Ik ben Ad van der Maden, inmiddels 70 jaar en altijd bezig geweest met het verzamelen van planten in allerlei vormen en soorten. In mijn tuin in Dongen staat dan ook een indrukwekkende collectie bomen, struiken, bolgewassen en vaste planten.
Ik kom van een boerenbedrijf waar ik opgroeide met liefde voor het groen. Mijn ouders hadden ook groene vingers. Ik heb de lagere en de middelbare tuinbouwschool gedaan en daarna tien jaar diverse opleidingen gevolgd. Ik ben begonnen in de bloemisterij. Als 12-jarige ging ik in mijn vrije tijd bij een kwekerij aan de slag. Mijn baas was een bloemenkweker in hart en nieren en een gedreven specialist. Van hem leerde ik wat fijne kneepjes van het vak. In die tijd maakte ik met ruitjes van 40 x 60 cm een eigen platte bak voor o.a. wat Geraniumstekje en éénjarige planten. En zo is het begonnen.
Ad van de Maden bij Cercis canadensis ᴇᴛᴇʀɴᴀʟ ꜰʟᴀᴍᴇ. Foto: Ineke van Teylingen
Daarna heb ik bij een kweker van grote kamerplanten gewerkt, gevolgd door werken op een boomkwekerij. In mijn jongere jaren heb ik bij de zogenaamde oude rotten uit de boomkwekerij heel veel kennis opgedaan en planten gedeeld. Ik was 14-15 jaar toen ik een studiedag bijwoonde bij Harry van de Laar over de naamgeving van de Ericaceeën. Dat was de aanleiding om alle planten die ik toen had, van de juiste naam te voorzien.
Eind jaren 80 werd ik tuinman/amanuensis op een scholengemeenschap. Daarna werkte ik, tot aan mijn pensioen, bij een werkvoorzieningsschap als werkvoorbereider en uitvoerder. Ik heb veel lezingen gehouden en enkele artikelen geschreven en haalde daar veel voldoening uit. Nog altijd ben ik bezig met verzamelen en, zoals mij ooit is verteld, al staat het nog zo vol, er is altijd wel een plekje voor iets nieuws te vinden.
Overzicht van de rotstuin. Foto: Ineke van Teylingen
Vaak vraagt men naar mijn favoriete plant of soort. Dat is zéér moeilijk aan te geven maar de Idesia polycarpa (Oranjekers), de Lindera’s (Koortsstruik), de Sarcococca’s (Vleesbes) en de Viburnums behoren wel tot mijn favorieten. Maar elke plant heeft zijn schoonheid met zijn eigenaardigheden en met verschillende kenmerken in elk jaargetijde. Zo ben ik dol op herfstkleuren van bijvoorbeeld de Lindera, de Photinia, de Euyonymus en de Viburnums. Ook vele vaste planten geven een fantastische herfstkleur zoals o.a. de Cynanchum en de Vernonia.
In mijn leven ging het groen altijd voor. Met behulp van diverse kwekers heb ik een grote collectie bomen en struiken bij elkaar kunnen brengen. In mijn tuin staan o.a. een aantal Ginkgo’s en Eiken, die in bladgrootte, textuur en herfstkleuren heel verschillend zijn. Er staan ook veel bolgewassen en vaste planten, die weer wat extra kleur aan de tuin geven. Ik vind het belangrijk dat al mijn planten voorzien zijn van een etiket met de juiste wetenschappelijke naam, opdat ook de bezoeker juist wordt geïnformeerd. Planten die écht de moeite waard zijn en nooit door de vinder zijn uitgebracht, neem ik ook graag op in mijn collectie om ze te behouden. Er staan er enkele van in onze collectietuin en mogelijk dat er nog iets mee gedaan wordt, nadat ik ze heb uitgetest. De tijd zal het leren.
Enkele soorten uit de tuin van Ad van der Maden (foto’s: Ineke van Teylingen en Gert Fortgens)
Het is een regelmatig terugkerende discussie: worden er wel de juiste bomen aangeplant in onze bossen en andere natuurgebieden? En behouden we op deze manier onze inheemse, autochtone populaties?
