Categorie archieven: Sortiment

Hernieuwde belangstelling voor Zilversparren (Abies) Deel 2: Westelijk Noord-Amerika

In Arbor Vitae 32-4 staat het eerste artikel over Abies-soorten, dit artikel behandelt een aantal Noord-Amerikaanse soorten, die voor Nederland van belang zijn.
Voor Zilversparren uit westelijk Noord-Amerika is in Nederland al belangstelling sinds Landgoed Schovenhorst werd gesticht in 1848. J.H. Schober kweekte coniferenzaden uit de hele wereld op en plantte ze in zijn Pinetum en omringende bossen om houtproductie op de verarmde Veluwse heidegronden te bevorderen. De indrukwekkende coniferen uit het milde klimaat lagen daarbij voor de hand, waaronder zeven Abies-soorten.

Abies grandis met bloemknoppen en naalden met een witte onderzijde
Foto: Leo Goudzwaard

Langdurige droogteperiodes sinds 2018 veroorzaken veel sterfte onder alle Noord-Amerikaanse Zilversparsoorten in Europa. Toch blijft het de moeite waard om jonge exemplaren te planten of uit natuurlijke bezaaiing te laten opgroeien. Vooral dat laatste geeft in de jeugdfase opvallend goede resultaten.

De bekendste bos- en parkbomen van de Pacifische westkust zijn Abies grandis, A. procera en A. concolor subspecies lowiana. Ze zijn in de 20e eeuw vaak aangeplant, eerst in proeven en later in bossen, met Schovenhorst in een hoofdrol. De andere soorten uit het westen zijn Abies magnifica, A. amabilis, A. bracteata en A. lasiocarpa; deze bomen zijn maar zelden in botanische collecties te vinden.

Abies grandis
David Douglas introduceerde Abies grandis (de Reuzenzilverspar) in Europa na zijn vondst langs de monding van de Columbiarivier in 1825 en stuurde zaden naar Europa in 1831. Reuzenzilversparren groeien in vochthoudende wouden in een brede kuststrook, met een tweede populatie in een droger gebied landinwaarts.
J.H. Schober introduceerde de kustherkomst van de Reuzenzilverspar in Nederland. Eén van die eerste exemplaren, geplant in 1854, staat nog in het Kleine Pinetum van Schovenhorst (42 m). Ondanks de snelle hoogtegroei en hoge volume-aanwas is het hout niet erg gewild, omdat het minder duurzaam is dan dat van andere snelgroeiende naaldbomen. Het is de meest geplante Zilverspar in Nederlandse bossen, herkenbaar aan de zeer plat georiënteerde naalden, kleine met hars bedekte knoppen en bruinachtig-groen gekleurde twijgen.
P. den Ouden schreef in 1949: ‘Van de talrijke bij ons uit het westen van Noord-Amerika ingevoerde Abies-soorten is dit wel de belangrijkste, omdat deze zich zeer goed aan ons klimaat aanpast’. ‘….. beter bestand tegen een laag vochtgehalte der lucht’. De bewering van den Ouden dat Abies grandis beter tegen ons klimaat kan dan Abies alba is opvallend. Tegenwoordig is het in de praktijk andersom en wordt de Europese Abies alba gebruikt als vervanging van Fijnspar en Reuzenzilverspar, die beide last hebben van verdroging.

Abies concolor subspecies lowiana en subspecies concolor
Splitsing in subspecies is verantwoord vanwege aparte verbreidingsgebieden, lowiana wordt door sommige auteurs ook als aparte species of als variëteit beschouwd. Boomkwekerijen maken meestal geen onderscheid tussen beide ondersoorten.
De Lowiana-edelspar trok de aandacht van plantenjagers en landgoedeigenaren vanwege snelle groei en hoge volumeaanwas. Hij wordt groter dan de verder landinwaarts groeiende subspecies concolor. De naaldbovenzijde is variabel, vaak groen, maar ook grijsgroen gekleurd, met minder rijen huidmondjes en gemiddeld iets kortere naalden, wel tot 5 cm. Naarmate de boom ouder is, kleuren de naalden grijzer. Hij werd toegepast in Nederlandse bossen rond 1950, maar is daar nu vrijwel niet meer aanwezig.
Het is een aantrekkelijke sierboom voor parken en grote tuinen, maar erg gevoelig voor droogte.
Subspecies concolor heeft sterker blauwgrijs gekleurde naalden, kan daardoor esthetisch waardevoller zijn, maar is moeilijker te kweken, en groeit langzamer. De Lowiana-edelspar is nauw verwant aan de Reuzenzilverspar, maar groeit zuidelijker, in het kustgebied van Californië. In het verbreidingsgebied tot 60 meter hoog wordend, in Nederland tot 29 meter.

