Over landschappen en tuinarchitectuur

Tijdens de NDV-reis naar Duitsland en Polen maakten we kennis met de vroeg landschappelijke tuin- landschapsarchitectuur. Wat betekent de landschapsstijl voor twee van de bezochte parken en waar liggen de wortels van het gemaakte landschap; waar komt de (Engelse) landschapsstijl eigenlijk vandaan?

Ook voor een dendroloog is gedegen kennis van landschappen en compositie onmisbaar. Voor mij komt het regelmatig aan bod tijdens studentenexcursies Bos- en natuurbeheer.
Ook onze halfnatuurlijke landschappen zijn sterk beïnvloed door principes uit vroege landschapscomposities. Dit artikel bood me de mogelijkheid om het eens verder uit te diepen.

Ornamental farm
Het Hirschbergertal (bij Jelena Góra) in Polen wordt het Schlesisch Elysium genoemd (een vredige en zonnige plek, omringd door schoonheid), een combinatie van burchten, kastelen, herenhuizen, parken en waterpartijen met uitzicht op het Reuzengebergte. Eén van de parken is park Bukowiec (120 ha). Dit eeuwenoude, kleinschalige cultuurlandschap met boerderijen, karakteristieke huizen en burchten is ingericht als ‘ornamental farm’: een combinatie van agrarisch landschap en een beleefpark voor de aristocratie. Er zijn tien door de bergrivier Jedlica gevoede natuurlijke visvijvers, weiden, oude boomgroepen en natuurlijke rotspartijen. De eigenaren Friedrich von Reden en zijn vrouw Karolina lieten zich inspireren door de Engelse landschapsparken en pasten vanaf 1785 hun ideeën toe in Bukowiec, onder andere door toevoeging van gebouwen, landschapskunst en doorzichten. Daarmee is het een vroege toepassing van de Engelse landschapsstijlkunst en wordt het geroemd als het eerste landschapspark op het vasteland van Europa.
Het oorspronkelijke cultuur- en natuurgebied is slechts licht aangepast met boomgroepen en doorzichten om prachtige landschapseffecten te creëren. Er zijn alleen van nature voorkomende boomsoorten aangeplant: Beuk, Zomereik, Haagbeuk, Fladderiep, Winterlinde, Els, Zwarte populier en Kraakwilg. In mijn beleving zie je hier de meest pure vorm van vroege landschapscompositie.

Plattegrond van park Bukowiec

Een spel met boomgroepen en doorzichten
Het Muskauer park (560 ha) ligt aan weerszijden van de Neisse, de grensrivier tussen Duitsland en Polen, Unesco werelderfgoed sinds 2004. Velden, kleine meertjes en boomgroepen wisselen elkaar af en zijn aangepast aan het omringende landschap in een combinatie van landschapscompositie en tuinkunst. Topografisch ligt het park op de uiterwaard en op hoogte-terrassen langs de rivier.
De eigenaar, Hermann von Pückler, werd geïnspireerd in Engeland, waar hij kennis maakte met de Engelse landschapsstijl. Vanaf 1815 liet hij een landschapspark aanleggen met bos, weiden, waterpartijen, kasteelpark en bloementuinen, behorend bij een renaissance kasteel. Belangrijk zijn de vele doorzichten, vaak zichtbaar vanaf stenen bankjes. Vanuit het kasteel gezien zijn park en landschap volledig op elkaar afgestemd als in een landschapsschilderij. Op de voorgrond een lusthof en bloementuinen met het park in het midden en op de achtergrond weiden, vergezichten en bosranden. Het kasteel is vanuit het park niet volledig zichtbaar, maar deels door begroeiing bedekt, wat het juist spannend maakt. “Het hoogste niveau van landschapstuinkunst wordt pas bereikt als het lijkt alsof de natuur vrij is, maar dan in haar nobelste vorm” is een uitspraak van von Pückler in 1834. Hij liet de bestaande topografie grotendeels intact, waardoor het voor de bezoekers puur natuur lijkt, maar dan wel een lieflijke natuur waar het goed toeven is, met fraaie landschapsbeelden en vergezichten waar je tot rust kunt komen. De paden leiden langs alle fraaie plekken en doorzichten. Deze manier van landschapsarchitectuur was baanbrekend voor het Europese vasteland en werd vaak nagevolgd. Ook hij werkte met van nature voorkomende boomsoorten.
De Duitse tuinarchitect Alexander Petzold (bekend van Nederlandse ontwerpen in Rhederoord, Hof te Dieren en Middachten3) borduurde in 1852 voort op het ontwerp van von Pückler. Kenmerkend voor Petzolds ontwerp zijn de amoebe-achtige vormen van beplantingsgroepen. Bloeiende bomen op de kruispunten van paden onttrekken het landschap even aan het oog, waardoor de nieuwsgierigheid wordt opgebouwd en het landschap zich weer aan de wandelaar ontvouwt als deze verder loopt. Hij leidde de bezoekers via een slingerweg langs enorme Zomereiken (met een omtrek van vijf tot zeven meter), al aanwezig uit de tijd voor von Pückler.