Flora wordt inheems genoemd als de soort zich na de laatste ijstijd spontaan in een gebied heeft gevestigd. Autochtoon zijn de populaties die zich generaties lang genetisch hebben aangepast aan de omstandigheden in een bepaald gebied (een zogenaamde klimaatregio, Nederland maakt deel uit van de klimaatregio Nederland/West-Vlaanderen), dus eigenlijk de plaatselijke nakomelingen van een inheemse soort, ook wel wilde flora genoemd. Binnen Natura 2000 is geregeld en geaccepteerd dat landen ernaar moeten streven iets van hun wilde flora, dus ook de wilde bomen en struiken, in stand te houden en te behoeden voor uitsterven. Dan gaat het dus om bomen en struiken die zich spontaan hebben gevestigd en waarvan de nakomelingen zich zonder (noemenswaardig) toedoen van de mens hebben weten te handhaven. Uit onderzoek van Bert Maes en anderen in de afgelopen 35 jaar blijkt echter dat het aandeel inheemse, autochtone bomen en struiken in nog aanwezige in situ bronpopulaties eind vorige eeuw tot een minimum was gedaald. Circa 3 tot 5% was nog maar inheems autochtoon te noemen en terug te vinden in de bronpopulaties.
Assortiment vruchten en zaden van inheems autochtoon materiaal Foto: Lammert Kragt
In Nederland komen ongeveer 100 tot 110 inheemse boom- en struiksoorten (inclusief halfheesters) voor met wilde populaties. Zo’n 10% daarvan is uitgestorven (de soort bestaat nog wel, maar het oorspronkelijke autochtone genetische materiaal niet meer), of bestaat alleen nog uit hele kleine aantallen. Van het oorspronkelijke materiaal en wat daar nog van over is, is 50% ernstig bedreigd geraakt in nog bestaande plaatselijke populaties. Jaarlijks verdwijnen er regionaal inheemse soorten met wilde (autochtone) herkomst. Deze achteruitgang heeft voornamelijk te maken met niet adequaat of gericht beheer van onze oude bosrestanten en houtwallen, naast de invloed van ontwatering, mest en gifstoffen. Zo golden tot en met de middeleeuwen strenge wetten en bepalingen omtrent de instandhouding van bossen (Jaap Buis, 1985. Historia Forestis) maar nadat die losgelaten werden, zette de achteruitgang zich snel in. Toch zouden we graag zien dat op het eind van deze eeuw de dan levende generaties nog steeds iets van onze wilde, houtige flora in ons landschap kunnen zien en ervaren. En niet alleen in arboreta.
Het is goed om de rol van wilde/autochtone bomen en struiken enerzijds en de rol van bomen en struiken in het algemeen (natuur, recreatie, productie) goed van elkaar te scheiden, hoewel er ook heel goed sprake kan zijn van een mengvorm (autochtone beplanting gebruiken die voldoet aan de eisen van het gewenste doel). Maar instandhouding van onze meest complexe landschapselementen met inheemse, wilde bomen en struiken is, alleen al uit voorzorg, wel verstandig. Hoe Staatsbosbeheer dat in Nederland wil doen, wordt hierna uitgelegd.
Vijlenerbos, oude bosgroeiplaats Foto: Lammert Kragt
De aandacht voor inheemse, autochtone bomen en struiken dateert uit de jaren ‘80 van de vorige eeuw en heeft zich nadien verder ontwikkeld in beleid en aanpak. Staatsbosbeheer heeft tussen 2005 en 2013 alle terreinen in eigendom en beheer door Maes laten inventariseren op mogelijk aanwezige bronpopulaties. Dat is tussen 2015 en 2018 nog een keer herijkt. Rapporten daarvan staan in het databestand van het Centrum voor Genetische Bronnen (CGN). Andere terreinbeheerders, zoals Natuurmonumenten en een aantal Provinciale Landschappen, zijn zover echter nog niet en staan pas aan het begin van een dergelijke monitoring.
