Categorie archieven: Dendrovaria

Resultaten van het verplanten van buiten­categoriebomen

Het verplanten van bomen werd meer dan honderd jaar geleden al gedaan. Denk aan het aanvoeren van halfvolwassen Eiken en Beuken vanaf de Heuvelrug naar kasteel De Haar in Haarzuilens in 1895. In 2021 en 2022 schreef Jan Holwerda een artikel hierover (Arbor Vitae 4, 2021. Boomverplanting met vorstkluit, nu en toen; Arbor Vitae 1, 2022. Historische boomverplantmachines).

Het gaat om voor die tijd grote bomen, die met speciaal geconstrueerde apparaten werden vervoerd. Uit de foto’s bij het artikel kan worden opgemaakt dat de stamdiameter ongeveer 30 cm was en de wortelkluit een diameter van 200 cm had.

Horizontale verplanting van een Fraxinus xanthoxyloides (Afghaanse es) in 1958 op rolletjes in arboretum Trompenburg.
Foto: Trompenburg Tuinen en Arboretum

Dit artikel gaat over het verplanten van bomen met een stamdiameter tot 140 cm en is het resultaat van een onderzoek naar de groei en (wortel)ontwikkeling op lange termijn. Samen met Roel Vermeulen, boomexpert uit Brabant, is in 2022, 2023 en 2024 onderzoek uitgevoerd bij ruim twintig bomen die tussen 1997 en 2015 verplant zijn, zowel in Brabant (door Roel) als in het westen van Nederland (samen). De onderzochte exemplaren zijn Plataan, Linde, Paardenkastanje, Iep en Eik. De stamdiameter van de onderzochte bomen varieert van 60 cm tot 140 cm. Critici van het verplanten van grote bomen menen dat het verplanten van grote bomen niet zinvol zou zijn omdat jonge bomen de oudere altijd inhalen. Al zou dit waar zijn, dan is het ook van belang om daarin te betrekken dat de gemiddelde boom in de stad niet de leeftijd van 30 jaar bereikt. Het is daarom in toenemende mate belangrijk dat we het stadsboombeheer richten op behoud en levensduurverlenging van bestaande bomen. Verplanting is dan een optie wanneer we het boomkroonvolume in de stad op peil willen houden of zelfs uitbreiden.

Horizontale verplanting van een Paardenkastanje met een totaalgewicht van 200 ton in Den Haag (1997)
Foto: Huib Sneep

Verplanttechniek
Na de opkomst van hydraulische telescoopkranen in de zeventiger jaren werd het mogelijk om bomen met een gewicht tot 20 ton te verplanten. Er wordt dan met eindloze stroppen aan de stam gehesen of via een zogenaamd Newman-frame aan de kluit. Eind jaren ’80 kwamen er kranen op de markt die tot 40 ton kunnen hijsen.
Toen de gemeente Den Haag in 1995 een Paardenkastanje wilde laten verplanten op de Koekamp nabij het Malieveld, schoot deze hijstechniek tekort en was er een grote innovatie nodig: horizontale verplaatsing van een totaalgewicht van 200 ton door middel van schuiftechniek. Hierbij worden acht tot tien stalen rijplaten onder de kluit doorgetrokken met behulp van een lier, waarna de rijplaten worden bevestigd aan een zware H-balk. Via een grote lier wordt de boom via een vooraf gegraven sleuf naar de nieuwe standplaats getrokken. Met deze techniek zijn bomen tot 200 ton verplant. Rond 1995 kwam de ‘pallettechniek’ op de markt, waarbij eerst een groot aantal stalen balkjes onder de kluit wordt geperst. Vervolgens worden onder de twee uiteinden van de balkjes twee zware onderslagbalken aangebracht. Hieraan hijsen één of twee kranen met een hijsvermogen tot 500 ton de boom omhoog en plaatsen deze op een platformwagen. Hierop wordt de boom naar de nieuwe standplaats vervoerd en daarna geplant. Sinds 1997 zijn met de nieuwe technieken in Nederland en daarbuiten tientallen buitencategorie bomen met succes verplant. Ook zijn er in de laatste decennia wat bomen verplant, waarbij een groot deel van de grond tussen de wortels verwijderd moest worden om de boom te kunnen optillen, of in de kluit aanwezige kabels of leidingen vrij te kunnen maken. Deze techniek wordt de ‘kale wortelverplanting’ genoemd. Wanneer een optimale nazorg en verankering van de boom wordt uitgevoerd, blijkt ook deze techniek succesvol, onder andere bij een Plataan in Maassluis (1996) en vier Iepen in Den Haag in 2018.

