De bomencollectie van Diergaarde Blijdorp: een arboretum met een bijzondere twist

De eerste bestuursleden van de Stichting Rotterdamsche Diergaarde waren het er in 1857 al snel over eens dat hun ‘levende collectie’ niet alleen aandacht moest hebben voor zeer uiteenlopende exotische dieren, maar ook voor bijzondere plantensoorten.

In de vooroorlogse binnenstad, waar de eerste diergaarde was gevestigd, was ruimte genoeg om diverse dierenverblijven aan te leggen voor allerlei hoefdieren, evenals speciale gebouwen voor het huisvesten van roofdieren, vogels en reptielen. Ook tropische kassen voor palmen, varens en succulenten mochten daarbij niet ontbreken. De tuin was aangelegd in Engelse landschapsstijl en kende reeds diverse fraaie bomen.

Plant en dier gaan vanaf de prille oprichting van de ‘diergaarde’ hand in hand. Ondanks de nieuwe plannen voor de stadsontwikkeling in de jaren ’30 van vorige eeuw én de dreigende Tweede Wereldoorlog bleven de ambities van het bestuur hoog. De plannen om de hele diergaarde te verhuizen (van de plaats waar nu het huidige Centraal Station is gevestigd) naar de nieuwe locatie in de Blijdorp-polder werden in werking gezet. Door de bombardementen op het centrum van Rotterdam, in mei 1940 versnelde het hele verhuizingsproces naar de nog half opgebouwde nieuwe plek, net buiten de stad.

Het bestuur had in de voorgaande jaren grote plannen met de nieuwe diergaarde. Zij moest uitgroeien tot de modernste dierentuin van Europa, naar het voorbeeld van dierentuinen die eerder waren gerealiseerd in onder meer Duitsland, zoals het Tierpark Hagenbeck in Hamburg. Vrijwel geen tralies meer, maar open zicht en ruimtelijke transparantie. De diergaarde zou in haar geheel, van entree tot stal en van plantenborder tot bomenlaan, worden ontworpen door één architect: Sybold van Ravesteyn (1889–1983).

Oude plattegrond Diergaarde Blijdorp.
Afbeelding: Archief Diergaarde Blijdorp

Deze architect liet zich dat geen twee keer zeggen. Hij ontwierp de tientallen stallen en bijgebouwen, de padenstructuur, de entree en zijn grootste, centraal gelegen meesterwerk: de Rivièrahal. Met ruime en transparante constructies van beton en glas riep hij sferen op die deden denken aan Zuid-Europa en gaf hij duizenden Rotterdammers, die de wrede oorlogsjaren hadden doorstaan, een gevoel van rust en ruimte terug.

Die ‘rust en ruimte’ kwam niet alleen tot uitdrukking in de architectuur maar ook in het totale beplantingsplan van de diergaarde. Van Ravesteyn werkte de padenstructuur uit in heldere zichtlijnen met rotondes, dierenweides en lanen, die voor het publiek vanuit de 42 meter hoge uitkijktoren goed zichtbaar waren.

Samen met het hoofd van de plantencollectie en tuinen, de heer Schoonebeek, werd gezorgd voor de aanplant van de eerste bomen in de nog kale en winderige polder. De beplanting en boomkeuze waren gebaseerd op een ‘wijker en blijver’-systeem van Populieren, Wilgen, Berken, Sparren, Lindes en Eiken. Deze soorten zorgden snel voor een groene diergaarde en waren, wat in de oorlogsjaren goed van pas kwam, waarschijnlijk bovendien relatief goedkoop in aanschaf.

Koelreuteria paniculata in de Chinese Tuin.
Foto: L.J. Nederlof

De Trompenburg-connectie
Rond de periode van de verhuizing nam de heer James van Hoey Smith (1891–1971) zitting in de Raad van Bestuur van de Stichting Rotterdamsche Diergaarde. Tevens was hij eigenaar van een particuliere bomenverzameling op landgoed Trompenburg in Kralingen. Zonder twijfel zette hij zijn uitgebreide handelsnetwerk in om er samen met Schoonebeek voor te zorgen dat bij diverse boomkwekerijen in binnen- en buitenland talloze boomsoorten werden aangeschaft.

