Twee herdenkingsbomen onder de loep – Vraagtekens bij determinatie van Tilia americana

Twee aan Juliana toegewijde ‘koninklijke bomen’ in de gemeente Leiden trokken medio 2025 onze aandacht. De ene is aangeplant in 1909 in het Rembrandtpark langs het Noordeinde ter gelegenheid van de geboorte van de prinses en de andere in 1948 op het Gerecht, een plein in het centrum van Leiden, bij haar inhuldiging als koningin.

De in 1909 aangeplante boom staat op het daarnaast geplaatste informatiebord te boek als Zomerlinde (Tilia platyphyllos), maar blijkt bij nadere beschouwing een Amerikaanse linde te zijn (Tilia americana). Ondersteunend bewijs daarvoor vonden we bovendien in het Leidsch Dagblad van 11 juni 1909, waarin staat vermeld: “[…] de geboorte van Prinses Juliana […] alhier een boom geplant, een Amerikaansche linde.” En de op 6 september 1948 aangeplante herdenkingsboom wordt in het Leidsch Dagblad van 7 september 1948 vermeld als ‘grootbladige linde’. In het gemeentelijk bomenbestand staat deze evenwel te boek als Hollandse linde (Tilia ×  europaea). Maar klopt dat wel?

Tilia americana op het Gerecht.
Foto: Eduard Groen

Duidelijke kenmerken
Bij het determineren van Lindesoorten (Tilia) spelen bloemen, schutblad, bladvorm, nervatuur en beharing vaak een belangrijke rol. In de zomer van 2025 viel het de bomenkenner Hans van Daalen op dat bladeren van de boom op het Gerecht groter zijn dan gebruikelijk bij een Hollandse linde. Het kon dus een Zomerlinde zijn, oftewel een Grootbladige linde, maar de typische beharing van de nerven, een kenmerk van deze soort, ontbrak. Tijdens de bloei in juni viel hem bovendien op dat de boom meer bloemen heeft dan kenmerkend is voor een Tilia platyphyllos. De bloeiwijze van Zomerlinde bevat meestal maar drie bloemen. Deze boom heeft er aanmerkelijk meer per bloeiwijze (vijf tot acht). Bovendien steekt het schutblad ruim (>1cm) boven de bloemen uit.

Bladeren en vruchten van de Linde op het Gerecht.
Foto: Eduard Groen

‘Lastig’ kenmerk
Wat het determineren ook lastig maakte, was dat auteurs elkaar tegenspreken bij het kenmerk staminodium (steriele meeldraad). Volgens Boeijink et al. heeft de Amerikaanse linde geen staminodia. In ‘Dendrologie van de lage landen’ staat dat ze die wel heeft. De monografie van Pigott vermeldt (met tekening) ook dat ze die heeft. De bloemen van beide Juliana-Linden hebben staminodia. Voor de Hollandse linde vermeldt zowel Boeijink als Pigott dat staminodia ontbreken. In ‘Dendrologie van de lage landen’ staat niets vermeld over dit kenmerk voor deze soort.

Uit de determinatie blijkt dat de Linde op het Gerecht in werkelijkheid ook een Tilia americana is: grote bladeren, zeer scheve bladvoet, schutbladen langer dan bloeiwijze, veel bloemen, geen beharing op de nerven, aanwezigheid steriele meeldraden. Het feit dat in de gemeente Leiden twee Amerikaanse linden zijn aangeplant voor Juliana (en dit heden ten dage ‘vergeten’ blijkt te zijn), is op zichzelf onvoldoende reden om er een artikel aan te wijden. Maar er is nog iets dat we kwijt willen…!