Uiterlijk van de Paardenkastanje in Den Haag in 2015, kroondoorsnede is 29 meter
Foto: Huib Sneep
Aan de kroonrand van deze boom is te zien dat deze zich ontwikkelt: onvertakte scheuten met grote knoppen.
Foto: Huib Sneep

Opzet van het onderzoek
Het eerste onderdeel van het onderzoek is een visuele inspectie van de kruin van de boom om vast te stellen of na de verplanting de kroon zich verder ontwikkeld heeft. Wanneer de groei van een boom stagneert, is dit het eerst zichtbaar in de structuur van de dunste takjes.
Vervolgens is de grootte van de groeiplaats bekeken. Soms is de grootte van de aan het maaiveld zichtbare groeiplaats kleiner dan de werkelijke inhoud en bestaat de groeiplaats bijvoorbeeld maar tot 30 centimeter diep uit goede teelaarde met daaronder straatzand. Deze situatie maakt dat de boom lijdt onder droogtestress en er een onbalans is tussen wortelvolume en kroonvolume.
Het derde deel van het onderzoek richt zich op de wortelontwikkeling na de verplanting. Stagneert deze, dan stagneert ook de groei of sterft de boom zelfs (gedeeltelijk) af. Stagnatie kan zowel het gevolg zijn van onjuist uitgevoerde groeiplaatscreatie als een te gering volume aan goede bodem met daaromheen straatzand of te sterk verdichte klei.

Plataan in Maassluis die in 1996 met kale wortel verplant is naar een plaats met een hoge grondwaterstand. Daarom is de boom op een verhoging geplant (foto gemaakt in 2024)
Foto: Huib Sneep

Resultaten van het onderzoek
Bij optimale bodemomstandigheden, dus voldoende vocht en een vruchtbare, luchtige bodem, kan een wortel 75 cm lengte per jaar groeien. Het wortelvolume kan dan in enkele jaren met 70 procent toenemen.
De conditie van vrijwel alle onderzochte bomen in West Nederland is redelijk tot goed, die in Brabant gemiddeld minder. Meer dan de helft van de verplante bomen heeft na de verplanting een goede verdere ontwikkeling doorgemaakt met bijbehorende diktegroei. Wanneer de groei gestagneerd was, bleek het volume aan doorwortelbare grond een belangrijke oorzaak.
Voldoende water geven over een lange periode is bepalend voor een goede hergroei, vooral wanneer de bomen op de nieuwe groeiplaats niet direct contact hebben met het grondwater. In die situatie kan het noodzakelijk zijn om langer dan vijf jaar water te geven, vooral nu droge zomers meer regel dan uitzondering zijn.
Zelfs bij een verplanting met een kluit van 10 bij 10 meter, zoals de Paardenkastanje op de Koekamp in Den Haag, wordt niet meer dan 25 procent van het oorspronkelijke aanwezige wortelvolume verplant; de overige 75 procent blijft op de oude standplaats achter.
Bij het onderzoek is gebleken dat na de verplanting vanuit de kluit heel dikke wortels kunnen ontstaan. Zo bleek bij een Plataan aan de Amstelveenseweg in Amsterdam in twintig jaar tijd een wortel van 20 cm diameter te zijn gevormd aan de zuidwestkant van de boom.

Tijdens het onderzoek van de beworteling in 2024 van de Plataan in Maassluis
Foto: Huib Sneep

Conclusies en aanbevelingen
Nazorg is nodig tot het moment dat het wortelvolume weer terug is op het niveau van voor de verplanting. Dit kan vijf tot tien jaar duren, vooral wanneer de vochtvoorziening beperkt is. Water geven is de belangrijkste activiteit gedurende de nazorgperiode.
De bodemkwaliteit is de factor die het waterhoudend vermogen bepaalt en mineralen buffert.
Verplantbaarheidsonderzoek is heel belangrijk om vast te stellen of de boom direct klaar is voor verplanting of een voorbereidingsperiode van één of twee jaar nodig heeft. Om vast te stellen hoeveel procent van het wortelvolume meegenomen wordt tijdens de verplanting, is het sterk aan te bevelen om het bestaande wortelvolume te bepalen. Zo kan worden ingeschat hoeveel m3 groeiplaats minimaal (altijd meer dan op de oude groeiplaats!) nodig is op de nieuwe standplaats en hoe lang de nazorgperiode moet zijn voor een goede hergroei.

