Categoriearchief: Dendrovaria

Huidmondjes en determinatie bij Coniferen

Mossen determineer je gewoonlijk met een microscoop, maar ook bij het grote werk, bomen, zijn kleine details van belang. Het bestuderen van huidmondjes hoort bij deze details en kan soms zelfs de doorslag geven voor het bepalen van de identiteit. Ook bij Coniferen.

Huidmondjes zijn te zien als kleine witte stipjes op het blad/naald op de boven en/of de onderkant. Soms zijn ze gegroepeerd in banden, soms zijn ze verspreid over het blad. De kleur varieert van spierwit tot groenachtig. In het veld is een loep van tenminste 20x nodig om iets te kunnen zien. Beter is het nog om thuis het blad of de naald te bekijken met een prepareermicroscoop en 20x en 40x vergroting.

Noordelijke Coniferen
Ik geef een paar voorbeelden van soorten die alle lezers waarschijnlijk wel kennen, maar waarvan misschien niet bij iedereen de microscopische details bekend zijn.

Pinus
En daar stonden we dan met zijn allen tijdens het bezoek van de NDV aan Pinetum De Belten in Vorden. Destijds, in oktober 2019, werd daar een Den met het label Pinus ayacahuite (collectienummer 997) vanwege de zeer grote, lange kegels door NDV-leden als Pinus lambertiana benoemd. Dat leek toen heel logisch, maar … huidmondjes blijken bij deze nr. 997 niet aan alle zijden van de naalden aanwezig te zijn en dit sluit Pinus lambertiana nu juist uit. Deze soort heeft naalden met huidmondjes aan alle zijden van de naalden. De Den met nr. 997 blijkt toch een echte Pinus ayacahuite te zijn. Bij Dennen van de soort P. strobus moet altijd gekeken worden naar de plek waar de huidmondjes wel en niet zitten.

Pinus ayacahuite (De Belten), nr. 997, met een naaldkant zonder huidmondjes
Foto: Rob Kruijt

Abies
Bij de Spaanse zilverspar, Abies pinsapo, worden er twee (Farjon 2017) of drie (Eckenwalder 2009) variëteiten onderscheiden. A. pinsapo var. pinsapo heeft continue, doorlopende lijnen huidmondjes op de bovenzijde van het blad. Bij de andere variëteiten, A. pinsapo var. marocana en var. tazaotana, zijn ze onderbroken. De var. tazaotana heeft iets meer rijen huidmondjes dan de var. marocana.

Tsuga
Bij Tsuga kennen we allemaal het verschil tussen de rijen huidmondjes op de bladonderkanten van T. canadensis (smalle rijen) en T. heterophylla (brede rijen). Ook bij andere soorten Tsuga kunnen huidmondjes het verschil maken: in het Nationaal Bomenmuseum Gimborn in Doorn staat een groot aantal exemplaren van Tsuga jeffreyi. Deze soort is van T. mertensiana te onderscheiden doordat de laatste evenveel huidmondjes op alle naaldkanten heeft, terwijl T. jeffreyi aan één kant alleen aan de top van de naald enkele huidmondjes heeft. Ook de dwarsdoorsneden van de naald zijn duidelijk verschillend.

Tsuga mertensiana (VGA F05A-01) en Tsuga jeffreyi
(VGA F02B-45)
Foto: Rob Kruijt

Zuidelijke Coniferen
Niet alleen bij de Coniferen uit onze streken, ook bij zuidelijke Coniferen kan het bestuderen van huidmondjes uitsluitsel brengen.

Athrotaxis
Dit Tasmaanse genus bevat drie soorten. Een onderscheid is de verdeling van de huidmondjes over de buitenzijde (abaxiale zijde) van het blad. Athrotaxis selaginoides heeft huidmondjes in twee losse banden, maar deze soort is ook duidelijk te onderscheiden van de twee andere soorten door het sparrige uiterlijk. Bij A. cupressoides zijn de huidmondjes verspreid, niet in duidelijke stroken. Bij A. laxifolia zitten de huidmondjes in twee losse banden, dichter bij elkaar dan bij A. cupressoides. Omdat A. laxifolia een natuurlijke hybride is van de twee andere soorten met diverse mate van terugkruising (Worth et al. 2016), lijkt het alsof de verdeling van de huidmondjes ‘ertussenin zit’ ten opzichte van de twee andere soorten. Dit kenmerk is handig bij het onderscheiden van A. cupressoides en A. laxifolia.