Bloeiwijze van Tilia americana op het Gerecht.
Foto: Eduard Groen

Afstaande haren aan de bladrand
Tijdens het determineren is Hans van Daalen een kenmerk van de Amerikaanse linde (Tilia americana) opgevallen dat tot dusver niet expliciet genoemd wordt in diverse toonaangevende determinatiewerken: de aanwezigheid van afstaande haren aan de bladrand. Het betreft duidelijk afstaande haren die zich langs de rand van de bladschijf bevinden. Deze zijn bij voldoende vergroting goed zichtbaar. De haren komen over de gehele rand van het blad voor, in tegenstelling tot bijvoorbeeld borstelharen die soms slechts aan de top of basis van het blad worden gezien bij andere Lindesoorten.

Het gaat hier nadrukkelijk niet om de haren in de bladoksels (domatium ofwel okselbaard), die vaker benoemd worden bij determinatie van Linden, maar om een beharing langs de bladrand zelf. Dit kenmerk kan mogelijk van waarde zijn bij het onderscheiden van T. americana van andere soorten of cultivars.

Behaarde bladrand van Tilia americana op het Gerecht
Foto: Hans van Daalen

Het is opmerkelijk dat dit kenmerk niet voorkomt in enkele gezaghebbende determinatiewerken:

  • Tilia L. (Malvaceae) – Vegetative Key to Species in Cultivation – J. De Langhe
  • Loofbomen, in en buiten het bos – D.E. Boeijink
  • Dendrologie van de Lage Landen – J. de Koning & W. van den Broek
  • Lime-trees and Basswoods – D. Pigott

In geen van deze bronnen wordt melding gemaakt van afstaande haren aan de bladrand als kenmerk voor T. americana. Dit roept de vraag op of het kenmerk mogelijk over het hoofd wordt gezien, of dat het slechts in bepaalde ecotypen of cultivars voorkomt. Ook is het mogelijk dat dit kenmerk als ‘algemeen’ beschouwd wordt en daarom niet als determinatiehulp vermeld wordt.

Daarom stellen wij via deze weg een vraag aan collega-dendrologen en boomkenners:

Herkennen jullie dit kenmerk van afstaande haren aan de bladrand bij Tilia americana? En zijn er determinatietabellen of bronnen bekend waarin dit kenmerk wél benoemd wordt? Waarnemingen, foto’s en referenties zijn van harte welkom. Een beter begrip van deze beharing kan bijdragen aan nauwkeuriger determinatie en mogelijk zelfs inzicht geven in genetische variatie binnen de soort.

Reacties kunnen worden gericht aan de redactie.

Platycarya strobilacea, een opvallend buitenbeentje in de notenfamilie

Als je Platycarya strobilacea zonder vruchten of bloemen ziet, dan kun je nog gemakkelijk vaststellen dat hij thuishoort in de Juglandaceae, maar de vruchten kunnen je zeer misleiden. Die lijken, zoals de wetenschappelijke soortnaam al aanduidt, net kegels, zoals bij veel coniferen.

Lang telde het aparte geslacht Platycarya van de familie Juglandaceae P. strobilacea als enige soort, met een groot areaal in gematigde gebieden van Japan, Korea en Vietnam en grote delen van China. Recent is nog een tweede soort beschreven, P. longzhouensis, met een klein areaal in de Chinese provincie Guangxi. Zowel het geslacht Platycarya als de soort strobilacea werden in 1843 beschreven door Siebold en Zuccarini. In 1844 vond de bekende Engelse plantenjager Robert Fortune de soort in China. Lindley noemde de plant naar de vinder Fortunaea chinensis en beschouwde het als de belangrijkste nieuwe vondst van Fortune. Maar thans is het dus alleen nog een synoniem.

Habitus van <em>Platycarya strobilacea</em>
Habitus van Platycarya strobilacea
Foto: Ineke Vink

De bloei van Platycarya is heel apart binnen de familie. Het bijzondere is dat er een krans van 4 tot 8 rechtopstaande, 2 tot 15 cm lange mannelijke katjes staat rond de vrouwelijke bloeiwijze die op een kegel lijkt. Deze laatste staat ook rechtop en is met 2 tot 3 cm zeer gedrongen en met veel bloemen. Ze is aanvankelijk groen en kleurt later kastanjebruin. De zeer kleine, gevleugelde zaden worden door de wind verspreid. De bomen en struiken van de soort worden tot 10 m hoog. Het geveerde blad telt 1 tot 15 zittende blaadjes en is 8 tot 30 cm lang. P. strobilacea is in ons klimaat voldoende winterhard, maar helaas maar zelden te zien in tuinen en openbaar groen.