In 2006 is op basis van mondiale, Europese en nationale afspraken (zie o.a. bijlage 1 bij nota en wet Bronnen van ons bestaan; behoud en duurzaamheid van genetische diversiteit) de genenbank voor bomen en struiken in de terreinen van Staatsbosbeheer ingericht (het Bronnenbos in boswachterij Roggebotzand). Circa 50 ha genenbank ex situ voor inheemse, autochtone bomen en struiken. Het oorspronkelijk materiaal hiervoor is verzameld binnen de klimaatregio Nederland/West-Vlaanderen, vanuit bronpopulaties. Het gaat dus om een klimaatregio-brede representatie van wat we nog hebben en in stand willen houden om drie belangrijke pijlers te waarborgen: klimaatbestendigheid, biodiversiteit (alle levensvormen die met deze soorten zijn verbonden) en ziektebestendigheid. Een collectie van een soort moet tenminste uit 30 verschillende genotypen bestaan, anders mag ze niet in de genenbank worden opgenomen. Dit zou anders de genetische basis versmallen. Alle oogstlocaties in- en ex situ staan geregistreerd in de Nederlandse Rassenlijst voor bomen en struiken.
De genenbank kent twee doelen:
conservering door bijeen te brengen van wat er nog is en waar mogelijk de genetische basis verbreden met materiaal uit nieuw gevonden bronpopulaties
vanuit de diverse collecties teeltmateriaal oogsten (zaad, stek) voor de vermeerdering via de boomkwekerijen die hiertoe gespecialiseerd zijn en het plantmateriaal (bosplantsoen) dat hieruit voortkomt door Staatsbosbeheer en andere organisaties planten in het bos en landschap binnen de klimaatregio. Dat kan in bestaand bos en landschap maar ook in nieuw aan te leggen bossen en landschappelijke beplantingen.
Dat werk wordt door Staatsbosbeheer uitgevoerd en is een wettelijk opgedragen taak van deze organisatie. Het staat onder toezicht van het CGN (wetenschappelijk toezicht) en NAK-tuinbouw (controle op in omloop brengen van teeltmateriaal en fyto-sanitaire hygiëne).
Oogsten van Meidoorn Foto: Lammert Kragt
Inheemse, autochtone herkomsten hebben een eigen status (SI = Source Identified) in de Nederlandse Rassenlijst. Staatsbosbeheer, afdeling Zaad & Plantsoen, heeft dit indertijd geïnitieerd om hiermee ‘gerommel’ te voorkomen. Deze categorie is vastgelegd in EU Richtlijn 1999/105/EG. De komende tijd wordt deze richtlijn omgezet naar een verordening en is daarmee, als een nog stringenter beleid, bindend voor alle EU-lidstaten.
Tussen 2010 en 2020 heeft dat per jaar circa 400.000 inheemse, autochtone, jonge bomen en struiken opgeleverd die allen een plaats hebben gekregen in bestaand of nieuw aangelegd bos en landschap. Vanaf 2020 is daar dankzij de Nationale Bossenstrategie een fors tandje bovenop gezet. Nu leveren we, in samenwerking met de boomkwekerijen, 800.000 autochtone bomen en struiken per jaar af. Omgerekend kom je op: (10 jr * 400.000 stuks) + (5 jaar * 800.000 stuks) = 8.000.000 inheemse, autochtone planten die het Nederlandse bos en landschap verrijken en daarmee hun autochtone voorgangers representeren en weer terugbrengen.
Daarnaast is het CGN gestart met een plan om, op basis van Europese afspraken, genenbewaringsunits in te stellen. Verspreid over het land zijn plaatsen aangewezen (bossen en landschappelijke beplantingen) waar zich nog oorspronkelijke bronpopulaties bevinden. Die populaties worden, voor zover dat nog niet het geval is, in kaart gebracht. Tevens wordt er ook actief gezocht naar mogelijk nieuwe, nog niet bekende populaties. Deze populaties worden gericht beheerd om ervoor te zorgen dat de populatie zich tenminste kan handhaven en zo mogelijk weer langs natuurlijke weg kan uitbreiden.