Hoewel van Ravesteyn bepaalde waar de bomen met het oog op de zichtlijnen moesten worden aangeplant, opperden van Hoey Smith en Schoonebeek het idee om de bomen in taxonomische groepen over de beschikbare ruimte te verspreiden. Zo ontstond een Kastanjelaan met Paardenkastanjes, een windhaag van diverse soorten Haagbeuken, een Eikenlaantje met Eiken uit alle windstreken van Europa en een rij Beuken met de variëteiten die destijds in cultuur waren.

Een deel van de toen aangeplante bomen staat nog altijd in het ‘oude’ deel van de dierentuin. Het sortiment is qua leeftijd en variatie bovendien nog goed te relateren aan overeenkomstige exemplaren in het huidige Trompenburg Tuinen en Arboretum aan de Honingerdijk, enkele kilometers verderop!

De bomen als decor
In de jaren na de oorlog ontwikkelde Diergaarde Blijdorp zich tot een internationaal befaamde dierentuin met honderden diersoorten en bijzondere kweekresultaten. Ook de plantencollectie bleef niet achter. De Botanische Afdeling genoot bekendheid met omvangrijke collecties rotsplanten, Rozen, Orchideeën, cactussen en Bromelia’s. Het bomenbestand was eveneens indrukwekkend en zorgde voor het gewenste groen en de noodzakelijke schaduwwerking in het park.

Waar de bomen in de eerste periode vooral fungeerden als ‘piketpalen’ in het bouwkundig concept van Van Ravesteyn, was er veertig jaar later nog maar weinig over van het oorspronkelijke tuinontwerp. Bomen werden verwijderd of gingen op in nieuwe, ruimere dierenverblijven, waarin minder soorten juist meer ruimte kregen.

In de jaren ’90 van de vorige eeuw werd het eerste masterplan gelanceerd. Bezoekers moesten een beter en samenhangender beeld krijgen van de natuur als geheel, waarbij planten en dieren in onderlinge relatie werden gepresenteerd. De ruime verblijven, waarin beplanting een grote rol speelde, werden ‘biotopen’ genoemd en de dierentuin werd opgedeeld in continenten: Afrika, Amerika, Azië en Europa. Elk continent kreeg uitgestrekte verblijven met diersoorten die daar van oorsprong voorkwamen, inclusief, waar mogelijk, bijpassende beplanting.

Zo werd op het continent Amerika veel gewerkt met Eiken en Dennen. In de Chinese Tuin, onderdeel van het continent Azië, werd een omvangrijke collectie bomen en heesters uit China en de Himalaya aangeplant. Oude bomenstructuren werden daarbij zoveel mogelijk ontzien en, waar mogelijk, ingepast in de nieuwe ontwerpen. Langs de Chinese Tuin en de nieuwe Bergdierenrots zijn nog altijd sporen van het oude pinetum zichtbaar, terwijl op de Eikenlaan en Kastanjelaan nog steeds een diversiteit aan soorten staat die herinnert aan het ontstaan van Diergaarde Blijdorp.

Metasequoia glyptostroboides in de Chinese Tuin.
Foto: L.J. Nederlof

Binnen het nieuwe masterplan kregen bomen niet alleen de functie om de collectie te versterken, maar ook om de sfeer van de biotopen te ondersteunen. Om bijvoorbeeld de beleving van een Afrikaanse savanne op te roepen, werd gebruikgemaakt van zogenoemde ‘look-a-likes’. Zo werden onder meer Robinia pseudoacacia en Styphnolobium japonicum toegepast als vervangers van de karakteristieke Afrikaanse acacia.