Wortel van 20 cm diameter die na de verplanting is gevormd vanuit de rand van de kluit
Foto: Huib Sneep

Compensatie van CO2-uitstoot door aanplant van bomen

Voor aanplanten, beheren en oogsten van bomen zijn diverse verdienmodellen ontstaan in het kader van het klimaatbeleid. Het vastleggen van koolstofdioxide in biomassa, waaronder bomen, wordt door certificeringsorganisaties via rekenmethodes ‘vertaald’ naar CO2-kredieten en certificaten, die vervolgens worden verhandeld op een verplichte, dan wel een vrijwillige koolstofmarkt.

Ook zijn er projecten die zonder certificaten werken. Zo is in Arbor Vita 2024/4 een artikel te lezen over de aanplant van bomen op kosten van een Nederlands bedrijf in een landgoed in Frankrijk ter compensatie van (een gedeelte van) hun CO2-uitstoot.

Maar hoe werkt de markt voor koolstofvastlegging door bomen nu precies? Hoe wordt de koolstofvastlegging berekend, wat kosten de certificaten en wat zijn punten van kritiek?

De hoeveelheid CO2 in de atmosfeer
Hoewel het percentage CO2 in de lucht bijzonder klein is (in 2023 maakte CO2 circa 0,0420 procent uit van de lucht) wordt de stijging van het aandeel CO2 beschouwd als de belangrijkste aanjager van het broeikaseffect. Op internationaal niveau zijn afspraken gemaakt om de jaarlijkse wereldwijde uitstoot van koolstofdioxide omlaag te brengen.
In 2023 was die globale uitstoot circa 40 miljard ton CO2 (ook uitgedrukt als 40 gigaton CO2, (40 GtCO2)). Het totale massagewicht van alle CO2 in de aardse atmosfeer was daarmee gegroeid tot 3200 miljard ton CO2. Uitgaande van circa 8 miljard mensen op deze aarde, heeft ieder mens als het ware 400 ton CO2 op z’n schouders. Daar komt ieder jaar per aardbewoner circa 5 ton CO2 bovenop (40 miljard gedeeld door 8 miljard). Maar omdat ongeveer de helft daarvan door planten op het land en algen en wieren in de oceanen weer opgenomen wordt in de biosfeer stijgt het aandeel CO2 in de atmosfeer dus jaarlijks per saldo met circa 20 miljard ton.
Bedrijven en huishoudens kunnen hun specifieke en persoonlijke jaarlijkse CO2-uitstoot berekenen met behulp van op internet gratis te gebruiken rekenmodules. De CO2-uitstoot per Nederlander is gemiddeld 10 ton CO2 per jaar, ongeveer het dubbele van de gemiddelde CO2-uitstoot van een aardbewoner.

Verschil tussen koolstofkredieten en -certificaten
Tijdens de Houtdag in Velp op 21 februari 2025 hield René van der Velde, associate professor Urban forestry aan de TU Delft, een voordracht over ins & outs van koolstofkredieten en -certificaten. De koolstofkredieten komen voort uit het Kyotoprotocol en maken onderdeel uit van een verplichte koolstofmarkt waarop grote bedrijven die te veel CO2 uitstoten extra emissieruimte (krediet) kunnen kopen. Voor één koolstofkrediet mogen zij één ton extra CO2 uitstoten boven op hun door de overheid vastgestelde emissieplafond. Daarvan te onderscheiden zijn koolstofcertificaten, die worden verhandeld op een vrijwillige koolstofmarkt ter compensatie van een bestaande toegestane emissie. Deze certificaten worden gebruikt door bedrijven, organisaties en personen die om uiteenlopende redenen hun bestaande CO2-uitstoot willen compenseren. Die vrijwillige koolmarkt is groeiend en ook grote bedrijven zoals Shell, Microsoft, Unilever en Ahold Delhaize kopen miljoenen koolstofcertificaten in om hun duurzaamheidsdoelstellingen te bereiken.