Plattegrond van het Muskauer park

Petzold voegde mooie boomgroepen toe, soms met elkaar vergroeid, soms verder van elkaar afstaand. Van Linden werden wel boomboeketten gemaakt door éénstammige bomen af te zagen, waardoor ze met meer stammen weer uitgroeiden. Juist dan ontstaat de echte boeketvorm, met vanaf de basis naar buiten uitgebogen stammen. Vaak zijn deze bij bankjes te vinden, waar ze heerlijke schaduw geven.
Tijdens de renovatieperiode van het Muskauer park, vanaf 1990, werden dichtgegroeide doorzichten hersteld, beekloopjes uitgediept en weilanden open gemaakt om het ruimtelijk ontwerp weer terug te brengen. In het kasteelpark groeit een ruimer boomsortiment, o.a. een enorme Aesculus parviflora-struik (Herfst-paardenkastanje), Tilia tomentosa ‘Pendula’ (Hangende zilverlinde), Magnolia acuminata (Bosmagnolia) en Taxodium distichum (Moerascipres).

Stuw in het Muskauer park.
Foto: Leo Goudzwaard

Kenmerkende Engelse elementen zijn de ‘wilderness’ en de ‘shrubbery’. Een ‘wilderness’ is een kleine boomgroep, omzoomd door heesters en bloemen, soorten die van nature in het landschap voorkomen, ook wel ‘clump’ genoemd2. Een ‘clump’ heeft dus oorspronkelijk een ruimere betekenis dan alleen een boomgroep. De ‘shrubbery’ is een heesterbeplanting met paden erdoorheen, een bijna vergeten aspect van Engelse tuinen. De ‘shrubbery’ ontwikkelde zich tot een pronkstuk met nieuw geïntroduceerde, fraai bloeiende heesters. Pas later ontstonden de lijnvormige heesterborders, omzoomd met vaste planten, in kleinere tuinen.
Von Pückler (18eeeuw) en Petzold (19eeeuw) waren grootmeesters van de landschapsstijl op het Europese vasteland. Weinig bekend maar zeker ook invloedrijk voor de ontwikkeling van de landschapsstijl in Europa was de Poolse Izabela Czartoryska (1745-1835). Zij werd beïnvloed door de Engelse landschapsstijl, de ideeën van Kent en werd geïnspireerd door de parken en gebouwen van Stourhead en Stowe. Ze schreef een boek over tuinen in het Pools waardoor zij lange tijd onbekend bleef buiten Polen2. Zij liet het park bij het Czartoryski paleis in de Poolse stad Pulawy aanleggen in Engelse landschapsstijl door in 1790 James Savage aan te stellen als ontwerper en tuinman, die veel planten uit Engeland introduceerde.