Vaak is een soort geen constante, maar gaat gradueel over in een andere soort. Tussen Abies concolor en Abies grandis bestaan veel overgangsvormen. Lowiana-zilversparren worden gezien als intermediair.
Lowiana hybridiseert van nature met de landpopulatie van Abies grandis tot Abies grandis x concolor in de overgangszone tussen beide soorten. Populatiestudies onderscheiden verschillende populatieclusters.
Grote bomen groeien in Dennenhorst en Schovenhorst, jonge exemplaren inclusief overgangsvormen o.a. in de Abies-collectie van Arboretum Oostereng.

Een dertig jaar oude Abies concolor
Foto: Leo Goudzwaard

Abies procera
De Edelzilverspar (Abies procera) is wellicht de mooiste soort in het genus, met groene tot blauwgrijs gekleurde, omhoog gebogen naalden zeer dicht opeen en enorme kegels. Vanwege de bijzondere uitstraling zijn blauwgrijze (geënte)
selecties als sierboom in tuinen te zien.
David Douglas introduceerde de boom vlak na 1825. Vanaf 1919 werd de boom in Nederland in meerdere bosvakken uitgeplant. Daar is niets meer van over, de zandige bosbodems zijn te droog voor deze soort.
Van nature groeit de Edelzilverspar in een regenrijk gebied in het westen van de staten Washington en Oregon. Het is een droogtegevoelige soort, jonge bomen zijn alleen te behouden op goed vochthoudende gronden of verbeterde plantplaatsen met regelmatige watergift. De boom kan van nature tot 60 meter hoog wordend, maar op zandgrond in Nederland max. 32 meter. De op Schovenhorst aanwezige groepen zijn niet meer vitaal en ook in andere collecties verdrogen de oude exemplaren.
Abies procera is van de nauwverwante Abies magnifica te onderscheiden aan de minder gekromde naalden en een lengtegroef op de naaldbovenzijde. Bovendien steken in de kegels de dekschubben onder de kegelschubben uit.

Kegels van Abies procera
Foto: Leo Goudzwaard

Abies magnifica
De Rode zilverspar (Abies magnifica) vormt een elegante boom met fraai grijs gekleurde en licht gekromde naalden die aan beide zijden gekield zijn. Andere verschillen met de Edelzilverspar zijn de rodere twijgen en ingesloten, dus niet zichtbare, kegelschubben.
Hij heeft een meer landinwaarts groeigebied in de Californische Sierra Nevada, is moeilijk te kweken en daardoor zeer zeldzaam in collecties.
De Rode zilverspar hybridiseert met de Edelzilverspar in een groot overgangsgebied tot Abies x shastensis, met uitstekende dekschubben, in tegenstelling tot de zuivere soort.

Abies amabilis
De Pacifische zilverspar is eveneens door David Douglas geïntroduceerd en groeit als climaxsoort in het bergachtige Pacifische westen van British Columbia tot in Noord-California, vaak samen met Abies grandis en Abies procera en waar ook Douglasspar, Tsuga heterophylla, Thuja plicata, Pinus monticola, Picea engelmannii en Pinus contorta thuishoren. Hij hoort tot de meest schaduwverdragende coniferensoorten. Zaailingen kunnen meerdere eeuwen onder het kronendak blijven voordat ze daarin doorgroeien. Het vermogen om in leven te blijven is mede verklaarbaar doordat de wortels vergroeid zijn met de kronendakbomen en op die manier koolstof kunnen opnemen via volwassen bomen.
Een prachtige boom, maar weinig bekend in Nederland, doordat jonge planten gevoelig zijn voor ‘slechte weersomstandigheden’. Den Ouden schreef al in 1949 over de zeldzaamheid (‘voorkomend in Blijdenstein en Tervuren’), en dat oude bomen op buitenplaatsen meestal tot A. magnifica behoren. Ook elders in Europa nog steeds een zeer zeldzame parkboom en moeilijk verkrijgbaar. Blijdenstein en Dennenhorst bezitten een groot exemplaar. Arboretum Oostereng en Schovenhorst hebben enkele jonge exemplaren in de collectie.
Naalden zijn aan de basis sterk gedraaid in tegenstelling tot A. magnifica. A. amabilis heeft geen huidmondjes op de naaldbovenzijde tot slechts weinig op de naaldtop. De naaldbovenzijde van A. magnifica daarentegen is grotendeels met witte huidmondjes bedekt.

