogte en ziekten. Soms lijkt de ontwikkeling in het begin juist wat trager te verlopen en lijkt het teleurstellend hoelang het duurt voordat de plant zich bovengronds ontwikkelt in vergelijking tot zijn soortgenoot met toegevoegde kunstmest. Maar het verschil zit in het feit dat planten en bomen met mycorrhiza-schimmels rond de wortels eerst ‘investeren’ in die wortels en daartoe ook gestimuleerd worden door die samenwerking. De wortels van de plant die gevoed wordt met kunstmest krijgen meteen wat ze nodig hebben. Ze hoeven niet in zichzelf te investeren en sturen de bouwstoffen meteen door naar boven voor de ontwikkeling van de bovengrondse plant. Bij tegenslag, zoals droogte, hebben deze bomen en planten maar een beperkt wortelgestel om water op te nemen en krijgen ze eerder last van een tekort. Het wortelgestel is zichtbaar inferieur.

Jacqueline liet ook een heel interessant licht vallen op het belang van de mycorrhiza-schimmels in relatie met de klimaat-adaptatie en de binding van kooldioxide. De mycorrhiza-schimmels spelen een wezenlijke rol in het biologisch assimilatieproces en dus in de opname en omzetting van kooldioxide in zuurstof en plantengroei. Planten en bomen met mycorrhiza-schimmels leggen maar liefst acht keer zoveel CO2 vast als planten en bomen zonder deze schimmels.

Uit recent onderzoek (2023) bleek dat planten dankzij hun mycorrhiza-schimmels ruim een derde (36%) van onze CO2 opslaan. Dat is 31% meer dan tot dan toe werd aangenomen. De mycorrhiza-schimmels hebben daarmee een cruciale rol in het binden van koolstof in de bodem en zijn een significante, natuurlijke bondgenoot in de strijd tegen klimaatverandering.

De relatie met de plant is belangrijk. Waar het bij ons om bomen gaat, is het van belang dat de juiste schimmels bij de bijbehorende boomsoorten worden toegevoegd. Maar ook de relatie en het evenwicht met de omgeving is belangrijk. Het systeem wordt gemakkelijk verstoord door milieuschade of onoordeelkundige toevoegingen. Zo schaden pesticiden, met name fungiciden, de mycorrhiza-schimmels, evenals de stikstofdepositie en de vorming van vrij ammonium in de grond (iets dat wij nog wel kennen uit het nieuws als de zure (reagerende) regen). De Langlevende den leert ons dat, als de onderlinge relatie tussen bomen en bodem goed is, dat er dan sprake is van duurzaamheid.

*Jacqueline Baar promoveerde aan de Landbouwuniversiteit Wageningen op bodembiologie en mycorrhiza-schimmels. Ze werkte onder andere 7 jaar in het Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO) in Wageningen aan de toepassing van bodemorganismen waaronder bacteriën, strooisel afbrekende schimmels en mycorrhiza-schimmels. Zij heeft onderzoek verricht aan de Berkeley Universiteit (VS) en de Radboud Universiteit in Nijmegen op dit gebied en is auteur van meer dan 130 publicaties. In 2012 startte zij het bedrijf Soil Best BV gericht op de bodembiologie en toepassing van mycorrhiza-schimmels in de groenvoorziening en de landbouw. Ze werkt in opdracht voor groenvoorzieners, gemeenten en provincie.

Oud hout uit Oudega

Sinds de zomer van 2024 wordt ten zuiden van Oudega (gemeente Smallingerland, Friesland) een groot meer van ca 45 ha aangelegd (Aldegea oan it wetter) dat een verbinding moet vormen tussen het dorp en de Ee (Ie). Bij de werkzaamheden worden grote hoeveelheden veen uitgegraven, waarin zich zeer veel oude bomen van allerlei soorten, vooral Els, Wilg, Es en Eik, bevinden.

Vooral de Eiken zijn van grote wetenschappelijke waarde omdat ze een beeld geven van de ontwikkeling van de neerslag op het Drents-Fries plateau in het vierde en derde millennium voor het begin van de jaartelling. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) onderzoekt ze. Hier volgt een eerste – zeer voorlopige – stand van onderzoek.

