Compensatie van CO2-uitstoot door aanplant van bomen

Voor aanplanten, beheren en oogsten van bomen zijn diverse verdienmodellen ontstaan in het kader van het klimaatbeleid. Het vastleggen van koolstofdioxide in biomassa, waaronder bomen, wordt door certificeringsorganisaties via rekenmethodes ‘vertaald’ naar CO2-kredieten en certificaten, die vervolgens worden verhandeld op een verplichte, dan wel een vrijwillige koolstofmarkt.

Ook zijn er projecten die zonder certificaten werken. Zo is in Arbor Vita 2024/4 een artikel te lezen over de aanplant van bomen op kosten van een Nederlands bedrijf in een landgoed in Frankrijk ter compensatie van (een gedeelte van) hun CO2-uitstoot.

Maar hoe werkt de markt voor koolstofvastlegging door bomen nu precies? Hoe wordt de koolstofvastlegging berekend, wat kosten de certificaten en wat zijn punten van kritiek?

De hoeveelheid CO2 in de atmosfeer
Hoewel het percentage CO2 in de lucht bijzonder klein is (in 2023 maakte CO2 circa 0,0420 procent uit van de lucht) wordt de stijging van het aandeel CO2 beschouwd als de belangrijkste aanjager van het broeikaseffect. Op internationaal niveau zijn afspraken gemaakt om de jaarlijkse wereldwijde uitstoot van koolstofdioxide omlaag te brengen.
In 2023 was die globale uitstoot circa 40 miljard ton CO2 (ook uitgedrukt als 40 gigaton CO2, (40 GtCO2)). Het totale massagewicht van alle CO2 in de aardse atmosfeer was daarmee gegroeid tot 3200 miljard ton CO2. Uitgaande van circa 8 miljard mensen op deze aarde, heeft ieder mens als het ware 400 ton CO2 op z’n schouders. Daar komt ieder jaar per aardbewoner circa 5 ton CO2 bovenop (40 miljard gedeeld door 8 miljard). Maar omdat ongeveer de helft daarvan door planten op het land en algen en wieren in de oceanen weer opgenomen wordt in de biosfeer stijgt het aandeel CO2 in de atmosfeer dus jaarlijks per saldo met circa 20 miljard ton.
Bedrijven en huishoudens kunnen hun specifieke en persoonlijke jaarlijkse CO2-uitstoot berekenen met behulp van op internet gratis te gebruiken rekenmodules. De CO2-uitstoot per Nederlander is gemiddeld 10 ton CO2 per jaar, ongeveer het dubbele van de gemiddelde CO2-uitstoot van een aardbewoner.

Verschil tussen koolstofkredieten en -certificaten
Tijdens de Houtdag in Velp op 21 februari 2025 hield René van der Velde, associate professor Urban forestry aan de TU Delft, een voordracht over ins & outs van koolstofkredieten en -certificaten. De koolstofkredieten komen voort uit het Kyotoprotocol en maken onderdeel uit van een verplichte koolstofmarkt waarop grote bedrijven die te veel CO2 uitstoten extra emissieruimte (krediet) kunnen kopen. Voor één koolstofkrediet mogen zij één ton extra CO2 uitstoten boven op hun door de overheid vastgestelde emissieplafond. Daarvan te onderscheiden zijn koolstofcertificaten, die worden verhandeld op een vrijwillige koolstofmarkt ter compensatie van een bestaande toegestane emissie. Deze certificaten worden gebruikt door bedrijven, organisaties en personen die om uiteenlopende redenen hun bestaande CO2-uitstoot willen compenseren. Die vrijwillige koolmarkt is groeiend en ook grote bedrijven zoals Shell, Microsoft, Unilever en Ahold Delhaize kopen miljoenen koolstofcertificaten in om hun duurzaamheidsdoelstellingen te bereiken.

René van der Velde gaf op de houtdag een lezing over koolstof en bomen

Berekeningen koolstofvastlegging door bomen
De hoeveelheid CO2 die een boom op enig moment heeft opgenomen, is afhankelijk van vele factoren, waarvan groeisnelheid een hele belangrijke is. De groeisnelheid van diverse boomsoorten varieert binnen een bandbreedte van 10 tot 40 kg CO2-opname per jaar (gemiddelde, berekend over de levensduur van de boom). Eucalyptussen kunnen zelfs meer dan 40 kg CO2 per jaar opnemen. Een nog snellere groeier is de Paulownia. Met boomsoorten uit dit plantengeslacht wordt de laatste jaren in veel landen gepionierd. Ondernemers in landen zoals Duitsland, Oostenrijk, Kroatië en Roemenië zijn daar tien jaar geleden al mee begonnen. Maar ook in Nederland zijn er de laatste zeven jaar initiatieven met Paulownia. Agroforestry (‘bomenweides’) met een hybride soort, de Paulownia Shan Tong, een kloon van Paulownia tomentosa × P. fortunei, zou in dit kader veelbelovend zijn. In 2018 is Eric Litjens begonnen met het bedrijf Paulownia-cultures in Deest.