Bovenzijde van de naalden van Abies amabilis
Foto: Leo Goudzwaard
De mooie stam van Abies amabilis
Foto: Leo Goudzwaard

Abies bracteata
De Santa-Lucia zilverspar (Abies bracteata) is zeldzaam, zowel in de Santa-Lucia bergen van California als in botanische collecties.
Dit Abies-buitenbeentje is op het eerste gezicht Douglasspar-achtig, met spits-kegelvormige knoppen, maar heeft scherpe, harde naalden.
David Douglas beschreef de soort in 1832, waarna William Lobb de boom introduceerde in Europa in 1853. Bijzonder fraai zijn de borstelachtig uitziende kegels met tot 5 cm ver uitstekende naaldvormige dekschubben (‘als door een stekelvarken gestoken’). Al op jonge leeftijd heeft de stam een afschilferende, kurkachtige schors.
Van nature samen groeiend met o.a. Sequoia sempervirens, Pinus lambertiana, Pinus ponderosa en Pinus coulteri.
De boom is weinig bekend, maar jonge exemplaren zijn te vinden in o.a. Pinetum Blijdenstein en Arboretum Oostereng.

Knoppen van Abies bracteata
Foto: Leo Goudzwaard

Een uitgebreidere beschrijving van de Noord- Amerikaanse Abies-soorten, inclusief literatuurverwijzingen, is te vinden op website van Arboretum Oostereng.

Leo Goudzwaard is wetenschappelijk medewerker bij Wageningen Universiteit en collectiebeheerder bij Arboretum Oostereng.

Magnolia virginiana, de enige echte Beverboom

Op de omslag van de derde Arbor Vitae uit 2023 prijkt een foto van een Magnolia die in het land van herkomst een hele reeks namen heeft met als belangrijkste Sweet Bay. Verder onder andere Swamp Bay, Swamp Magnolia, White Bay en Beaver Tree. Deze laatste naam was de aanleiding om voor het hele geslacht als Nederlandse naam Beverboom te gaan gebruiken met als toppunt Gewone beverboom voor Magnolia ×soulangeana. Gelukkig is uiteindelijk toch voor Magnolia als Nederlandse naam gekozen, want de connectie met bevers geldt alleen voor Magnolia virginiana.

Magnolia virginiana was de eerste Magnolia die door Linnaeus werd benaamd. De geslachtsnaam werd eerder al gegeven door Charles Plumier, die daarmee de Franse botanicus Pierre Magnol eerde. Eigenlijk zou, zoals de Fransen doen, de geslachtsnaam moeten worden uitgesproken als Manjolia. M. virginana is de meest verbreide soort in de VS. Ze groeit van noord tot zuid in de kustvlakte en in het zuidoosten ook aan de voet van heuvels. Boven North Carolina is het een bladverliezende struik. In het zuiden is het een groenblijvende boom die tot 28 m hoog kan worden. Deze zuidelijke populaties werden lang aangeduid als de var. australis, maar dat is thans een synoniem. De geurende witte bloemen hebben een doorsnede van 5-8 cm. De tien tepalen vouwen zich niet gelijktijdig open. De bloeitijd is heel lang: van half juni tot in augustus. Als enige Magnolia kan ze te maken hebben met vraat door bevers. Enkele van de andere namen wijzen op de groeiplaats in moerasgebieden.

Magnolia virginiana volledig geopende bloem
Foto: Monique Oude Wansink

M. virginiana werd in 1688 in Engeland ingevoerd. In ons land is het een geheel of gedeeltelijk wintergroene heester. Van het tiental benaamde selecties is ‘Jim Wilson’ met als merknaam MOONLIGHT waarschijnlijk de bekendste.

Hybriden van M. virginiana
Magnoliasoorten zijn gemakkelijk onderling te kruisen en dat geldt ook voor M. virginiana. De eerst hybride, die al in 1808 bekend werd, was M. ×thomsoniana, een kruising van M. virginana met M. tripetala. De kruising van M. virginiana met M. grandiflora lijkt sterk op de laatstgenoemde, maar heeft smallere bladeren en is zeer winterhard. Een selectie van deze kruising is ‘Freeman’ met een zuilvormige groei. Ook ‘Maryland’ heeft deze ouders.