De ontgraving Aldegea oan it wetter in april 2025. Polder De Gealanden met op de achtergrond De Nije Mûntsegroppe. Het profiel dat te zien is op de andere foto bevindt zich tegen achterwand van de achterste werkput.
Foto: Peter Veenema

Veen
In het zuidelijke en laagste deel van de ontgraving (ca 0,6 m -NAP) bevindt zich een pakket veen dat iets meer dan een meter dik is. Om een beeld te krijgen van de opbouw ervan, werd in april 2025 in één van de zuidelijkste werkputten met de schop een profiel schoongemaakt. Onderin is het zogeheten dekzand te zien dat hier in de laatste fase van de laatste ijstijd (vóór 9.750 jaar voor het begin van de jaartelling) door de wind werd afgezet. Daarboven bevindt zich tot direct onder de bouwvoor veen. In het veen zijn op het oog verschillende lagen te onderscheiden, maar het is allemaal bosveen: de plantaardige resten van wat eens een elzenbroekbos was. Op voorhand was niet duidelijk hoe oud het veen is. Daarom werden plantenresten van verschillende niveaus gedateerd met behulp van de 14C-methode. Voor zover de resultaten nu beschikbaar zijn, is duidelijk dat het veen op 40 tot 100 cm boven het zand stamt uit de periode tussen ca 2750 en 2000 voor het begin van de jaartelling. Dat valt ongeveer samen met wat in de archeologie de laatste fase van de jonge steentijd heet (laat-neolithicum). Aanvullende dateringen moeten een beeld geven van de volledige tijdsdiepte van de lokale veenontwikkeling. Voor 2026 staat ook een onderzoek van het in het profiel aanwezige stuifmeel en zaden en vruchten gepland. Het vormt de basis van een gedetailleerde reconstructie van de ontwikkeling van het lokale milieu waarin de bomen hebben gegroeid.

Veenprofiel aan de zuidzijde van ontgraving. Beide meetpinnen bevinden zich op 1,30 m -NAP. Bovenzijde dekzand op ca 2,40 -NAP.
Foto: Jos Bazelmans

Bomen
Bij de graafwerkzaamheden wordt eerst de bouwvoor verwijderd. In het onderliggende en eerste vlak in het veen zijn meteen al veel bomen zichtbaar, als liggende takken en stammen of als stobben. Mogelijk dat in 2026 een klein deel wordt onderzocht alsof het een archeologische opgraving betreft. Tot dit moment richt het onderzoek zich echter alleen op de vele bomen die tijdens de werkzaamheden met de graafmachine of een grote zeef gescheiden worden van het voor de verkoop geschikte veen. Van iedere Eik wordt door de RCE met een motorzaag een plak gezaagd van ca 5 tot 10 cm dik, haaks op de lengterichting van de boom. Om uitdroging te voorkomen wordt elk monster verpakt in plastic folie. In het laboratorium in Amersfoort wordt ieder monster met een scheermesje geprepareerd. Door het schoongemaakte vlak in te wrijven met schoolkrijt worden alle individuele jaarringen goed zichtbaar. De dikte van ieder jaarring is voor het onderzoek een relevant gegeven omdat van dunne/dikke jaarringen mag worden aangenomen dat de kwaliteit van het groeiseizoen respectievelijk slecht/goed was. Onder de microscoop en op een met een computer verbonden meettafel wordt daarom de dikte van alle jaarringen van de kern naar de buitenzijde van de boom opgemeten (in 1/100 mm). Genoteerd wordt of het kern- of spinthout betreft en of merg (jaar van kieming) en wankant (sterftejaar) aanwezig zijn. De individuele reeksen van opeenvolgende jaarringdiktes kunnen tussen bomen onderling worden vergeleken: als er sprake is van een statistisch significante overeenkomst dan betekent dat dat ze tegelijkertijd hebben gegroeid. De reeksen worden ook vergeleken met zogeheten jaarringkalenders. Deze tot op het jaar nauwkeurig gedateerde reeksen van gemiddelde boomgroei zijn tot stand gekomen op basis van grote aantallen overlappende houtmonsters waarbij van de jongste de exacte kapdatums bekend zijn omdat ze onlangs geveld zijn. De kalenders zijn het resultaat van tientallen jaren van onderzoek. Ze stellen ons tegenwoordig in staat om Eiken uit een natuurlijke context of een opgraving tot op het jaar nauwkeurig te dateren, tot wel achtduizend jaar terug. Tot op dit moment zijn twintig monsters van Oudega onderzocht. Slechts één monster kon exact worden gedateerd op basis van een kalender die beschikbaar is voor het naburige Noord-Duitsland. De oudste jaarring stamt uit -3908 en de jongste uit -3759 voor onze jaartelling. Wanneer de boom precies dood is gegaan, is onbekend omdat het spinthout en de wankant ontbreekt. Opmerkelijk is het verschil in datering met de hierboven genoemde dateringen van de middelste veenlagen. Vooralsnog moeten we veronderstellen dat de onderste 40 cm veen zo’n duizend jaar of meer vertegenwoordigt.