Inmiddels heeft hij 15 hectare aangeplant met Paulownia Shan Tong. Op zijn website noemt hij een gemiddelde CO2-vastlegging per boom van jaarlijks 64 kg. Dit lijkt overigens wel erg hoog ingeschat. In het in 2021 uitgebrachte door Probos uitgebrachte rapport ‘Paulowniateelt in Nederland’ is een vergelijking opgenomen van de Paulowniateelt met de biomassateelt van Wilg. Daarin wordt uitgegaan van jaarlijks respectievelijk 10 ton droge stof per hectare voor Wilg en 16 ton droge stof per hectare voor Paulownia. Dat komt neer op een jaarlijkse CO2-opslag per hectare van circa 18 ton voor Wilg en 30 ton voor Paulownia. Dit zijn indicatieve cijfers, omdat de opbrengst afhankelijk is van het aantal aangeplante bomen per hectare, de cultivar, de weersomstandigheden en de oogstfrequentie. De daadwerkelijke opbrengst van Paulowniateelt in Nederland zal de komende drie jaar blijken.

Paulownia plantage in Deest

Compenseren van 10 ton CO2-uitstoot
Voor het berekenen van de hoeveelheid benodigde bomen om de gemiddelde jaarlijkse uitstoot van 10 ton CO2 van een Nederlander te compenseren, nemen we als referentie een boomsoort die gemiddeld 25 kg CO2 per jaar vastlegt, dus een ton in 40 jaar, en daarmee goed is voor één koolstofcertificaat. De organisatie die een dergelijk certificaat verkoopt, moet aantonen dat het bomenproject voor die veertigjarige periode is gegarandeerd.

Ter vergelijking: René van der Velde rekende tijdens de NDV-Houtdag voor dat een 35 jaar oude boom van 1000 kg, met een droge massa van 47,5%, zo’n 237,5 kg koolstof bevat, wat neerkomt op een vastlegging van 871,63 kg koolstofdioxide en 871,63/35 = 24,09 kg CO2 per jaar. Op veel websites over CO2-compensatie wordt een gemiddelde vastlegging van 25 kg per jaar gehanteerd.

Feitelijke projecten kunnen uiteraard nogal verschillen van het geschetste hypothetische gemiddelde. Het hangt niet alleen af van de boomsoort, maar ook van de oogstwijze. Zo groeien bepaalde soorten Paulownia zo hard dat de bomen binnen tien jaar worden geoogst. Ze hebben dan een stamdiameter bereikt van 30 tot 50 centimeter. Er wordt dan iedere tien jaar verdiend aan het geoogste hout, maar ook aan de CO2-certificaten. Met het genoemde gemiddelde van 64 kg per jaar, zou een Paulownia na 10 jaar 640 kg CO2-vastlegging opleveren. In 35 jaar tijd (in het vierde oogstjaar) is op de ene groeiplaats van een Paulownia dan 2,24 ton CO2 vastgelegd. Vergeleken met de vastlegging van een ‘gemiddelde boomsoort’ uit het rekenvoorbeeld (ongeveer één ton na 35 jaar) is dat meer dan het dubbele.