Ilex × koehneana ‘Chestnut Leaf’ (Afrika/Europa).
Foto: L.J. Nederlof

De weg richting natuurbehoud
Het was voor onze Botanische Afdeling een grote opluchting én een enorme opsteker toen we in 2022 de drie sterren erkenning kregen voor ons arboretum als lid van de Nederlandse Dendrologische Vereniging (NDV). Dit toonde aan dat het werk, de ontwerpen en de inspanningen van onze voorgangers werden gewaardeerd en dat de bomencollectie een nieuwe, bredere rol kon krijgen: van groen decor naar een bruikbare collectie voor onderzoek, educatie en onderwijs.

Het bomenbestand van Blijdorp is tegenwoordig veel zichtbaarder en omvat ruim 700 soorten houtige gewassen, waaronder een groot aantal taxa uit de tropen. Onze bomencollectie is aangesloten bij het netwerk van arboreta (www.arbnet.org) met een Level II-certificaat. Op OpenBomenkaart (www.openbomenkaart.org/obk.htm?data=blijdorp) is een plattegrond beschikbaar waarop het bomenbestand en de bijzondere heesters in de diverse tuindelen zijn weergegeven.

Sequoiadendron giganteum (Mammoetboom) (Amerika).
Foto: L.J. Nederlof

Van dierentuin naar natuurbehouds­organisatie
Het nieuwe masterplan 2050 van Blijdorp beoogt een geleidelijke maar zekere transitie van een klassieke dierentuin naar een organisatie voor natuurbehoud, die planten en dieren in hun natuurlijke leefomgeving beschermt en uitsterven helpt voorkomen. Deze boodschap kan alleen effectief worden uitgedragen wanneer ook het fundament van al het leven op aarde, de groene planten, goed zichtbaar en gewaardeerd wordt.

Onze arboretumfunctie richt zich daarom steeds meer op de aandacht voor de vele bedreigde boomsoorten die wereldwijd onder druk staan. Voor sommige soorten is het van essentieel belang dat botanische tuinen en arboreta deze bedreigingen in samenwerking met andere organisaties kunnen neutraliseren en dat er voldoende genetisch materiaal beschikbaar blijft in ex-situ omstandigheden.

Met deze nieuwe missie zijn we nog maar net begonnen. Al veel is duidelijk geworden: Blijdorp kan dit werk niet alleen realiseren, maar wél in samenwerking met groene vakmensen, botanici, natuurbeschermers en dendrologen; eigenlijk zoals dat altijd al het geval is geweest!

Over de auteurs
Louwerens-Jan Nederlof is collectiebeheerder en Rick Put is senior botanisch medewerker, Botanische Afdeling Diergaarde Blijdorp, Postbus 532 3000 AM, Rotterdam, l.nederlof@diergaardeblijdorp.nl

Geïnteresseerden kunnen een overzicht van de houtige gewassen op verzoek toegestuurd krijgen door een mailtje te sturen.

Uitgestelde onverenigbaarheid

Op de Larensteindag van 27 februari 2026 waren twee sprekers uitgenodigd om een volle gehoorzaal deelgenoot te maken van hun praktische inzichten. Een verslag van het verhaal van Adriaan Schalk met als titel “wat doen we me de Es? is hier te lezen. Ronnie Nijboer presenteerde een helder verhaal over (uitgestelde) onverenig­baarheid. Als iepenexpert lag zijn focus vooral bij Iepen (Ulmus spp).

