Het is een regelmatig terugkerende discussie: worden er wel de juiste bomen aangeplant in onze bossen en andere natuurgebieden? En behouden we op deze manier onze inheemse, autochtone populaties?
Flora wordt inheems genoemd als de soort zich na de laatste ijstijd spontaan in een gebied heeft gevestigd. Autochtoon zijn de populaties die zich generaties lang genetisch hebben aangepast aan de omstandigheden in een bepaald gebied (een zogenaamde klimaatregio, Nederland maakt deel uit van de klimaatregio Nederland/West-Vlaanderen), dus eigenlijk de plaatselijke nakomelingen van een inheemse soort, ook wel wilde flora genoemd. Binnen Natura 2000 is geregeld en geaccepteerd dat landen ernaar moeten streven iets van hun wilde flora, dus ook de wilde bomen en struiken, in stand te houden en te behoeden voor uitsterven. Dan gaat het dus om bomen en struiken die zich spontaan hebben gevestigd en waarvan de nakomelingen zich zonder (noemenswaardig) toedoen van de mens hebben weten te handhaven. Uit onderzoek van Bert Maes en anderen in de afgelopen 35 jaar blijkt echter dat het aandeel inheemse, autochtone bomen en struiken in nog aanwezige in situ bronpopulaties eind vorige eeuw tot een minimum was gedaald. Circa 3 tot 5% was nog maar inheems autochtoon te noemen en terug te vinden in de bronpopulaties.

Foto: Lammert Kragt
In Nederland komen ongeveer 100 tot 110 inheemse boom- en struiksoorten (inclusief halfheesters) voor met wilde populaties. Zo’n 10% daarvan is uitgestorven (de soort bestaat nog wel, maar het oorspronkelijke autochtone genetische materiaal niet meer), of bestaat alleen nog uit hele kleine aantallen. Van het oorspronkelijke materiaal en wat daar nog van over is, is 50% ernstig bedreigd geraakt in nog bestaande plaatselijke populaties. Jaarlijks verdwijnen er regionaal inheemse soorten met wilde (autochtone) herkomst. Deze achteruitgang heeft voornamelijk te maken met niet adequaat of gericht beheer van onze oude bosrestanten en houtwallen, naast de invloed van ontwatering, mest en gifstoffen. Zo golden tot en met de middeleeuwen strenge wetten en bepalingen omtrent de instandhouding van bossen (Jaap Buis, 1985. Historia Forestis) maar nadat die losgelaten werden, zette de achteruitgang zich snel in. Toch zouden we graag zien dat op het eind van deze eeuw de dan levende generaties nog steeds iets van onze wilde, houtige flora in ons landschap kunnen zien en ervaren. En niet alleen in arboreta.
Het is goed om de rol van wilde/autochtone bomen en struiken enerzijds en de rol van bomen en struiken in het algemeen (natuur, recreatie, productie) goed van elkaar te scheiden, hoewel er ook heel goed sprake kan zijn van een mengvorm (autochtone beplanting gebruiken die voldoet aan de eisen van het gewenste doel). Maar instandhouding van onze meest complexe landschapselementen met inheemse, wilde bomen en struiken is, alleen al uit voorzorg, wel verstandig. Hoe Staatsbosbeheer dat in Nederland wil doen, wordt hierna uitgelegd.