Muskauer park.
Foto: NikodemP-PL, 2024, CC BY 4.0, via Wikimedia Commons

De wortels van de Engelse landschapsstijl
William Kent (1685-1748) is de grondlegger van de natuurlijke stijl in Europa en was ook de invloedrijkste architect en tuinontwerper van de Augustus-stijl: terugbrengen van klassiek Romeinse elementen en bouwwerken in de Engelse tuinen van de vroege 18e eeuw. Claremont Park, waar hij een belangrijke bijdrage aan geleverd heeft, is het vroegste nog bestaande Engelse park in landschapsstijl uit 1715.
Door de aristocratie werd het leven op het platteland geïdealiseerd en als echte natuur gezien.
Een beroemde uitspraak van Kent is: “Nature abhors a straight line” (de natuur verafschuwt rechte lijnen). Zijn natuurlijke stijl, verwijderd van formaliteit, was revolutionair en een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van de landschapsstijl. Hij omarmde organische, vloeiende vormen en bootste natuurlijke landschappen na.
De serpentine-stijl met kronkelige slangachtige paden en waterpartijen werd in de eeuwen erna en wordt in de hedendaagse tuinarchitectuur nog steeds veelvuldig toegepast.
Kent was een sleutelfiguur in de ontwikkeling van de Engelse landschapstuin, later opgevolgd door ontwerpers als Lancelot ‘Capability’ Brown.

China
De klassieke Engelse tuinen uit de 17e eeuw, met hun geometrische vormen, werden later omgevormd volgens 2000 jaar oude Chinese ontwerpprincipes, waarin de natuur werd nagebootst en waarin rotsen, water en planten een harmonieus geheel vormen. Beroemd is het 12 meter lange schilderij “thousand miles of rivers and mountains” uit 11001.
De bron van het klassieke Chinees tuinontwerp ligt in Suzhou stad1. Daar ontwikkelde principes verspreidden zich snel over China en later over de rest van de wereld. Principes over hoe je de natuur kunt zien, er deel van kunt zijn en er plezier van kunt hebben. Een Chinese tuin bootst de wereld na met alles erin: bergen, water, wegen, paden en gebouwen, als ook het oude cultuurlandschap, zoals in de hierboven beschreven twee grote landschapsparken. De grootsheid en essentie van de natuur wordt op kleinere schaal weergegeven in parken en tuinen. Deze ideeën zijn opgenomen in de Engelse landschapsstijl.
Chinese invloeden zijn terug te zien zowel in de 18eeeuwse als in hedendaagse tuin- en landschapsontwerpen. Het toepassen van follies, natuurlijke of kunstmatige grotten, watervallen, heuvels en vergezichten is gebaseerd op de Chinese cultuur, alsmede het toepassen van contrasten in textuur (grote bladeren naast fijne) en in kleur. Veel houtige planten die als typisch voor Engelse tuinen worden gezien, komen uit China zoals Camellia, Hydrangea, Jasminum, Magnolia en Hibiscus.

Literatuur
1 Traces of China: How English gardens were transformed by Chinese principles. https://newseu.cgtn.com/news/2025-01-24/Traces-of-China-the-English-gardens-transformed-by-Chinese-design-1Ank10WjVcI/p.html

2 Czartoryska, I.. 1808. Mancherlei gedanken uber die Art und Weise Garten anzulegen. Herdruk 2018. Mitteilungen der Pückler Gesellschaft e.V. Berlin

3 Storms-Smeets, E., 2011. Gelders Arcadie, Atlas van een buitenplaatsenlandschap. Gelders Genootschap. Uitgeverij Matrijs.

Herman Mauritz, boomkweker in hart en nieren

Ik ben Herman Mauritz, 65 jaar en wonend in Randwijk in de Betuwe. Al mijn hele werkzame leven ben ik boomkweker. Meerdere generaties Mauritz hebben zich met het kweken van planten bezig gehouden. Mijn overgrootvader was ook boomkweker. Er is een bordje gevonden uit 1850 van een kwekerij met de naam Mauritz. Ook heeft er een familielid meegewerkt aan de Floriade in Venlo. Ik kom dus uit een boomkwekersfamilie.