Onverenigbaarheid van Ulmus ‘Homestead’ op Ulmus × hollandica
‘Belgica’. Een slechte ent.
Foto’s: Hans Kaljee
Onverenigbaarheid van Ulmus ‘Homestead’ op Ulmus × hollandica
‘Belgica’. De doorsnede van een slecht ent.
Foto’s: Hans Kaljee

Al sinds de oudheid worden Iepen geteeld. De vermeerdering verliep van oudsher via zaaien en afleggen. Later kwam enten in zwang en sinds deze eeuw stekken. Zaailingen werden lang gebruikt als onderstammen. Daarbij ging het dan met name om de Ruwe iep (Ulmus glabra) omdat deze geen wortelopslag maakt. Ook Hollandse iep (Ulmus × hollandica ‘Belgica’) werd gebruikt als onderstam, maar dat betreft dan afleggers. De vermeerdering middels afleggers is de historische manier van vermeerdering voor Iepen; bomen die ooit het landschap en de steden van de Lage Landen domineerden. Deze afleggers worden gemaakt van een moerstoof. Dit is een bewerkelijk proces dat veel ruimte inneemt. Op 25 m2 kunnen 100 tot 200 afleggers worden geproduceerd. De resultaten zijn goed, maar er moet voorkomen worden dat er zogenoemde hockeysticks (worteling aan horizontaal lopende delen waar de stam hoeks recht op staat) ontstaan.

Eenzijdige wortel van de ent.
Foto: Ronnie Nijboer

De overstap naar enten heeft vooral te maken gehad met kostenoverwegingen. Enten kost minder tijd en is goedkoper, vooral het enten op een zaailing. Als onderstam zijn zaailingen van Veldiep (Ulmus minor) ongeschikt. Deze planten geven veel wortelopslag en de groei is zeer variabel. Toch komt het voor dat verkeerd gelabelde zaailingen als onderstam worden gebruikt. Bij het enten treedt soms onverenigbaarheid op. Dit kan direct plaatsvinden na het enten, of pas decennia later. Dit laatste wordt uitgestelde onverenigbaarheid genoemd.

De keuze van de onderstam is van invloed op de te verwachten onverenigbaarheid van ent en onderstam. Het devies is daarbij om zo dicht mogelijk bij de herkomst te blijven. Zo kent Ulmus ‘Columella’ bij enten op zaailingen van U. glabra reeds op de kwekerij een uitvalpercentage van 20 tot 30%. Ulmus laevis, de Fladderiep, is alleen geschikt als onderstam voor de nauw verwante U. americana, alle andere enten falen. Ulmus pumila een Centraal-Aziatische soort met een grote droogteresistentie, wordt juist vanwege die droogteresistentie als onderstam toegepast in de VS, maar blijkt ongeschikt voor ons klimaat. De ervaring leert dat het enten van klonen met daarin genen van de U. davidiana of U. pumila op U. glabra en ‘Belgica’ een verhoogd risico geeft op onverenigbaarheid.

Onverenigbaarheid gaat terug op een slechte vergroeiing van ent en onderstam. Bij onverenigbaarheid vernauwen de zeefvaten van de ent waardoor de toevoer van suikers en zetmeel naar de onderstam afneemt. Deze stoffen worden opgeslagen in het onderste deel van de ent die daarvoor een afsluiting richting onderstam maakt met als gevolg een verdikking boven de entplaats. Hierdoor verhongert de onderstam wat leidt tot wortelsterfte. Uiteindelijk wordt de onderstam afgestoten. Onverenigbaarheid betreft dus niet het afstoten van de ent door de onderstam, zoals vaak wordt gedacht!

Afgebroken ent met kenmerkend puntig einde (potloodboom).
Foto: Ronnie Nijboer

In de onderkant van de verdikte ent bevinden zich veel snel delende cellen en hormonen. Zodra de verdikking de grond raakt, produceert deze een wortel die, gevoed door de volledige kroon, snel uitgroeit tot een dikke wortel. Een dergelijke wortelvoet met een eenzijdige dikke wortel is kenmerkend voor planten op een afgestorven onderstam. Het effect van deze overlevingsstrategie van de ent is dat de gehele plant instabiel wordt. Vooral in vochtige grond of met een zomerstorm leidt dit tot omwaaien. De boom breekt af op de entplaats met vaak een kenmerkend puntig einde, en daarom ook wel een potloodboom genoemd. De verdikte stamvoet is een duidelijk signaal bij jonge planten dat er sprake kan zijn van onverenigbaarheid. Andere tekenen van uitgestelde onverenigbaarheid zijn het uitlopen van de onderstam en vervroegde herfstkleuring. Uitgestelde onverenigbaarheid komt bij meer boomsoorten voor. Het is inmiddels een gekend fenomeen bij Quercus robur ‘Fastigate Koster’, Quercus frainetto (op Q. robur), Robinia × margaretta (op R. pseudoacacia), Acer rubrum (op A. platanoides), Fraxinus ornus (op F. excelsior), Aria edulis (op Sorbus aucuparia), Tilia tomentosa (op T. cordata) en Betula utilis (op B. pendula).