Magnolia virgianiana: ontluikende bloemen
Foto: Monique Oude Wansink

Overige Noord-Amerikaanse soorten
Van de totaal acht soorten is M. grandiflora de bekendste, mede dankzij de klimaatverandering. Vroeger zag je M. grandiflora in Engeland op een zeer beschutte plek tegen een zuidmuur. Ik herinner me hoe bij de Botanische Tuinen in Wageningen de plant in de zestiger jaren iedere winter in rietmatten werd gehuld als bescherming tegen de vorst. Het areaal van
M. grandiflora is in het uiterste zuidoosten van de VS. Er zijn thans een groot aantal benaamde selecties, met name ‘Gassonière’ en ‘Ferruginea’.

M. acuminata heeft een groot areaal in het zuidoosten van de VS. Linnaeus beschreef hem in Species Plantarum (1753) als variëteit van
M. virginiana. Het kunnen grote bomen worden: tot 30 m hoog. Het is de enige Magnolia met geel in de bloemen en dat heeft geresulteerd in soortkruisingen met gele bloemen. Een aparte winterharde soort is M. tripetala, een veelstammige struik met de grote bladeren in kransen. Ook deze soort werd door Linnaeus als variëteit van M. virginiana beschreven.

Ook M. macrophylla heeft, zoals de naam al zegt, grote bladeren. Ze staan ook in kransen, maar het is meestal een eenstammige boom. De soort heeft lage beschutte groeiplaatsen in het zuidoosten van de VS. Nauw verwant is M. ashei met een klein areaal in het uiterste zuidwesten van Florida. Het is een bedreigde soort.
Resten nog M. fraseri en M. pyramidata, eveneens uit het zuidoosten van de VS. In cultuur zijn ze zelden aan te treffen.

Kluster zaden van Magnolia macrophylla
Foto: Ineke Vink

Palmbomen: een onderbelichte groep

In Arbor Vitae zijn palmbomen nog nooit aan de orde geweest. Het wordt tijd dat daar verandering in komt, want je ziet ze steeds vaker in tuinen. Misschien komen ze wel als straatboom voor en als dat nog niet het geval is, dan zal dat zeker gaan gebeuren.
De eigenaren van de boom hebben meestal iets met het zonnige zuiden, want palmen associëren we met mediterrane of tropische streken. Dit klopt vaak, maar er zijn palmen die in koude streken voorkomen en dat biedt kansen voor ons in Nederland.

In de botanische tuin van Rome waar mijn fascinatie begon, wordt de hoofdlaan geflankeerd door een rij torenhoge palmen. Hoe heten ze? Je kunt niet bij de bladeren komen, dat is meestal het geval bij palmen. Hoe krijg je vat op deze bomen? In dit artikel geef ik een aantal aspecten waar we op kunnen letten.
Palmen hebben een duidelijk herkenbaar uiterlijk: je ziet een lange stam met bovenin wuivende bladeren. Ze behoren tot één familie, de Arecaceae. Deze familie omvat 188 geslachten en ongeveer 2585 soorten. We identificeren palmen met mediterrane streken en met de tropen, maar ze komen ook voor in bergachtige streken, langs kusten en in de Himalaya en er zijn er ook die in onze streken zouden kunnen gedijen. Er zijn een tweetal palmen die steeds vaker voorkomen in onze tuinen, Chamaerops humilis en Trachycarpus fortunei. Palmen zijn uniek in het plantenrijk. Er zijn kampioenen onder: die met de zwaarste zaden (25 kg), die met de grootste bladeren (25m) en die met de grootste bloeiwijze (8m) ter wereld. Bij ons hebben de palmen geen economisch belang, maar in veel landen wel. Voor de voedselvoorziening zijn palmen van levensbelang. Zo leveren ze kokosnoten, dadels en betelnoten. Hier in Nederland gaat dat echter niet op en worden palmen gebruikt om een tuin een exotisch tintje willen geven.