Pinus ayacahuite (De Belten), nr. 997, met een naaldkant zonder huidmondjes
Foto: Rob Kruijt

Diselma (Cupressaceae) vs. Microcachrys (Podocarpaceae)
Deze twee Tasmaanse soorten zijn lastig uit elkaar te houden zonder zaadkegel. Het determineren gaat bij de aanbieders daarom wel eens mis. Ook hier brengen huidmondjes duidelijkheid: Microcachrys tetragona heeft géén huidmondjes aan de abaxiale zijde van het blad, Diselma archeri heeft dat wel.

Voor de echte veldmensen van de NDV is dat gepruts onder een microscoop misschien saai. Maar u ziet: de plek, de aantallen en het voorkomen of de afwezigheid van huidmondjes op een plant kunnen een doorslaggevend soort- of soms zelfs genuskenmerk zijn. Los van the devil is in the detail, is het ook gewoon mooi om de microscopische details te zien: er opent zich, letterlijk, een nieuwe wereld.

Literatuur
J. Eckenwalder (2009). Conifers of the World. Timber Press. London.
A. Farjon (2017). A Handbook of the World’s Conifers, Brill.
J.R.P. Worth, M.J. Larcombe, S. Sakaguchi, J.R. Marthick, D.M.J.S. Bowman, M. Ito & G.J. Jordan (2016). Transient hybridization, not homoploid hybrid speciation, between ancient and deeply divergent conifers, Am. J. Bot. 1 03 (2): 246-259.

*Rob Kruijt is Wetenschappelijk Collectiebeheerder Pinetum Blijdenstein, Hilversum (PBH)

Calocedrus decurrens ‘Aureovariegata’ uit 1935 geveld door storm

Op 18 februari 2022 aan het eind van de middag kregen we bij Trompenburg in Rotterdam de volle laag van de storm Eunice. Het had de hele middag al flink hard gewaaid. Tegen kwart voor vijf woeien er in één enorme windvlaag uit het zuidwesten enkele bomen compleet om, andere bleven scheef staan, zware takken waaiden uit boomkronen en zelfs enkele flinke rododendrons gingen plat. Niet alleen bij ons dus want er kwamen
uit het hele land meldingen uit collega-tuinen dat de wind er behoorlijk had huisgehouden.

Omwaaien gebeurt van tijd tot tijd
We weten allemaal dat omwaaien niet uniek is. Eens in de zoveel tijd waaien er nu eenmaal bomen om. In Trompenburg heb ik dat in de afgelopen decennia meerdere malen meegemaakt. Wij wijten dat aan onze venige toplaag en de dunne bewortelbare laag grond door de hoge grondwaterstand. Wat ook een rol speelt is de leeftijd van de boom, hoe ouder en omvangrijker des te gemakkelijker hij een prooi wordt bij hele harde wind.
Deze keer was enkele weken tevoren ook al hele harde wind (een storm dus) én een hele regenrijke periode geweest. De bodem was doorweekt en de bomen hadden de weken tevoren al staan schudden. Ze stonden daardoor niet meer zo stevig verankerd. Op die 18e februari woeien er in Trompenburg dus weer eens een paar bomen om waaronder onze in 1935 geplante Calocedrus decurrens ‘Aureovariegata’. En dat nou juist díe omwoei vond (en vind) ik erg jammer. Vorig jaar heb ik nog staan genieten van de boom en foto’s gemaakt. De aanleiding daarvoor was een post op Instagram over een hele grote Calocedrus decurrens ‘Aureovariegata’ in Engeland. Mijn indruk was dat wij een grotere hadden! Dat ‘hadden’ is nu dus realiteit.

Calocedrus decurrens ‘Aureovariegata’ in september 2021
Foto: Gert Fortgens

Geurend potlood
De cultivar ‘Aureovariegata’ wordt naar het schijnt voor het eerst genoemd door Beissner in 1896 in zijn artikel ‘Neues und Interessantes auf dem Gebiete der Nadelholzkunde’. Dit artikel verscheen in Mitteilungen der Deutschen Dendrologischen Gesellschaft. Sindsdien is de cultivar opgenomen in het sortiment van coniferenkwekers en gelukkig nog steeds te koop. Wij hebben inmiddels weer een kleintje opgeplant staan.
Het opruimen van de boom was veel zaagwerk. En met dat zagen komt de heerlijke geur vrij van het hout. In het Nederlands heet hij de Wierookceder, maar ik associeer de geur met het hout van een vers geslepen potlood. Voor mijzelf noem ik hem daarom Potloodceder. Maar dat is eigenlijk de Nederlandse naam voor Juniperus virginiana. En dat hout vind ik dan weer helemaal niet naar potlood geuren. Beide houtsoorten, en vooral Calocedrus, worden overigens wel gebruikt voor potloden.