Uitlopen van de onderstam (Ulmus glabra).
Foto: Ronnie Nijboer

Van de Chinese iep (Ulmus parvifolia), die voor bonsai wordt gebruikt, is al eeuwen bekend dat deze middels stekken vermeerderd kan worden. Sinds de jaren 1990 worden ook andere iepensoorten en -klonen middels stekken vermeerderd. Zomerstekken worden in trays onder verneveling geplaatst in kassen en vormen binnen enkele weken een bewortelde plugplant. Sommige klonen, zoals ‘Regal’ en ‘Homestead’, hebben de neiging een haakwortel te maken. Dergelijke stekken zijn niet geschikt voor doorkweek. Ook groeien iepenstekken te hard om in P9 potjes opgepot te worden; het beste is aanplant in de volle grond. Door stekken te gebruiken wordt (uitgestelde) onverenigbaarheid voorkomen, evenals aantasting door iepziekte via wortelcontact bij een niet-resistente onderstam. Het is daarom belangrijk Iepen op eigen wortel te telen.

Geel worden van geënte Ulmus ‘Clusius’ in Zeewolde
Foto: Ronnie Nijboer

Waarom is de bodem zo belangrijk voor bomen?

Tijdens de najaarsbijeenkomst van de NDV in Opheusden op zaterdag 22 november 2025 hield Dr. Ir. Jacqueline Baar*, directeur/adviseur bij Soil Best B.V. uit Wageningen een boeiende lezing over de bodem.

Het was illustratief dat het eerste beeld van de lezing de Langlevende den, Pinus longaeva, liet zien op de kale rotsbodem in Californië. Een leven, ruig, maar duizenden jaren standvastig in een genadeloos onherbergzame omgeving. Een mooi voorbeeld van de relatie tussen plant en bodem die in hoge mate wederkerig is. Zelfs in deze rotsachtige situatie weet de plant met behulp van mycorrhiza-schimmels water en voeding op te nemen.

Jacqueline startte met de theorie over de bodem. In Nederland is er ruwweg een verdeling mogelijk in klei-, zand- en veenbodems. Vaak worden ook nog bodems met löss en leem onderscheiden. De eigenschappen van die bodems zijn toe te schrijven aan een samenstelling van een drietal onlosmakelijke componenten: de biologische, de chemische en de fysische component.

De biologische component, waartoe deze lezing zich merendeels beperkte, werkt aan, en beïnvloedt de beide andere componenten tot een functionerend ecosysteem waarin het zelf ook kan leven. Het bodemleven verkleint het organisch materiaal, mengt het en breekt het af zodat de voedingsstoffen weer vrijkomen. Ook zorgt het bodemleven voor een luchtige kruimelstructuur van de bodem door zogenaamde bodemaggregaten te vormen middels kleverige stoffen. Zo ontstaat een optimale verhouding tussen vocht, lucht en bodem waarin de chemische processen die belangrijk zijn voor het ecosysteem, zoals de uitwisseling van voedingsstoffen, kunnen plaatsvinden.