Opgegroeid tussen de bomen
Na de lagere school ging ik naar de lagere tuinbouwschool in Kesteren en daarna naar de middelbare tuinbouwschool in Nijmegen. Het kwekersvak zit in mijn genen, ik ben als boomkweker geboren en moest al vroeg mee naar het land. En altijd ging er een fles water aangelengd met zwarte koffie mee. Als je niet wilde werken, werd je naar huis gestuurd, al was het 10 km lopen. Ook ging ik met mijn vader mee naar Boskoop.
Ik heb stage gelopen bij boomkwekerij Schiphorst, wat mij erg gemotiveerd heeft. In die tijd werden daar allerlei soorten coniferen en speciale soorten loofbomen gekweekt. Ik heb een passie voor soorten die een beetje onbekend zijn zoals Albizia en Davidia. Helaas leveren die minder op.

Herman Mauritz in zijn boomkwekerij (Mabo Boomkwekerijen), inmiddels grotendeels overgedragen aan zijn zoon Niels en medevennoot Jan.
Foto: Mabo Boomkwekerijen

Een stap terug
Ik heb de verandering in de boomkwekerij bewust mee gemaakt. Zo kost het nu meer energie om de grond goed te houden of te krijgen. Er worden meer grondmonsters genomen en bodemscans gemaakt. En alles is kapitaalintensiever geworden.
Ik heb geen spijt van mijn keuze, het boomkwekersvak is een mooi vak. Rond 1984 startte ik met de kwekerij, ik had toen geen idee wat ik als eigenaar van een bedrijf zou kunnen verwachten. Hard werken, maar gelukkig kan ik me goed ontspannen. Langzamerhand is de kwekerij uitgegroeid tot het huidige bedrijf, dat inmiddels grotendeels overgedragen is aan medevennoot Jan en zoon Niels. De opvolging is dus gelukkig geen probleem. Ik kan met een gerust hart achterover leunen in mijn stoel. Dat geeft veel ontspanning. Maar ik heb veel kennis van bomen kweken en blijf het belangrijk vinden om mijn kennis over bijvoorbeeld het voorkomen van ziekten te delen en onderwijs en cursussen te stimuleren.
Ons bedrijf van 20 ha heeft twee specialisaties: de sierbomenteelt in de volle grond en de containerteelt. In de containerteelt hebben we ons ook gespecialiseerd in de vormbomen. We kunnen veel verschillende leivormen maken. Zo hebben we een breed sortiment van zeer uniforme bomen. Nu is het leverseizoen aangebroken en staan er heel veel bomen met pot- of draadkluit klaar om van eigenaar te verwisselen. Op enkele velden staan enten en stammen in een 3 tot 7,5 liter pot klaar om opgekweekt te worden, om daarna in de volle grond te worden opgeplant. Laanbomen worden twee- of driemaal verplant. Drie maal verplantte bomen staan vaak eerst een jaar in een pot, daarna drie jaar in de volle grond en worden dan nog een keer verplant. Dat geeft dikkere bomen met een stamdikte van 14-16 tot 20-25 cm. Ons sortiment bestaat uit ongeveer 150 soorten bomen. Eerst waren dat er wel meer, maar dat leverde jammer genoeg niet genoeg op.

Compensatie van CO2-uitstoot door aanplant van bomen

Voor aanplanten, beheren en oogsten van bomen zijn diverse verdienmodellen ontstaan in het kader van het klimaatbeleid. Het vastleggen van koolstofdioxide in biomassa, waaronder bomen, wordt door certificeringsorganisaties via rekenmethodes ‘vertaald’ naar CO2-kredieten en certificaten, die vervolgens worden verhandeld op een verplichte, dan wel een vrijwillige koolstofmarkt.

Ook zijn er projecten die zonder certificaten werken. Zo is in Arbor Vita 2024/4 een artikel te lezen over de aanplant van bomen op kosten van een Nederlands bedrijf in een landgoed in Frankrijk ter compensatie van (een gedeelte van) hun CO2-uitstoot.

Maar hoe werkt de markt voor koolstofvastlegging door bomen nu precies? Hoe wordt de koolstofvastlegging berekend, wat kosten de certificaten en wat zijn punten van kritiek?