Wat kost het om CO2-uitstoot vrijwillig via bomenaanplant te compenseren?
Eén koolstofcertificaat staat voor één ton verwijderde of voorkomen CO2-uitstoot. Inmiddels zijn er vele bomenprojectorganisaties die met de uitgifte van CO2-certificaten compensatieaanplant verzorgen, zoals Trees for all, EcoTree, One Tree Planet, Reforestum, Plant-for-the-planet, Eden Reforestation Projects en WeForest. Ook zijn tal van certificerende en verifiërende instellingen in het leven geroepen die de uitgifte van certificaten valideren en controleren. Een tamelijk ondoorzichtig woud aan instellingen.
De organisatie EcoTree (www.ecotree.green) spreekt liever over een CO2-bijdrage. Volgens deze organisatie zijn vooral vermijden en verminderen nodig en levert compensatie maar een beperkte bijdrage met het terughalen van CO2 uit de atmosfeer. Toch biedt ook EcoTree voor een bedrag van circa €75 gecertifieerde koolstofcertificaten aan van projecten in bijvoorbeeld Frankrijk of Denemarken. Een ander voorbeeld, in eigen land, is het agroforestry-project van John Heesakkers, (zie Arbor Vitae 2023/3). Een deel van de bomenaanplant op zijn bedrijf is verzorgd via TreesforAll (www.treesforall.nl) die behalve bomenaanplant in Nederland ook bebossingsprojecten in landen als Panama, Columbia, Mexico en Uganda financiert.
Zij rekent per CO2-certificaat een bedrag van €21,50 en heeft ook niet gecertificeerde projecten, waarbij een inschatting wordt gemaakt hoeveel CO2 de met donaties aan te planten bomen vastleggen.
De organisatie Ecommit (www.ecommit.nl) rekent €85 per certificaat. Het eerdergenoemde bedrijf Paulownia-cultures biedt koolstofcertificaten aan voor €125,-. Die certificaten zijn gevalideerd door de instelling Oncra (Open Natural Carbon Removal Accounting), die 7% ontvangt voor ieder verkocht certificaat. De monitoring en metingen moeten door onafhankelijke experts worden uitgevoerd.

De kosten verschillen dus nogal. Voor het volledig compenseren van een jaarlijkse CO2-uitstoot van 10 ton CO2 kan momenteel een bedrag gemoeid zijn tussen de 215 en 1250 euro. Uiteraard kan men er ook voor kiezen om slechts een gedeelte te compenseren.

Hoe de verdienmodellen voor koolstofvastlegging werken, wordt uitgelegd in een publicatie van het Louis Bolkinstituut. Een belangrijke rol lijkt daarbij weggelegd voor de Stichting Nationale Koolstofmarkt (SNK). De SNK komt voort uit de Green Deal Nationale Koolstofmarkt (opgericht in 2019). Het is een onafhankelijke stichting die beoogt de kwaliteit van koolstofcertificaten te waarborgen. Binnen de SNK-methode ‘Aanleg bos en beplanting buiten bosverband’ kunnen koolstofcertificaten alleen worden verkregen voor de aanplant van bosweides en lijnvormige beplantingen.

Agroforestry kan gedeeltelijk worden gefinancierd door uitgifte van koolstofcertificaten, zoals hier bij het bedrijf van John Heesakkers.

Kritiek
Kritische milieuorganisaties, zoals Milieudefensie, zetten grote vraagtekens bij inzet op CO2-compensatie door het aanplanten van bomen. Als nadelen zien zij de moeilijk te controleren opbrengst, de gevaren van ‘greenwashing’ en de verstoring van kwetsbare ecosystemen. Daarbij zijn er de afgelopen jaren ook de nodige schandalen aan het licht gekomen. Follow The Money schreef een ontluisterend artikel over het Zwitserse klimaatadviesadviesbureau South Pole, dat tientallen miljoenen CO2-certificaten verkocht aan het bedrijfsleven, onder andere in Nederland. De certificaten, uitgegeven voor het grootste bosbeschermingsproject in de wereld (het Kariba-project in Zimbabwe) genereerde in tien jaar grotendeels fictieve CO2-rechten. Van de omzet van 100 miljoen was ondanks afspraken vrijwel niets bij de lokale gemeenschappen terecht gekomen. Ondanks dergelijke schandalen groeit de vrijwillige koolstofmarkt met schommelingen door.

Routekaart koolstofverwijdering
Onlangs bracht de Minister van Klimaat en groene groei het rapport Routekaart koolstofverwijdering uit. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen permanente en tijdelijke opslag van CO2. De koolstofvastlegging door bomen wordt als tijdelijke opslag van CO2 beschouwd en deze gaat een beperkt aandeel van de opgave voor CO2-verwijdering leveren. Maar we zullen er de komende jaren wel het nodige van merken. Hopelijk leidt de beoogde ‘groene groei’ in dit kader tot een daadwerkelijke vergroening, met positieve impuls voor biodiversiteit en bomen.

Picea abies ‘Acrocona’, spar met bijzondere kegels

Met zijn opvallende, rode, op de top van twijgen geplaatste kegels is direct duidelijk dat de spar Picea abies ‘Acrocona’ een buitenbeentje is. In recent onderzoek is gepoogd de unieke genetische achtergrond op te helderen.