René van der Velde gaf op de houtdag een lezing over koolstof en bomen

Berekeningen koolstofvastlegging door bomen
De hoeveelheid CO2 die een boom op enig moment heeft opgenomen, is afhankelijk van vele factoren, waarvan groeisnelheid een hele belangrijke is. De groeisnelheid van diverse boomsoorten varieert binnen een bandbreedte van 10 tot 40 kg CO2-opname per jaar (gemiddelde, berekend over de levensduur van de boom). Eucalyptussen kunnen zelfs meer dan 40 kg CO2 per jaar opnemen. Een nog snellere groeier is de Paulownia. Met boomsoorten uit dit plantengeslacht wordt de laatste jaren in veel landen gepionierd. Ondernemers in landen zoals Duitsland, Oostenrijk, Kroatië en Roemenië zijn daar tien jaar geleden al mee begonnen. Maar ook in Nederland zijn er de laatste zeven jaar initiatieven met Paulownia. Agroforestry (‘bomenweides’) met een hybride soort, de Paulownia Shan Tong, een kloon van Paulownia tomentosa × P. fortunei, zou in dit kader veelbelovend zijn. In 2018 is Eric Litjens begonnen met het bedrijf Paulownia-cultures in Deest.

Inmiddels heeft hij 15 hectare aangeplant met Paulownia Shan Tong. Op zijn website noemt hij een gemiddelde CO2-vastlegging per boom van jaarlijks 64 kg. Dit lijkt overigens wel erg hoog ingeschat. In het in 2021 uitgebrachte door Probos uitgebrachte rapport ‘Paulowniateelt in Nederland’ is een vergelijking opgenomen van de Paulowniateelt met de biomassateelt van Wilg. Daarin wordt uitgegaan van jaarlijks respectievelijk 10 ton droge stof per hectare voor Wilg en 16 ton droge stof per hectare voor Paulownia. Dat komt neer op een jaarlijkse CO2-opslag per hectare van circa 18 ton voor Wilg en 30 ton voor Paulownia. Dit zijn indicatieve cijfers, omdat de opbrengst afhankelijk is van het aantal aangeplante bomen per hectare, de cultivar, de weersomstandigheden en de oogstfrequentie. De daadwerkelijke opbrengst van Paulowniateelt in Nederland zal de komende drie jaar blijken.

Paulownia plantage in Deest

Compenseren van 10 ton CO2-uitstoot
Voor het berekenen van de hoeveelheid benodigde bomen om de gemiddelde jaarlijkse uitstoot van 10 ton CO2 van een Nederlander te compenseren, nemen we als referentie een boomsoort die gemiddeld 25 kg CO2 per jaar vastlegt, dus een ton in 40 jaar, en daarmee goed is voor één koolstofcertificaat. De organisatie die een dergelijk certificaat verkoopt, moet aantonen dat het bomenproject voor die veertigjarige periode is gegarandeerd.

Ter vergelijking: René van der Velde rekende tijdens de NDV-Houtdag voor dat een 35 jaar oude boom van 1000 kg, met een droge massa van 47,5%, zo’n 237,5 kg koolstof bevat, wat neerkomt op een vastlegging van 871,63 kg koolstofdioxide en 871,63/35 = 24,09 kg CO2 per jaar. Op veel websites over CO2-compensatie wordt een gemiddelde vastlegging van 25 kg per jaar gehanteerd.

Feitelijke projecten kunnen uiteraard nogal verschillen van het geschetste hypothetische gemiddelde. Het hangt niet alleen af van de boomsoort, maar ook van de oogstwijze. Zo groeien bepaalde soorten Paulownia zo hard dat de bomen binnen tien jaar worden geoogst. Ze hebben dan een stamdiameter bereikt van 30 tot 50 centimeter. Er wordt dan iedere tien jaar verdiend aan het geoogste hout, maar ook aan de CO2-certificaten. Met het genoemde gemiddelde van 64 kg per jaar, zou een Paulownia na 10 jaar 640 kg CO2-vastlegging opleveren. In 35 jaar tijd (in het vierde oogstjaar) is op de ene groeiplaats van een Paulownia dan 2,24 ton CO2 vastgelegd. Vergeleken met de vastlegging van een ‘gemiddelde boomsoort’ uit het rekenvoorbeeld (ongeveer één ton na 35 jaar) is dat meer dan het dubbele.