De hoeveelheid CO2 in de atmosfeer
Hoewel het percentage CO2 in de lucht bijzonder klein is (in 2023 maakte CO2 circa 0,0420 procent uit van de lucht) wordt de stijging van het aandeel CO2 beschouwd als de belangrijkste aanjager van het broeikaseffect. Op internationaal niveau zijn afspraken gemaakt om de jaarlijkse wereldwijde uitstoot van koolstofdioxide omlaag te brengen.
In 2023 was die globale uitstoot circa 40 miljard ton CO2 (ook uitgedrukt als 40 gigaton CO2, (40 GtCO2)). Het totale massagewicht van alle CO2 in de aardse atmosfeer was daarmee gegroeid tot 3200 miljard ton CO2. Uitgaande van circa 8 miljard mensen op deze aarde, heeft ieder mens als het ware 400 ton CO2 op z’n schouders. Daar komt ieder jaar per aardbewoner circa 5 ton CO2 bovenop (40 miljard gedeeld door 8 miljard). Maar omdat ongeveer de helft daarvan door planten op het land en algen en wieren in de oceanen weer opgenomen wordt in de biosfeer stijgt het aandeel CO2 in de atmosfeer dus jaarlijks per saldo met circa 20 miljard ton.
Bedrijven en huishoudens kunnen hun specifieke en persoonlijke jaarlijkse CO2-uitstoot berekenen met behulp van op internet gratis te gebruiken rekenmodules. De CO2-uitstoot per Nederlander is gemiddeld 10 ton CO2 per jaar, ongeveer het dubbele van de gemiddelde CO2-uitstoot van een aardbewoner.

Verschil tussen koolstofkredieten en -certificaten
Tijdens de Houtdag in Velp op 21 februari 2025 hield René van der Velde, associate professor Urban forestry aan de TU Delft, een voordracht over ins & outs van koolstofkredieten en -certificaten. De koolstofkredieten komen voort uit het Kyotoprotocol en maken onderdeel uit van een verplichte koolstofmarkt waarop grote bedrijven die te veel CO2 uitstoten extra emissieruimte (krediet) kunnen kopen. Voor één koolstofkrediet mogen zij één ton extra CO2 uitstoten boven op hun door de overheid vastgestelde emissieplafond. Daarvan te onderscheiden zijn koolstofcertificaten, die worden verhandeld op een vrijwillige koolstofmarkt ter compensatie van een bestaande toegestane emissie. Deze certificaten worden gebruikt door bedrijven, organisaties en personen die om uiteenlopende redenen hun bestaande CO2-uitstoot willen compenseren. Die vrijwillige koolmarkt is groeiend en ook grote bedrijven zoals Shell, Microsoft, Unilever en Ahold Delhaize kopen miljoenen koolstofcertificaten in om hun duurzaamheidsdoelstellingen te bereiken.

René van der Velde gaf op de houtdag een lezing over koolstof en bomen

Berekeningen koolstofvastlegging door bomen
De hoeveelheid CO2 die een boom op enig moment heeft opgenomen, is afhankelijk van vele factoren, waarvan groeisnelheid een hele belangrijke is. De groeisnelheid van diverse boomsoorten varieert binnen een bandbreedte van 10 tot 40 kg CO2-opname per jaar (gemiddelde, berekend over de levensduur van de boom). Eucalyptussen kunnen zelfs meer dan 40 kg CO2 per jaar opnemen. Een nog snellere groeier is de Paulownia. Met boomsoorten uit dit plantengeslacht wordt de laatste jaren in veel landen gepionierd. Ondernemers in landen zoals Duitsland, Oostenrijk, Kroatië en Roemenië zijn daar tien jaar geleden al mee begonnen. Maar ook in Nederland zijn er de laatste zeven jaar initiatieven met Paulownia. Agroforestry (‘bomenweides’) met een hybride soort, de Paulownia Shan Tong, een kloon van Paulownia tomentosa × P. fortunei, zou in dit kader veelbelovend zijn. In 2018 is Eric Litjens begonnen met het bedrijf Paulownia-cultures in Deest.