Rond het midden van de negentiende eeuw werd deze bijzondere Spar gevonden in een bos nabij het Zweedse Uppsala. In 1890 gaf de Zweedse botanicus Theodor Magnus Fries (1822-1913) haar de naam Acrocona, wat betekent ‘kegels vormend aan het eind van de twijgen’. Recenter zijn er in Zweden meerdere Sparren gevonden met dezelfde eigenschap. Normaal verschijnen de kegels bij Sparren altijd uit okselknoppen. Bijzonder is ook dat ze elk jaar gevormd worden en niet alleen in de zogenaamde mastjaren. Bij nadere beschouwing blijkt dat ze nooit zaden bevatten.

Recent onderzoek heeft aangetoond dat de vroege productie van kegels bij Picea abies ‘Acrocona’ te maken heeft met een toegenomen transcriptieactiviteit van een MADS-box transcriptie factor. De MADS-box is een geconserveerd sequentiemotief (een bepaalde deel van DNA, RNA of eiwit dat op verschillende plaatsen terugkeert, met een bepaalde biologische werking). De genen die dit motief bevatten, worden de MADS-box-genenfamilie genoemd. Deze genen coderen voor de MADS-domein eiwitten. Deze eiwitten zijn over het algemeen transcriptiefactoren, die zijn betrokken bij ontwikkelingsprocessen, zoals de ontwikkeling van bloeiwijzen van bedektzadigen. De naam ‘Box’ verwijst naar een deel van de genen dat codeert voor de eiwitten die in de loop van de evolutie niet zijn veranderd; dienovereenkomstig is een deel van de primaire structuur in al deze eiwitten hetzelfde. De aanduiding MADS is gevormd uit de eerste letters van de genen waarin het zeldzame sequentie-element voor het eerst werd gevonden : MCM1 in biergist, AGAMOUS in de zandraket. DEFICIENS bij de grote leeuwenbek en SRF bij de mens.

Normaal duurt het 20-25 jaar alvorens P. abies mannelijke en vrouwelijke kegels produceert. In onderzoek van zaailingmutanten van P. abies ‘Acrocona’ bleek dat ze in de 2e groeicyclus al kegels produceerden. Studies van transcriptieregelaars behorend tot de MADS-box genenfamilie van P. abies ‘Acrocona’ wijzen er op dat leden van deze genenfamilie invloed hebben op de lengte van de juveniele fase en de vegetatieve of reproductieve identiteit.

Picea abies ‘Acrocona’.
Foto: Ronald Houtman

Nieuwe dwergmutanten
Er is bij coniferenliefhebbers altijd interesse in dwergmutanten en die zijn er nu ook van P. abies ‘Acrocona’. Eén daarvan is P. abies ‘Pusch’. Ze werd in 1975 gevonden door Andreas Pusch uit Werder (Duitsland) als heksenbezem in een P. abies ‘Acrocona’. Omdat de rode kegels steeds verschijnen op de top van twijgen, is er geen duidelijke harttak. De twijgjes die ieder jaar gevormd worden zijn slechts 2,5 tot 5 cm lang. Omdat in de naam niet verwezen werd naar P. abies ‘Acrocona’ werd in de handel de selectie Acrocona soms toegevoegd resulterend in namen als ‘Acrocona Pusch’, ‘Acrocona Nana’ of ter verduidelijking ‘Acrozwerg. Uit deze dwergconifeer is door Baumschule Böhlje uit Westerstede (Duitsland) een eveneens zeer compacte dwergspar geselecteerd die de naam P. abies ´Ronja´ kreeg. Ook deze toont al jong de fraaie rode kegels en wordt slechts 50 cm hoog. De Canadese Scullion Garden introduceerde in 2015 een mutant met gele naalden met de naam P. abies ‘Acro Yellow’. Een Poolse selectie met gele naalden is in de handel met de naam P. abies ’Acrocona KBN Yellow’.

Picea abies ‘Pusch’.
Foto: Ronald Houtman

Fagus sylvatica ‘Bornyensis’ of Fagus sylvatica ‘Pendula’?

Naar aanleiding van het artikel ‘Op zoek naar de Treurbeuk met kroonent’ (Arbor Vitae 3-34, blz 32-33) kwam een reactie binnen van Christophe Nourdin* uit Frankrijk. Naar zijn mening is de Treurbeuk in Kalmthout niet geënt met materiaal van de cultivar ‘Bornyensis’. Hieronder volgt zijn reactie.

Tekening naar een foto van de originele boom in Metz op de kwekerij Simon-Louis Frères. Afgebeeld in het tijdschrift Revue le Jardin uit 1899. In het artikel werd als hoogte 11 m genoemd met een enkele stam, mogelijk doordat de boom aangebonden is geweest aan een paal. Deze originele boom is mogelijk ten gevolge van hevige bombardementen van Metz in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan.