De Calocedrus decurrens ‘Variegata’ uit 1935, omgewaaid in 2022
Foto: Gert Fortgens

Eerdere stormslachtoffers
Een eerdere Calocedrus die stormslachtoffer bij ons werd was de cultivar ‘Pillar’. Een strak opgaande Conifeer die bij de kwekerij Konijn in begin jaren 1960 is gevonden in een zaaisel. Wij hebben hem in 1966 geplant maar bij een storm in 2012 is hij omver geblazen. Al eerder in 2007 was er, ook bij harde wind, een flink stuk uit de kroon gewaaid. Het bleek een lange opgaande tak die met een plakoksel vast zat aan de hoofdstam. Door de dichte opgaande vertakking was die plakoksel niet eerder opgevallen. Bij andere gevallen van stormschade in oude coniferen zie ik wel vaker dat dikke takken met een plakoksel uitbreken. In onze Thuja plicata uit 1870 is zo’n wond nog steeds goed zichtbaar. En een recente (ook van 18 februari) grote wond is ontstaan in de Cedrus deodara uit 1930. Op ongeveer 10 meter hoog is een van drie hoofdtakken (eigenlijk meer drie stammen) uitgebroken. Het was ons nog niet eerder opgevallen maar ze zaten op één hoogte voor een flink stuk tegen elkaar aan. Nu een van de drie is uitgebroken zie je heel goed (beter met een telelens of verrekijker) dat in de ruimte tussen de takken iets moet zijn gaan wortelen. Een draderige massa kleeft nog aan de overgebleven stam. Geen idee wat dat geweest kan zijn. Het is vrijwel zeker weggewaaid maar gevonden hebben we het niet. Even dacht ik toen ik het weefsel zag zitten op de stam dat de Ceder adventief wortels had gemaakt in de oksel. Dat zou pas een interessante vondst zijn geweest!

De grootste wintergroene Eik?

Een delegatie van boomliefhebbers uit Oirschot was in november 2021 bij Gert Fortgens op Trompenburg Tuinen & Arboretum met enkele takken en eikels van een kanjer van een wintergroene Eik die het centrum van ons dorp jaarrond opfleurt.

Onze bedoeling was deze Eik eindelijk de juiste tenaamstelling te geven: binnen het IVN heette hij een Quercus ×hispanica ‘Lucombeana’, maar de kenners van Monumentaltrees.com noemden hem Quercus ×turneri ‘Pseudoturneri’. Er waren echter gerede twijfels over beide tenaamstellingen.

Gert Fortgens toonde ons de Rotterdamse exemplaren van beide soorten en ook van de jonge Quercus ×kewensis (een kruising tussen Quercus cerris (Moseik) en Quercus wislizenii). Dat overtuigde ons: deze Oirschotse Eik is ook een Q. ×kewensis.

Mooi is te zien hoe de Quercus ×kewensis inmiddels boven het herenhuis uittorent
Foto: Elly Pouwels

Terug in het dorp bezochten we de historische vereniging om te proberen een aanplantmoment te vinden. Er zijn namelijk vele ansichtkaarten van het centrum van Oirschot in deze collectie. Op basis van deze visuele getuigenissen kwamen we tot de voorzichtige conclusie dat onze Eik ergens tussen 1920 en 1950 moet zijn geplant. We zoeken verder om te proberen te achterhalen waarom het deze boom moest worden op deze plek. Was de architect of de opdrachtgever van het herenhuis een bomenliefhebber die bij de tijd was? Immers deze boom is pas in 1914 ‘ontdekt’ en op naam gebracht in Kew Gardens.
Gegevens van de regionale contactpersoon van de Bomenstichting leert dat onze boom in 2014 zo’n 17m hoog was. Zelf stelden we onlangs een omtrek vast van 3,1 m en een kruindoorsnee van zo’n 25 meter.

Graag willen we de lezers van Arbor Vitae vragen of onze Q. ×kewensis misschien wel de grootste en dikste van Nederland is. De mooiste is ie zeker.