Inmiddels heeft hij 15 hectare aangeplant met Paulownia Shan Tong. Op zijn website noemt hij een gemiddelde CO2-vastlegging per boom van jaarlijks 64 kg. Dit lijkt overigens wel erg hoog ingeschat. In het in 2021 uitgebrachte door Probos uitgebrachte rapport ‘Paulowniateelt in Nederland’ is een vergelijking opgenomen van de Paulowniateelt met de biomassateelt van Wilg. Daarin wordt uitgegaan van jaarlijks respectievelijk 10 ton droge stof per hectare voor Wilg en 16 ton droge stof per hectare voor Paulownia. Dat komt neer op een jaarlijkse CO2-opslag per hectare van circa 18 ton voor Wilg en 30 ton voor Paulownia. Dit zijn indicatieve cijfers, omdat de opbrengst afhankelijk is van het aantal aangeplante bomen per hectare, de cultivar, de weersomstandigheden en de oogstfrequentie. De daadwerkelijke opbrengst van Paulowniateelt in Nederland zal de komende drie jaar blijken.

Paulownia plantage in Deest

Compenseren van 10 ton CO2-uitstoot
Voor het berekenen van de hoeveelheid benodigde bomen om de gemiddelde jaarlijkse uitstoot van 10 ton CO2 van een Nederlander te compenseren, nemen we als referentie een boomsoort die gemiddeld 25 kg CO2 per jaar vastlegt, dus een ton in 40 jaar, en daarmee goed is voor één koolstofcertificaat. De organisatie die een dergelijk certificaat verkoopt, moet aantonen dat het bomenproject voor die veertigjarige periode is gegarandeerd.

Ter vergelijking: René van der Velde rekende tijdens de NDV-Houtdag voor dat een 35 jaar oude boom van 1000 kg, met een droge massa van 47,5%, zo’n 237,5 kg koolstof bevat, wat neerkomt op een vastlegging van 871,63 kg koolstofdioxide en 871,63/35 = 24,09 kg CO2 per jaar. Op veel websites over CO2-compensatie wordt een gemiddelde vastlegging van 25 kg per jaar gehanteerd.

Feitelijke projecten kunnen uiteraard nogal verschillen van het geschetste hypothetische gemiddelde. Het hangt niet alleen af van de boomsoort, maar ook van de oogstwijze. Zo groeien bepaalde soorten Paulownia zo hard dat de bomen binnen tien jaar worden geoogst. Ze hebben dan een stamdiameter bereikt van 30 tot 50 centimeter. Er wordt dan iedere tien jaar verdiend aan het geoogste hout, maar ook aan de CO2-certificaten. Met het genoemde gemiddelde van 64 kg per jaar, zou een Paulownia na 10 jaar 640 kg CO2-vastlegging opleveren. In 35 jaar tijd (in het vierde oogstjaar) is op de ene groeiplaats van een Paulownia dan 2,24 ton CO2 vastgelegd. Vergeleken met de vastlegging van een ‘gemiddelde boomsoort’ uit het rekenvoorbeeld (ongeveer één ton na 35 jaar) is dat meer dan het dubbele.