Foto: Lammert Kragt
De aandacht voor inheemse, autochtone bomen en struiken dateert uit de jaren ‘80 van de vorige eeuw en heeft zich nadien verder ontwikkeld in beleid en aanpak. Staatsbosbeheer heeft tussen 2005 en 2013 alle terreinen in eigendom en beheer door Maes laten inventariseren op mogelijk aanwezige bronpopulaties. Dat is tussen 2015 en 2018 nog een keer herijkt. Rapporten daarvan staan in het databestand van het Centrum voor Genetische Bronnen (CGN). Andere terreinbeheerders, zoals Natuurmonumenten en een aantal Provinciale Landschappen, zijn zover echter nog niet en staan pas aan het begin van een dergelijke monitoring.
In 2006 is op basis van mondiale, Europese en nationale afspraken (zie o.a. bijlage 1 bij nota en wet Bronnen van ons bestaan; behoud en duurzaamheid van genetische diversiteit) de genenbank voor bomen en struiken in de terreinen van Staatsbosbeheer ingericht (het Bronnenbos in boswachterij Roggebotzand). Circa 50 ha genenbank ex situ voor inheemse, autochtone bomen en struiken. Het oorspronkelijk materiaal hiervoor is verzameld binnen de klimaatregio Nederland/West-Vlaanderen, vanuit bronpopulaties. Het gaat dus om een klimaatregio-brede representatie van wat we nog hebben en in stand willen houden om drie belangrijke pijlers te waarborgen: klimaatbestendigheid, biodiversiteit (alle levensvormen die met deze soorten zijn verbonden) en ziektebestendigheid. Een collectie van een soort moet tenminste uit 30 verschillende genotypen bestaan, anders mag ze niet in de genenbank worden opgenomen. Dit zou anders de genetische basis versmallen. Alle oogstlocaties in- en ex situ staan geregistreerd in de Nederlandse Rassenlijst voor bomen en struiken.
De genenbank kent twee doelen:
- conservering door bijeen te brengen van wat er nog is en waar mogelijk de genetische basis verbreden met materiaal uit nieuw gevonden bronpopulaties
- vanuit de diverse collecties teeltmateriaal oogsten (zaad, stek) voor de vermeerdering via de boomkwekerijen die hiertoe gespecialiseerd zijn en het plantmateriaal (bosplantsoen) dat hieruit voortkomt door Staatsbosbeheer en andere organisaties planten in het bos en landschap binnen de klimaatregio. Dat kan in bestaand bos en landschap maar ook in nieuw aan te leggen bossen en landschappelijke beplantingen.
Dat werk wordt door Staatsbosbeheer uitgevoerd en is een wettelijk opgedragen taak van deze organisatie. Het staat onder toezicht van het CGN (wetenschappelijk toezicht) en NAK-tuinbouw (controle op in omloop brengen van teeltmateriaal en fyto-sanitaire hygiëne).

Foto: Lammert Kragt
Inheemse, autochtone herkomsten hebben een eigen status (SI = Source Identified) in de Nederlandse Rassenlijst. Staatsbosbeheer, afdeling Zaad & Plantsoen, heeft dit indertijd geïnitieerd om hiermee ‘gerommel’ te voorkomen. Deze categorie is vastgelegd in EU Richtlijn 1999/105/EG. De komende tijd wordt deze richtlijn omgezet naar een verordening en is daarmee, als een nog stringenter beleid, bindend voor alle EU-lidstaten.
Tussen 2010 en 2020 heeft dat per jaar circa 400.000 inheemse, autochtone, jonge bomen en struiken opgeleverd die allen een plaats hebben gekregen in bestaand of nieuw aangelegd bos en landschap. Vanaf 2020 is daar dankzij de Nationale Bossenstrategie een fors tandje bovenop gezet. Nu leveren we, in samenwerking met de boomkwekerijen, 800.000 autochtone bomen en struiken per jaar af. Omgerekend kom je op: (10 jr * 400.000 stuks) + (5 jaar * 800.000 stuks) = 8.000.000 inheemse, autochtone planten die het Nederlandse bos en landschap verrijken en daarmee hun autochtone voorgangers representeren en weer terugbrengen.
Daarnaast is het CGN gestart met een plan om, op basis van Europese afspraken, genenbewaringsunits in te stellen. Verspreid over het land zijn plaatsen aangewezen (bossen en landschappelijke beplantingen) waar zich nog oorspronkelijke bronpopulaties bevinden. Die populaties worden, voor zover dat nog niet het geval is, in kaart gebracht. Tevens wordt er ook actief gezocht naar mogelijk nieuwe, nog niet bekende populaties. Deze populaties worden gericht beheerd om ervoor te zorgen dat de populatie zich tenminste kan handhaven en zo mogelijk weer langs natuurlijke weg kan uitbreiden.