Wat kost het om CO2-uitstoot vrijwillig via bomenaanplant te compenseren?
Eén koolstofcertificaat staat voor één ton verwijderde of voorkomen CO2-uitstoot. Inmiddels zijn er vele bomenprojectorganisaties die met de uitgifte van CO2-certificaten compensatieaanplant verzorgen, zoals Trees for all, EcoTree, One Tree Planet, Reforestum, Plant-for-the-planet, Eden Reforestation Projects en WeForest. Ook zijn tal van certificerende en verifiërende instellingen in het leven geroepen die de uitgifte van certificaten valideren en controleren. Een tamelijk ondoorzichtig woud aan instellingen.
De organisatie EcoTree (www.ecotree.green) spreekt liever over een CO2-bijdrage. Volgens deze organisatie zijn vooral vermijden en verminderen nodig en levert compensatie maar een beperkte bijdrage met het terughalen van CO2 uit de atmosfeer. Toch biedt ook EcoTree voor een bedrag van circa €75 gecertifieerde koolstofcertificaten aan van projecten in bijvoorbeeld Frankrijk of Denemarken. Een ander voorbeeld, in eigen land, is het agroforestry-project van John Heesakkers, (zie Arbor Vitae 2023/3). Een deel van de bomenaanplant op zijn bedrijf is verzorgd via TreesforAll (www.treesforall.nl) die behalve bomenaanplant in Nederland ook bebossingsprojecten in landen als Panama, Columbia, Mexico en Uganda financiert.
Zij rekent per CO2-certificaat een bedrag van €21,50 en heeft ook niet gecertificeerde projecten, waarbij een inschatting wordt gemaakt hoeveel CO2 de met donaties aan te planten bomen vastleggen.
De organisatie Ecommit (www.ecommit.nl) rekent €85 per certificaat. Het eerdergenoemde bedrijf Paulownia-cultures biedt koolstofcertificaten aan voor €125,-. Die certificaten zijn gevalideerd door de instelling Oncra (Open Natural Carbon Removal Accounting), die 7% ontvangt voor ieder verkocht certificaat. De monitoring en metingen moeten door onafhankelijke experts worden uitgevoerd.

De kosten verschillen dus nogal. Voor het volledig compenseren van een jaarlijkse CO2-uitstoot van 10 ton CO2 kan momenteel een bedrag gemoeid zijn tussen de 215 en 1250 euro. Uiteraard kan men er ook voor kiezen om slechts een gedeelte te compenseren.

Hoe de verdienmodellen voor koolstofvastlegging werken, wordt uitgelegd in een publicatie van het Louis Bolkinstituut. Een belangrijke rol lijkt daarbij weggelegd voor de Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK). De SNK komt voort uit de Green Deal Nationale Koolstofmarkt (opgericht in 2019). Het is een onafhankelijke stichting die beoogt de kwaliteit van koolstofcertificaten te waarborgen. Binnen de SNK-methode ‘Aanleg bos en beplanting buiten bosverband’ kunnen koolstofcertificaten alleen worden verkregen voor de aanplant van bosweides en lijnvormige beplantingen.

Agroforestry kan gedeeltelijk worden gefinancierd door uitgifte van koolstofcertificaten, zoals hier bij het bedrijf van John Heesakkers.

Kritiek
Kritische milieuorganisaties, zoals Milieudefensie, zetten grote vraagtekens bij inzet op CO2-compensatie door het aanplanten van bomen. Als nadelen zien zij de moeilijk te controleren opbrengst, de gevaren van ‘greenwashing’ en de verstoring van kwetsbare ecosystemen. Daarbij zijn er de afgelopen jaren ook de nodige schandalen aan het licht gekomen. Follow The Money schreef een ontluisterend artikel over het Zwitserse klimaatadviesadviesbureau South Pole, dat tientallen miljoenen CO2-certificaten verkocht aan het bedrijfsleven, onder andere in Nederland. De certificaten, uitgegeven voor het grootste bosbeschermingsproject in de wereld (het Kariba-project in Zimbabwe) genereerde in tien jaar grotendeels fictieve CO2-rechten. Van de omzet van 100 miljoen was ondanks afspraken vrijwel niets bij de lokale gemeenschappen terecht gekomen. Ondanks dergelijke schandalen groeit de vrijwillige koolstofmarkt met schommelingen door.