Zaden van Juniperus communis Foto: Lammert Kragt
Hoe worden nu de inheemse, autochtone bronpopulaties van soorten bepaald? Als ijkpunt wordt het landschap voor 1850 genomen: er wordt gekeken naar restanten van bossen en landschappelijke beplantingen die toen aanwezig waren. De populaties moeten zich in ongestoorde situaties bevinden waar bomen en struiken zich vanaf de laatste ijstijd in grote mate zelf hebben weten te handhaven door de eeuwen heen.
Verder zijn de morfologische (o.a. bladvorm, bloeiwijze) en de genetische (DNA) kenmerken van de betreffende plant/populatie belangrijk. Zekerheid is echter lang niet altijd te geven, dus het blijft een vermoeden met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat het dan om een inheemse, autochtone bronpopulatie gaat. Tijd, ruimte en andere invloeden, kortom de natuur, bepalen mede de oorsprong. Verder weten we veel van de moederplanten maar slechts weinig of niets van de vaderplanten. Dat geldt met name voor windbestuivers, maar er zijn ook lokale voorbeelden van ingekruist materiaal.
Momenteel is er een stroming die alleen kiest voor zeer lokaal, autochtoon materiaal. Dus zaad winnen van locatie X, daar planten van telen en die op locatie X en omgeving terug planten. Dat maakt de uiteindelijke genetische basis echter zeer smal met als gevolg allerlei problemen in tijd (ziekten). Verder is uit archeobotanisch onderzoek duidelijk naar voren gekomen dat veel huidige zeldzame en zeer lokaal gebonden soorten eerder ook op (veel) andere geschikte groeiplaatsen in het land voorkwamen. Een voorbeeld is de wilde appel (Malus sylvestris). Het is de kracht van de genenbank dat daar populaties staan die genetisch representatief zijn voor de gehele klimaatregio.
Anderzijds is er nog zeer veel onkunde en soms stuitende domheid op dit gebied. Een voorbeeld (waar gebeurd); een instelling vraagt naar autochtone Tamme kastanje (Castanea sativa). Dus een Nederlands-Vlaamse herkomst categorie SI. De kweker bevestigt dat die te krijgen is, maar levert uiteindelijk Castanea sativa met als herkomst Bulgarije (autochtoon). Voor de afnemer geldt daarom dat je duidelijk moet aangeven wat je wil hebben en altijd de correcte papieren erbij moet eisen. Blijkt dat het niet gaat om een Nederlands-Vlaamse autochtone herkomst, dan neem je de partij niet af en meld je de situatie bij NAK-tuinbouw.
In bossen en landschapselementen met accent natuur en een Natura 2000 status worden altijd en alleen inheems autochtone bomen en struiken geplant. In multifunctioneel bos (met houtproductie) worden als basis inheemse bomen en struiken geplant. De struiken zijn inheems autochtoon en de bomen zoveel als mogelijk of anders van goede en erkende bosbouwkundige herkomst in Nederland.
Bloeiende Berberis vulgaris in de genenbank Foto: Lammert Kragt
Er is niks mis met exoten, in tegendeel, ze vormen vaak een waardevol, eeuwenoud erfgoed en zijn belangrijk voor onze woonomgeving. In onze complexe bosecosystemen, met samenhang van mycorrhiza, insecten, bodemfauna enz., spelen exoten echter vaak een minder positieve rol, zeker als ze invasief zijn. Logisch, omdat ze niet aan onze levensgemeenschappen en ecosystemen zijn aangepast. Toch kunnen ze ook voor onze bossen soms een waardevolle aanwinst zijn. In het kader van de klimaatontwikkeling worden dan ook kleine pilots (in het kader van het LIFE Climate Forest programma van Staatsbosbeheer en de Bosgroepen) geplant met zowel inheemse als uitheemse bomen. Het gaat daarbij om andere Europese boomsoorten die van oorsprong van elders komen, maar die al lang in Europa zijn ingeburgerd, zoals de Douglasspar. Maar ook om nieuwe soorten zoals Liriodendron, Sequoiadendron, Carya etc. of Europese soorten die elders in Europa inheems zijn zoals Corylus colurna of Sorbus torminalis (ook wel Torminalis glaberrima genoemd). In het kader van klimaatslim bosbeheer wordt geprobeerd op basis van waarneming en monitoring of deze soorten een waardevolle aanvulling in de tijd kunnen betekenen. In de voormalige terreinen van het Rijksinstituut voor Onderzoek in de Bos- en Landschapsbouw (RIBL) de Dorschkamp zijn proefvelden aangelegd met een aantal van deze nieuwe soorten. Op de site van Probos staat een lijst van mogelijke complementaire soorten
(https://www.probos.nl/projecten/innovaties-in-beheer/1635-aanvullende-boomsoorten-ten-behoeve-van-revitalisering).