Foto: Lammert Kragt
Hoe worden nu de inheemse, autochtone bronpopulaties van soorten bepaald? Als ijkpunt wordt het landschap voor 1850 genomen: er wordt gekeken naar restanten van bossen en landschappelijke beplantingen die toen aanwezig waren. De populaties moeten zich in ongestoorde situaties bevinden waar bomen en struiken zich vanaf de laatste ijstijd in grote mate zelf hebben weten te handhaven door de eeuwen heen.
Verder zijn de morfologische (o.a. bladvorm, bloeiwijze) en de genetische (DNA) kenmerken van de betreffende plant/populatie belangrijk. Zekerheid is echter lang niet altijd te geven, dus het blijft een vermoeden met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat het dan om een inheemse, autochtone bronpopulatie gaat. Tijd, ruimte en andere invloeden, kortom de natuur, bepalen mede de oorsprong. Verder weten we veel van de moederplanten maar slechts weinig of niets van de vaderplanten. Dat geldt met name voor windbestuivers, maar er zijn ook lokale voorbeelden van ingekruist materiaal.
Momenteel is er een stroming die alleen kiest voor zeer lokaal, autochtoon materiaal. Dus zaad winnen van locatie X, daar planten van telen en die op locatie X en omgeving terug planten. Dat maakt de uiteindelijke genetische basis echter zeer smal met als gevolg allerlei problemen in tijd (ziekten). Verder is uit archeobotanisch onderzoek duidelijk naar voren gekomen dat veel huidige zeldzame en zeer lokaal gebonden soorten eerder ook op (veel) andere geschikte groeiplaatsen in het land voorkwamen. Een voorbeeld is de wilde appel (Malus sylvestris). Het is de kracht van de genenbank dat daar populaties staan die genetisch representatief zijn voor de gehele klimaatregio.
Anderzijds is er nog zeer veel onkunde en soms stuitende domheid op dit gebied. Een voorbeeld (waar gebeurd); een instelling vraagt naar autochtone Tamme kastanje (Castanea sativa). Dus een Nederlands-Vlaamse herkomst categorie SI. De kweker bevestigt dat die te krijgen is, maar levert uiteindelijk Castanea sativa met als herkomst Bulgarije (autochtoon). Voor de afnemer geldt daarom dat je duidelijk moet aangeven wat je wil hebben en altijd de correcte papieren erbij moet eisen. Blijkt dat het niet gaat om een Nederlands-Vlaamse autochtone herkomst, dan neem je de partij niet af en meld je de situatie bij NAK-tuinbouw.
In bossen en landschapselementen met accent natuur en een Natura 2000 status worden altijd en alleen inheems autochtone bomen en struiken geplant. In multifunctioneel bos (met houtproductie) worden als basis inheemse bomen en struiken geplant. De struiken zijn inheems autochtoon en de bomen zoveel als mogelijk of anders van goede en erkende bosbouwkundige herkomst in Nederland.

Foto: Lammert Kragt
Er is niks mis met exoten, in tegendeel, ze vormen vaak een waardevol, eeuwenoud erfgoed en zijn belangrijk voor onze woonomgeving. In onze complexe bosecosystemen, met samenhang van mycorrhiza, insecten, bodemfauna enz., spelen exoten echter vaak een minder positieve rol, zeker als ze invasief zijn. Logisch, omdat ze niet aan onze levensgemeenschappen en ecosystemen zijn aangepast. Toch kunnen ze ook voor onze bossen soms een waardevolle aanwinst zijn. In het kader van de klimaatontwikkeling worden dan ook kleine pilots (in het kader van het LIFE Climate Forest programma van Staatsbosbeheer en de Bosgroepen) geplant met zowel inheemse als uitheemse bomen. Het gaat daarbij om andere Europese boomsoorten die van oorsprong van elders komen, maar die al lang in Europa zijn ingeburgerd, zoals de Douglasspar. Maar ook om nieuwe soorten zoals Liriodendron, Sequoiadendron, Carya etc. of Europese soorten die elders in Europa inheems zijn zoals Corylus colurna of Sorbus torminalis (ook wel Torminalis glaberrima genoemd). In het kader van klimaatslim bosbeheer wordt geprobeerd op basis van waarneming en monitoring of deze soorten een waardevolle aanvulling in de tijd kunnen betekenen. In de voormalige terreinen van het Rijksinstituut voor Onderzoek in de Bos- en Landschapsbouw (RIBL) de Dorschkamp zijn proefvelden aangelegd met een aantal van deze nieuwe soorten. Op de site van Probos staat een lijst van mogelijke complementaire soorten
(https://www.probos.nl/projecten/innovaties-in-beheer/1635-aanvullende-boomsoorten-ten-behoeve-van-revitalisering).