<em>Platycarya strobilacea</em> met duidelijk zichtbare kegels
Platycarya strobilacea met duidelijk zichtbare kegels
Foto: Ineke Vink

Binnen de familie van de Juglandaceae werd Platycarya tot voor kort gerekend tot de onderfamilie Juglandoideae. In deze onderfamilie horen bekende geslachten thuis als Carya, Juglans, Pterocarya en het minder bekende geslacht Cyclocarya. Recent werd het geslacht in de aparte onderfamilie Platycaryoideae geplaatst. In deze onderfamilie zijn verder nog enkele fossiele geslachten. Van de twee overige onderfamilies horen de Engelhardioideae met drie soorten thuis in tropisch Zuidoost-Azië en de Rhoipteleoideae met één soort in Zuidoost-China.

Oudere en jongere kegels en mannelijke katjes
Oudere en jongere kegels en mannelijke katjes
Foto: Ineke Vink

Toch nog een derde soort?
Diverse Chinese biologen hebben vanaf 2020 populaties van Platycarya bestudeerd in twee gebieden in China met karststeenkalkhabitats. Zij vonden dat daar aanwezige populaties al ruim 2 miljoen jaren gescheiden waren van andere populaties van de soort. Op basis van genetische verschillen onderscheiden ze daarom de aparte soort P. longipes, een soort die in 1940 door Y.C. Wu beschreven werd. Ondanks deze divergentie zijn beide soorten nauw verwant en had men waarschijnlijk beter kunnen spreken van twee ondersoorten. Plants of the World online plaatst P. longipes als synonymie van P. strobilacea, zich beroepend op een Koreaanse publicatie. Mijns inziens niet terecht omdat die publicatie uit 2014 dateert, dus vóór de Chinese studies. De soorten vertonen dus genetische verschillen, maar waarschijnlijk geen morfologische.

Mannelijke katjes rondom een vrouwelijke bloeiwijze
Mannelijke katjes rondom een vrouwelijke bloeiwijze
Foto: Gert Fortgens

Zaterdag 18 oktober, Venlo en omstreken

Programma
9.30 uur Ontvangst in de Jochumhof in Steyl (Gemeente Venlo) met koffie/thee en jawel de echte Limburgse vlaai! De deelnemer betaalt zelf de toegang van €4,50 voor de tuin

10.00 uur Rondgang door de Botanische Tuin en de Sequoiahof onder leidong van Pierre Theunissen

12.00 uur Lunch in de tuin mogelijk in restaurant. Ook mogelijk lunch zelf meebrengen en buiten het restaurant nuttigen.

13.00 uur Vertrek naar Venlo

13:30 uur Bezoek van het Floriadeterrein van 2012. We kunnen daar uitgebreid discussiëren en rondkijken. De bomen staan daar nog precies zoals ze voor de Floriade van 2022 zijn geplant

16.00 uur Einde excursie

Adressen
Botanische Tuin Jochumhof, Maashoek 2B, Steyl (Venlo) Parkeren in de omgeving Floriade terrein, St Jansweg 15, Venlo. Parkeren op groot P-terrein vlakbij.

Kosten
De deelnemer betaalt zelf de toegang voor de tuin van de Jochumhof (€4,50). Er zijn verder geen kosten aan de excursie verbonden.

Maximumaantal deelnemers
Het maximaal aantal deelnemers is 40.

Organisatie
Pierre Theunissen, John Heemskerk en Harry de Coo

Aanmelden
Aanmelden via het aanmeldformulier voor activiteiten.