Tijdens de NDV-reis naar Duitsland en Polen maakten we kennis met de vroeg landschappelijke tuin- landschapsarchitectuur. Wat betekent de landschapsstijl voor twee van de bezochte parken en waar liggen de wortels van het gemaakte landschap; waar komt de (Engelse) landschapsstijl eigenlijk vandaan?
Ook voor een dendroloog is gedegen kennis van landschappen en compositie onmisbaar. Voor mij komt het regelmatig aan bod tijdens studentenexcursies Bos- en natuurbeheer.
Ook onze halfnatuurlijke landschappen zijn sterk beïnvloed door principes uit vroege landschapscomposities. Dit artikel bood me de mogelijkheid om het eens verder uit te diepen.
Ornamental farm
Het Hirschbergertal (bij Jelena Góra) in Polen wordt het Schlesisch Elysium genoemd (een vredige en zonnige plek, omringd door schoonheid), een combinatie van burchten, kastelen, herenhuizen, parken en waterpartijen met uitzicht op het Reuzengebergte. Eén van de parken is park Bukowiec (120 ha). Dit eeuwenoude, kleinschalige cultuurlandschap met boerderijen, karakteristieke huizen en burchten is ingericht als ‘ornamental farm’: een combinatie van agrarisch landschap en een beleefpark voor de aristocratie. Er zijn tien door de bergrivier Jedlica gevoede natuurlijke visvijvers, weiden, oude boomgroepen en natuurlijke rotspartijen. De eigenaren Friedrich von Reden en zijn vrouw Karolina lieten zich inspireren door de Engelse landschapsparken en pasten vanaf 1785 hun ideeën toe in Bukowiec, onder andere door toevoeging van gebouwen, landschapskunst en doorzichten. Daarmee is het een vroege toepassing van de Engelse landschapsstijlkunst en wordt het geroemd als het eerste landschapspark op het vasteland van Europa.
Het oorspronkelijke cultuur- en natuurgebied is slechts licht aangepast met boomgroepen en doorzichten om prachtige landschapseffecten te creëren. Er zijn alleen van nature voorkomende boomsoorten aangeplant: Beuk, Zomereik, Haagbeuk, Fladderiep, Winterlinde, Els, Zwarte populier en Kraakwilg. In mijn beleving zie je hier de meest pure vorm van vroege landschapscompositie.
Plattegrond van park Bukowiec
Een spel met boomgroepen en doorzichten
Het Muskauer park (560 ha) ligt aan weerszijden van de Neisse, de grensrivier tussen Duitsland en Polen, Unesco werelderfgoed sinds 2004. Velden, kleine meertjes en boomgroepen wisselen elkaar af en zijn aangepast aan het omringende landschap in een combinatie van landschapscompositie en tuinkunst. Topografisch ligt het park op de uiterwaard en op hoogte-terrassen langs de rivier.