Routekaart koolstofverwijdering
Onlangs bracht de Minister van Klimaat en groene groei het rapport Routekaart koolstofverwijdering uit. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen permanente en tijdelijke opslag van CO2. De koolstofvastlegging door bomen wordt als tijdelijke opslag van CO2 beschouwd en deze gaat een beperkt aandeel van de opgave voor CO2-verwijdering leveren. Maar we zullen er de komende jaren wel het nodige van merken. Hopelijk leidt de beoogde ‘groene groei’ in dit kader tot een daadwerkelijke vergroening, met positieve impuls voor biodiversiteit en bomen.

Invasieve boomsoorten in bossen

Onlangs werd ik geattendeerd op een artikel dat is verschenen op de website van Nature Today. De titel van het stuk (verschenen op 19 november 2024) luidt: Gevestigde invasieve boomsoorten kunnen met ecosysteemaanpak bijdragen aan veerkrachtig bos.

Het is een interessant artikel waarin niet alleen de negatieve kanten worden belicht van de aanwezigheid van niet-inheemse boomsoorten in onze bossen. In tegendeel, op basis van onderzoek wordt hier gesteld dat exoten (al dan niet bestempeld als invasief) wel degelijk een rol kunnen spelen bij de uitdagingen waar de bossen voor staan, zoals klimaatverandering. De moeite waard dus om dit onder de aandacht te brengen. Het artikel is geschreven door Bart Nyssen en Lisa Raats, verbonden aan Bosgroepen (onafhankelijke coöperaties van en voor eigenaren van bos- en natuurterreinen).

Enkele passages uit het artikel:
“Uit recent internationaal onderzoek blijkt dat dominantie van veel invasieve boomsoorten in het bos door de ecosysteemaanpak doorbroken kan worden. Boomsoorten zijn in het verleden om verschillende redenen over continenten verplaatst. Bijvoorbeeld voor de esthetiek, herstel van ecosystemen, verrijking van biodiversiteit of houtproductie. In veel gevallen zijn ze onderdeel geworden van regionale boomsoortenpools over de hele wereld. Sommige soorten vallen op door hun snelle uitbreiding en worden daarom ‘invasief’ genoemd. Onderzoek naar de effecten van invasieve boomsoorten in bossen richt zich vaak op het voorkómen van nieuwe invasies. In dit onderzoek richten we ons op invasieve boomsoorten die al ingeburgerd en wijdverspreid zijn. We spreken hier over established invasive tree species (EITS) ofwel gevestigde invasieve boomsoorten.
EITS kunnen schadelijk zijn buiten bossen, zoals op heiden en in graslanden. Ook binnen bossen kunnen ze aanzienlijke gevolgen hebben voor bosgerelateerde biodiversiteit, ecosysteemprocessen en gerelateerde ecosysteemdiensten. Bovenal kan hun aanwezigheid conflicteren met natuurbehoudsdoelstellingen, omdat ze meestal geen deel uitmaken van de beoogde bossamenstelling. Toch worden er ook voordelen van EITS gerapporteerd. Uit onderzoek blijkt dat zij kunnen bijdragen aan soortenrijkdom, verbetering van de beschikbaarheid van voedingsstoffen en levering van ecosysteemdiensten. Daarnaast wordt door sommige bosbeheerders en onderzoekers gesuggereerd dat EITS onder bepaalde omstandigheden de veerkracht van bossen in een veranderend klimaat kunnen versterken.

Plantengemeenschap met Amerikaanse vogelkers in een bos in Noord-Limburg
Foto: Industrees, CC0, via Wikimedia Commons

In veerkrachtige bosecosystemen kunnen EITS bijdragen aan klimaatadaptatie vanwege hun vaak hogere droogte- en warmtetolerantie en hun pionierkarakter. Dit vertaalt zich in snel herstel van een bosmicroklimaat na grootschalige verstoringen en het vermogen om als verzorgende boomsoort de vestiging van inheemse bomen te bevorderen”.
Het artikel besluit met de conclusie van het onderzoek:
“Ondanks alle verschillen in hoe de aanwezigheid van verschillende invasieve bomen uitpakt in diverse bosecosystemen, heeft de samenleving veel te winnen bij een niet-vooringenomen benadering van deze ‘nieuwe’ boomsoorten. De duurzame levering van bosgebonden ecosysteemdiensten onder snel veranderende klimaatomstandigheden kan er deels afhankelijk van zijn”.
Het volledige Engelstalige rapport is na te lezen op: https://www.resilias.eu/wp-content/uploads/2024/10/paper-Current-Forestry-Reports-3.pdf