Graag wil ik reageren op het artikel in Arbor Vitae wat ik aantrof op het internet (https://dendrologie.nl/arbor-vitae/op-zoek-naar-de-treurbeuk-met-kroonent/). Het artikel over het exemplaar in Arboretum Kalmthout interesseert mij zeer, speciaal omdat ik deze Fagus sylvatica ‘Bornyensis’ al bijna meer dan 30 jaar bestudeer. Naar mijn mening zijn de kroonenten op de hoogstam in Kalmthout niet ‘Bornyensis’. Deze mening wordt gedeeld door Beukendeskundige Gerhard Dönig uit Duitsland. Hij bevestigde mij dat die enten niet van de echte ‘Bornyensis’ zijn. De verwarring is vergroot doordat kwekerijen enthout van deze boom in Kalmthout hebben genomen die vervolgens zijn verspreid als ‘Bornyensis’. Daardoor zijn veelal Treurbeuken met een naambordje ‘Bornyensis’ niet soortecht. Dit werd mij ook bevestigd door de dendrologische vereniging in België (Belgische Dendrologie). Mogelijk zijn er in de Belgische database ‘Beltrees’ veel smal opgaande Treurbeuken als ‘Bornyensis’ opgenomen die eigenlijk vaak ‘Pendula’ zijn. Of althans één van de verschillende vormen van ‘Pendula’ die in omloop zijn, zoals vermeld wordt in Trees and Shrubs Online. Ook op de website Monumental Trees zijn alle als ‘Bornyensis’ opgenomen exemplaren niet echt (met uitzondering mogelijk van de boom in Croux, Frankrijk. Daar twijfel ik nog over). De habitus van de echte ‘Bornyensis’ laat zich omschrijven als een regelmatig gevormde, bolronde, overhangende groeiwijze. Geheel anders dus dan ‘Pendula’ met een opgaande groeiwijze en lange, overhangende takken.

‘Bornyensis’ in Kew Gardens, geënt exemplaar op een stammetje.
Geplant eind 19e eeuw.
Foto: Mathew Rees

Net als de cultivar ‘Verzy’ zijn ‘Bornyensis’, ‘Pagnyensis’ en ‘Remillyensis’ vormen van Tortuosa-beuken (Beuken met een kronkelachtige groeiwijze), oorspronkelijk door botanicus Pépin beschreven als Fagus sylvatica f. tortuosa. Simon Louis selecteerde drie van zulke Beuken: ‘Pagnyensis’ – uit het bos bij Pagny, ‘Remillyensis’ – uit het bos bij Remilly en ‘Bornyensis’. Van de laatste wordt geschreven dat het een zaailing is van ‘Remillyensis”. Er wordt niet vermeld dat het een zaailing is die is ontstaan op de kwekerij van Simon Louis (in de plaats Borny, nabij Metz) of als zaailing onder de geselecteerde boom in het bos van Remilly. In een scriptie uit Tsjechië die is geschreven door Ondrej Ottomansky heeft ‘Bornyensis’ andere bladkenmerken dan ‘Pendula’. De bladnerven eindigen in tandjes en het blad is meer ellipsvormig dan ‘Pendula’. Bij de boom in Kalmthout is de bladrand niet getand maar gekarteld en het blad is meer eivormig.

Een tweede exemplaar van ‘Bornyensis’ in Kew Gardens. Laag-geënt exemplaar. Geplant eind 19e eeuw.
Foto: Christophe Nourdin

Literatuur: Ondej Ottomanský (2004): Zhodnoceni rodu Fagus L. z pohledu zahradní a krajináské tvorby (Diplomová práce). Mendelova zemdlská a lesnická univerzita v Brn Zahradnická fakulta v Lednici.

*Christophe Nourdin is 27 jaar verbonden aan Nancy Botanic Garden als collectiebeheerder. Zijn interesse ligt in tuinieren, kwekerijen en in bomen, vooral oude bomen met historische waarde, inclusief oude cultivars van de kwekerij Simon-Louis Frères. Het bekendmaken en doorgeven van kennis van de historie ervan staat hoog in zijn vaandel. Wat betreft ‘Bornyensis’ is hij veel dank verschuldigd aan Ondrej Ottomansky voor het delen van zijn kennis.

‘Bornyensis’ in het Späth Arboretum. Ongeveer drie meter hoog en breed. Ontvangen en geplant in 1897.
Foto: Ondrej Ottomanski