Chamaerops humilis
Foto: Henriette Degewij

Palmen behoren tot de bedektzadigen en verder tot de eenzaadlobbigen waarvan de belangrijkste kenmerken zijn dat er geen kelk of kroon is maar een bloemdek, dat bij de bloem het grondgetal drie of een veelvoud van drie is, dat er na het kiemplantstadium bijwortels groeien, en, heel belangrijk, dat er geen secundaire diktegroei optreedt.
Een palm heeft een schijnstam. In feite is dit een stengel, er zijn geen jaarringen, er is geen bast en er zijn geen echte takken. De groei is alleen zichtbaar in de lengte. De dikte van de stam is van het begin af aan bepaald. Een jonge boom van dezelfde soort heeft dezelfde dikte als één die heel oud is. Je ziet opeengestapelde bladvoeten die de stam een eigen gezicht geven. Bovenaan de stam is de groeitop. Deze is kwetsbaar, vandaar dat het verdedigingsmechanisme hierop is gericht: stekelige bladstelen bijvoorbeeld, zodat een vijand er niet kan inklimmen of de groeitop kan opeten. Het blad ontwikkelt zich vanuit deze groeitop. Hierin bevindt zich een gevouwen en onverdeeld blad dat zich door een splitsing ontwikkelt tot een samengesteld blad.

Onderkant blad van Chamaerops humilis
Foto: Henriette Degewij

Hoe nu bepalen we de soort? Hiervoor kunnen we het beste bij de bladeren beginnen. Het blad is waaiervormig of vedervormig, vandaar de waaierpalmen en vederpalmen. Deze twee groepen zijn de voornaamste. Er zijn ook nog dubbelgeveerde en gaafrandige palmen, maar die worden in dit artikel niet besproken. Onder de waaier- en vederpalmen bevinden zich tussenvormen waarbij de bladsteel doorloopt in de bladschijf. Dit verschijnsel heet costapalmaat. Deze tussenvormen worden tot de waaierpalmen gerekend, bijvoorbeeld bij de Livistona’s. Voor de determinatie is de mate van insnijding van de bladschijf van belang. Deze kan bijvoorbeeld tot de basis of tot een kwart zijn ingesneden, er zijn vele mogelijkheden. Sommige soorten hebben een knik in het blad, die al van verre goed te zien en het determineren eenvoudiger maakt. Vele soorten hebben stekels op de bladsteel, die behoorlijk agressief zijn. Ook de lengte van de bladsteel ten opzichte van het blad zelf doet er toe.
De stam kan gemat, vezelig, dwarsgestreept of glad zijn. Dit laatste is soms bedrieglijk, want je komt exemplaren tegen die geschoren zijn en dan zie je zomaar een kale stam. Typerend voor sommige geslachten binnen de vederpalmen is de bladschedenbundel boven in de stam die er uit ziet als een groene hals, bijvoorbeeld bij Archontophoenix.
Bij sommige geslachten hangen de verdroogde bladeren als een rok naar beneden, bijvoorbeeld bij de Washingtonia’s. Ook het geslacht Phoenix is goed te herkennen door zijn opstaande schubben evenals de zilverkleurige palmen, bijvoorbeeld Bismarckia.

Blad van Trachycarpus fortunei
Foto: Henriette Degewij

In Nederland zijn diverse palmen in de handel. Allereerst de Trachycarpus fortunei, de Chinese waaierpalm, afkomstig uit China. Deze soort komt bij ons het meeste voor. Het is een kleine boom met een vezelige bast, het blad is diep gedeeld, waaiervormig en donkergroen. De bloemen groeien in pluimen met kleine, gele bloemetjes, al hoewel er in ons klimaat zelden bloemen zijn te vinden. De boom houdt niet van wind.
De Chamaerops humilis, de Europese dwergpalm, is de enige soort uit Zuid-Europa. Deze is struikachtig, meerstammig of eenstammig. Het blad is stijf uitstaand, diep ingesneden, waaiervormig en heeft een bladsteel met scherpe stekels.
De Trachycarpus takil, Brahea armata, Trithrinax campestris, Washingtonia robusta, Butia capitata, Butia yatai, Howea forsteriana en Phoenix canariensis komen ook voor. Je ziet ze zelden, maar zijn het proberen waard met het warmer worden van het klimaat. Verder zijn er planten in de handel die op palmen lijken. Cycas (Cycadadeae) en Yucca (Asparagaceae) liften op de populariteit van de palm mee. Het is verwarrend dat de Yucca Palmlelie wordt genoemd.
Tenslotte zie je een ruim aanbod van palmen als kamerplant. Je ziet ze soms gewoon in de supermarkt waar ik wel eens een jonge Livi­stona of Cocos aantref, die ik ken als metershoge bomen. Het is leuk om het jeugdstadium te bekijken van deze reuzenpalmen.

Stam van Trachycarpus fortunei
Foto: Henriette Degewij