Wat kost het om CO2-uitstoot vrijwillig via bomenaanplant te compenseren?
Eén koolstofcertificaat staat voor één ton verwijderde of voorkomen CO2-uitstoot. Inmiddels zijn er vele bomenprojectorganisaties die met de uitgifte van CO2-certificaten compensatieaanplant verzorgen, zoals Trees for all, EcoTree, One Tree Planet, Reforestum, Plant-for-the-planet, Eden Reforestation Projects en WeForest. Ook zijn tal van certificerende en verifiërende instellingen in het leven geroepen die de uitgifte van certificaten valideren en controleren. Een tamelijk ondoorzichtig woud aan instellingen.
De organisatie EcoTree (www.ecotree.green) spreekt liever over een CO2-bijdrage. Volgens deze organisatie zijn vooral vermijden en verminderen nodig en levert compensatie maar een beperkte bijdrage met het terughalen van CO2 uit de atmosfeer. Toch biedt ook EcoTree voor een bedrag van circa €75 gecertifieerde koolstofcertificaten aan van projecten in bijvoorbeeld Frankrijk of Denemarken. Een ander voorbeeld, in eigen land, is het agroforestry-project van John Heesakkers, (zie Arbor Vitae 2023/3). Een deel van de bomenaanplant op zijn bedrijf is verzorgd via TreesforAll (www.treesforall.nl) die behalve bomenaanplant in Nederland ook bebossingsprojecten in landen als Panama, Columbia, Mexico en Uganda financiert.
Zij rekent per CO2-certificaat een bedrag van €21,50 en heeft ook niet gecertificeerde projecten, waarbij een inschatting wordt gemaakt hoeveel CO2 de met donaties aan te planten bomen vastleggen.
De organisatie Ecommit (www.ecommit.nl) rekent €85 per certificaat. Het eerdergenoemde bedrijf Paulownia-cultures biedt koolstofcertificaten aan voor €125,-. Die certificaten zijn gevalideerd door de instelling Oncra (Open Natural Carbon Removal Accounting), die 7% ontvangt voor ieder verkocht certificaat. De monitoring en metingen moeten door onafhankelijke experts worden uitgevoerd.

De kosten verschillen dus nogal. Voor het volledig compenseren van een jaarlijkse CO2-uitstoot van 10 ton CO2 kan momenteel een bedrag gemoeid zijn tussen de 215 en 1250 euro. Uiteraard kan men er ook voor kiezen om slechts een gedeelte te compenseren.

Hoe de verdienmodellen voor koolstofvastlegging werken, wordt uitgelegd in een publicatie van het Louis Bolkinstituut. Een belangrijke rol lijkt daarbij weggelegd voor de Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK). De SNK komt voort uit de Green Deal Nationale Koolstofmarkt (opgericht in 2019). Het is een onafhankelijke stichting die beoogt de kwaliteit van koolstofcertificaten te waarborgen. Binnen de SNK-methode ‘Aanleg bos en beplanting buiten bosverband’ kunnen koolstofcertificaten alleen worden verkregen voor de aanplant van bosweides en lijnvormige beplantingen.

Agroforestry kan gedeeltelijk worden gefinancierd door uitgifte van koolstofcertificaten, zoals hier bij het bedrijf van John Heesakkers.

Kritiek
Kritische milieuorganisaties, zoals Milieudefensie, zetten grote vraagtekens bij inzet op CO2-compensatie door het aanplanten van bomen. Als nadelen zien zij de moeilijk te controleren opbrengst, de gevaren van ‘greenwashing’ en de verstoring van kwetsbare ecosystemen. Daarbij zijn er de afgelopen jaren ook de nodige schandalen aan het licht gekomen. Follow The Money schreef een ontluisterend artikel over het Zwitserse klimaatadviesadviesbureau South Pole, dat tientallen miljoenen CO2-certificaten verkocht aan het bedrijfsleven, onder andere in Nederland. De certificaten, uitgegeven voor het grootste bosbeschermingsproject in de wereld (het Kariba-project in Zimbabwe) genereerde in tien jaar grotendeels fictieve CO2-rechten. Van de omzet van 100 miljoen was ondanks afspraken vrijwel niets bij de lokale gemeenschappen terecht gekomen. Ondanks dergelijke schandalen groeit de vrijwillige koolstofmarkt met schommelingen door.

Routekaart koolstofverwijdering
Onlangs bracht de Minister van Klimaat en groene groei het rapport Routekaart koolstofverwijdering uit. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen permanente en tijdelijke opslag van CO2. De koolstofvastlegging door bomen wordt als tijdelijke opslag van CO2 beschouwd en deze gaat een beperkt aandeel van de opgave voor CO2-verwijdering leveren. Maar we zullen er de komende jaren wel het nodige van merken. Hopelijk leidt de beoogde ‘groene groei’ in dit kader tot een daadwerkelijke vergroening, met positieve impuls voor biodiversiteit en bomen.