De eigenaar, Hermann von Pückler, werd geïnspireerd in Engeland, waar hij kennis maakte met de Engelse landschapsstijl. Vanaf 1815 liet hij een landschapspark aanleggen met bos, weiden, waterpartijen, kasteelpark en bloementuinen, behorend bij een renaissance kasteel. Belangrijk zijn de vele doorzichten, vaak zichtbaar vanaf stenen bankjes. Vanuit het kasteel gezien zijn park en landschap volledig op elkaar afgestemd als in een landschapsschilderij. Op de voorgrond een lusthof en bloementuinen met het park in het midden en op de achtergrond weiden, vergezichten en bosranden. Het kasteel is vanuit het park niet volledig zichtbaar, maar deels door begroeiing bedekt, wat het juist spannend maakt. “Het hoogste niveau van landschapstuinkunst wordt pas bereikt als het lijkt alsof de natuur vrij is, maar dan in haar nobelste vorm” is een uitspraak van von Pückler in 1834. Hij liet de bestaande topografie grotendeels intact, waardoor het voor de bezoekers puur natuur lijkt, maar dan wel een lieflijke natuur waar het goed toeven is, met fraaie landschapsbeelden en vergezichten waar je tot rust kunt komen. De paden leiden langs alle fraaie plekken en doorzichten. Deze manier van landschapsarchitectuur was baanbrekend voor het Europese vasteland en werd vaak nagevolgd. Ook hij werkte met van nature voorkomende boomsoorten.
De Duitse tuinarchitect Alexander Petzold (bekend van Nederlandse ontwerpen in Rhederoord, Hof te Dieren en Middachten3) borduurde in 1852 voort op het ontwerp van von Pückler. Kenmerkend voor Petzolds ontwerp zijn de amoebe-achtige vormen van beplantingsgroepen. Bloeiende bomen op de kruispunten van paden onttrekken het landschap even aan het oog, waardoor de nieuwsgierigheid wordt opgebouwd en het landschap zich weer aan de wandelaar ontvouwt als deze verder loopt. Hij leidde de bezoekers via een slingerweg langs enorme Zomereiken (met een omtrek van vijf tot zeven meter), al aanwezig uit de tijd voor von Pückler.
Plattegrond van het Muskauer park
Petzold voegde mooie boomgroepen toe, soms met elkaar vergroeid, soms verder van elkaar afstaand. Van Linden werden wel boomboeketten gemaakt door éénstammige bomen af te zagen, waardoor ze met meer stammen weer uitgroeiden. Juist dan ontstaat de echte boeketvorm, met vanaf de basis naar buiten uitgebogen stammen. Vaak zijn deze bij bankjes te vinden, waar ze heerlijke schaduw geven.
Tijdens de renovatieperiode van het Muskauer park, vanaf 1990, werden dichtgegroeide doorzichten hersteld, beekloopjes uitgediept en weilanden open gemaakt om het ruimtelijk ontwerp weer terug te brengen. In het kasteelpark groeit een ruimer boomsortiment, o.a. een enorme Aesculus parviflora-struik (Herfst-paardenkastanje), Tilia tomentosa ‘Pendula’ (Hangende zilverlinde), Magnolia acuminata (Bosmagnolia) en Taxodium distichum (Moerascipres).
Stuw in het Muskauer park. Foto: Leo Goudzwaard
Kenmerkende Engelse elementen zijn de ‘wilderness’ en de ‘shrubbery’. Een ‘wilderness’ is een kleine boomgroep, omzoomd door heesters en bloemen, soorten die van nature in het landschap voorkomen, ook wel ‘clump’ genoemd2. Een ‘clump’ heeft dus oorspronkelijk een ruimere betekenis dan alleen een boomgroep. De ‘shrubbery’ is een heesterbeplanting met paden erdoorheen, een bijna vergeten aspect van Engelse tuinen. De ‘shrubbery’ ontwikkelde zich tot een pronkstuk met nieuw geïntroduceerde, fraai bloeiende heesters. Pas later ontstonden de lijnvormige heesterborders, omzoomd met vaste planten, in kleinere tuinen.