Hout uit de ontgraving in mei 2025
Foto: Jos Bazelmans

Klimaat
De bomen zijn bewaard gebleven omdat ze in het waterverzadigde en daardoor zuurstofloze veen terecht zijn gekomen. Bijzonder is echter dat de Eiken, met uitzondering mogelijk van de laatste bomen die groeiden op het onderliggende dekzand en overdekt zijn geraakt met veen, in een elzenbroekbos stonden. Het betreft hier voor Eiken lastige groeiomstandigheden omdat het grondwater in zo’n bos veelal tot bijna aan het oppervlakte reikt. De exacte grondwaterstand in het groeiseizoen heeft dan ook grote invloed op de groei. Langdurige hoge waterstanden in de lente betekenen een vertraging in het groeibegin en dus een verkorting van de groeiperiode; vernatting tijdens het begin van de groeiperiode brengt wortelschade teweeg door een gebrek aan zuurstof; en door langdurig natte omstandigheden sterven voor de bomen essentiële schimmels af. Dit verband tussen hydrologie en groei vormt voor onderzoek een spannend uitgangspunt: de variabiliteit in de jaarringdikte is immers niet willekeurig of afhankelijk van temperatuur maar juist van de toestroom van (regen)water. Zo is uit onderzoek van veeneiken uit het gebied van de Angstel en de Vecht, een gebied dat lang zorgde voor de afstroom van ca 10% van het water van de Rijn, gebleken dat in de groei ervan voor de periode tussen ca 1400 voor en 500 na het begin van de jaartelling een afwisseling zichtbaar is in de dominantie van meer of minder natte weersystemen. In Oudega zal de groei van de Eiken sterk bepaald zijn door regenval op het Drents-Friese plateau. Dit sterk regionale signaal verklaart mogelijk ook waarom tot nu toe maar één monster kon worden gedateerd (en er voor Oudega dus een eigen kalender gemaakt zal moeten worden). Het zal in de komende tijd een belangrijke focus van onderzoek zijn. Daarvoor is het echter nodig om een groot aantal monsters te verzamelen en te analyseren omdat met het oog op een representatief beeld van de groei ieder kalenderjaar in een flink aantal monsters vertegenwoordigd moet zijn (‘replicatie’). Dat is een grote opgave als bedacht wordt dat de nu beschikbare dateringen erop wijzen dat sprake is van een lange bosontwikkeling (meer dan 2000 jaar?) en de bomen maar gemiddeld 200 tot 250 jaar oud werden in deze natte omstandigheden. Gelukkig lijken de werkzaamheden die nog tot 2028 doorlopen de mogelijkheid te bieden om nog vele honderden monster te verzamelen.

Bemonstering van een Eik met een kettingzaag. Op de achtergrond de zeefinstallatie die gebruikt wordt grof hout van veen te scheiden.
Foto: Jos Bazelmans

NB: met dank aan projectleider Jacqueline de Booij (Weusthuis en partners) en uitvoerder Marcel Meppeling (De Waard Grondverzet) voor de toestemming tot het doen van onderzoek, de goede samenwerking en het enthousiasme, en aan Arjan Bosgraaf en Peter Veenema voor de belangstelling en informatie over de voortgang van de werkzaamheden.

Over de auteur
Jos Bazelmans is senior onderzoeker bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, en bijzonder hoogleraar Delta-archeologie aan de Universiteit Leiden.