Von Pückler (18eeeuw) en Petzold (19eeeuw) waren grootmeesters van de landschapsstijl op het Europese vasteland. Weinig bekend maar zeker ook invloedrijk voor de ontwikkeling van de landschapsstijl in Europa was de Poolse Izabela Czartoryska (1745-1835). Zij werd beïnvloed door de Engelse landschapsstijl, de ideeën van Kent en werd geïnspireerd door de parken en gebouwen van Stourhead en Stowe. Ze schreef een boek over tuinen in het Pools waardoor zij lange tijd onbekend bleef buiten Polen2. Zij liet het park bij het Czartoryski paleis in de Poolse stad Pulawy aanleggen in Engelse landschapsstijl door in 1790 James Savage aan te stellen als ontwerper en tuinman, die veel planten uit Engeland introduceerde.
Muskauer park. Foto: NikodemP-PL, 2024, CC BY 4.0, via Wikimedia Commons
De wortels van de Engelse landschapsstijl
William Kent (1685-1748) is de grondlegger van de natuurlijke stijl in Europa en was ook de invloedrijkste architect en tuinontwerper van de Augustus-stijl: terugbrengen van klassiek Romeinse elementen en bouwwerken in de Engelse tuinen van de vroege 18e eeuw. Claremont Park, waar hij een belangrijke bijdrage aan geleverd heeft, is het vroegste nog bestaande Engelse park in landschapsstijl uit 1715.
Door de aristocratie werd het leven op het platteland geïdealiseerd en als echte natuur gezien.
Een beroemde uitspraak van Kent is: “Nature abhors a straight line” (de natuur verafschuwt rechte lijnen). Zijn natuurlijke stijl, verwijderd van formaliteit, was revolutionair en een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van de landschapsstijl. Hij omarmde organische, vloeiende vormen en bootste natuurlijke landschappen na.
De serpentine-stijl met kronkelige slangachtige paden en waterpartijen werd in de eeuwen erna en wordt in de hedendaagse tuinarchitectuur nog steeds veelvuldig toegepast.
Kent was een sleutelfiguur in de ontwikkeling van de Engelse landschapstuin, later opgevolgd door ontwerpers als Lancelot ‘Capability’ Brown.
China
De klassieke Engelse tuinen uit de 17e eeuw, met hun geometrische vormen, werden later omgevormd volgens 2000 jaar oude Chinese ontwerpprincipes, waarin de natuur werd nagebootst en waarin rotsen, water en planten een harmonieus geheel vormen. Beroemd is het 12 meter lange schilderij “thousand miles of rivers and mountains” uit 11001.
De bron van het klassieke Chinees tuinontwerp ligt in Suzhou stad1. Daar ontwikkelde principes verspreidden zich snel over China en later over de rest van de wereld. Principes over hoe je de natuur kunt zien, er deel van kunt zijn en er plezier van kunt hebben. Een Chinese tuin bootst de wereld na met alles erin: bergen, water, wegen, paden en gebouwen, als ook het oude cultuurlandschap, zoals in de hierboven beschreven twee grote landschapsparken. De grootsheid en essentie van de natuur wordt op kleinere schaal weergegeven in parken en tuinen. Deze ideeën zijn opgenomen in de Engelse landschapsstijl.
Chinese invloeden zijn terug te zien zowel in de 18eeeuwse als in hedendaagse tuin- en landschapsontwerpen. Het toepassen van follies, natuurlijke of kunstmatige grotten, watervallen, heuvels en vergezichten is gebaseerd op de Chinese cultuur, alsmede het toepassen van contrasten in textuur (grote bladeren naast fijne) en in kleur. Veel houtige planten die als typisch voor Engelse tuinen worden gezien, komen uit China zoals Camellia, Hydrangea, Jasminum, Magnolia en Hibiscus.
2 Czartoryska, I.. 1808. Mancherlei gedanken uber die Art und Weise Garten anzulegen. Herdruk 2018. Mitteilungen der Pückler Gesellschaft e.V. Berlin
3 Storms-Smeets, E., 2011. Gelders Arcadie, Atlas van een buitenplaatsenlandschap. Gelders Genootschap. Uitgeverij Matrijs.
Deze website maakt gebruik van cookies
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Als je geen toestemming geeft of je toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.