De Langlevende den (Pinus longaeva) in Patriarch Grove, White Mountains, Californië.
Foto: Jim Morefield uit Nevada, USA, CC BY-SA 2.0, via Wikimedia Commons

Het bodemleven is enorm divers, alhoewel het grotendeels aan ons oog onttrokken wordt. Ik probeer het hier weer te geven in een achttal groepen al is deze indeling niet echt wetenschappelijk en volledig:

  1. Schimmels
  2. Actinomyceten (bacteriën die op schimmels lijken; deze zijn verantwoordelijk voor de typisch “aardse” geur van de grond)
  3. Bacteriën
  4. Eéncellige eukaryoten zoals amoeben en flagellaten (vroeger wel protozoa genoemd.)
  5. Nematoden (aaltjes)
  6. Veel micro- en macrogeleedpotigen en larven daarvan
  7. Naaktslakken en huisjesslakken.
  8. Regenwormen en grotere bodembewoners zoals de mol.

Er bestaat een directe positieve correlatie tussen de biodiversiteit onder de grond en dat erboven. Het leven wordt natuurlijk beïnvloed door landgebruik, klimaat, microklimaat, (boom-)soort en dergelijke, maar in het algemeen kan men stellen dat hoe groter de soortenrijkdom boven de grond is, hoe groter die ook is daaronder. Tóch overtreft de biodiversiteit onder de grond duidelijk die van boven de grond.

Tijdens de lezing werden met name de bacteriën en schimmels onder de loep genomen. Beide zijn zeer klein en verborgen, maar alom en in astronomische getale en verscheidenheid in de bodem aanwezig. Zo kunnen in een theelepel grond wel miljoenen, en naar schatting zelfs tot één miljard bacteriën leven. Zij vormen in kwantiteit het grootste aandeel aan het bodemleven. Bovendien zijn zij aangepast om in de meest extreme omstandigheden te kunnen overleven.

Maar vooral de schimmels, met name de mycorrhiza-schimmels, blijken van belang te zijn bij de uitwisseling van nutriënten en water tegen suikers die gevormd worden tijdens het assimilatieproces in de plant. De schimmeldraden van mycorrhiza-schimmels vormen een dicht netwerk rondom de wortels en staan ermee in hecht contact. Zo vergroten ze het opname-oppervlak van de wortels enorm en transporteren zelf actief nutriënten naar de plantenwortels; ook moeilijk te mobiliseren nutriënten die zij door afscheiding van enzymen kunnen extraheren. Met name in de bovenste dertig centimeter van de bodem reageren de planten daarop met een sterke beworteling. Tot wel 80 – 90% van de wortels daar kunnen leven in symbiose met mycorrhizae.

Schematische afbeelding van de wisselwerking tussen bomen en
mycorrhiza.
Afbeelding: Bert Schalkx en André Beerendonk

Er bestaan meerdere typen van mycorrhiza-schimmels. We kennen een aantal zichtbare paddenstoelen die steeds bepaalde soorten bomen vergezellen, zoals de vliegenzwam bij Berk en Eik. Dit is een ectomycorrhiza die samen met de boom een mutualistische associatie vormt (interactie waar beiden voordeel van hebben). Bindingen van ectomycorrhiza zijn betrekkelijk soortspecifiek en daardoor beperkt (ongeveer 2% van de landplantensoorten wereldwijd hebben een binding met een ectomycorrhiza). Er zijn daarnaast echter veel meer soorten mycorrhiza-schimmels die een samenwerkingsverband kunnen aangaan met heel veel planten. Dat zijn endomycorrhizae, met name de arbusculaire mycorrhizae. In tegenstelling tot de ectomycorrhizae zijn ze niet zo selectief, leiden een verborgen bestaan en kunnen bijna 95% van alle landplanten koloniseren, inclusief grassen, kruiden en de meeste landbouwgewassen en tuinplanten. Een uitzondering hierop zijn planten van de families Brassicaceae (koolgewassen) en Chenopodiaceae (bieten en spinazie onder andere).

Uit de figuren die Jacqueline Baar liet zien, werd duidelijk hoezeer mycorrhiza-schimmels in de bodem leiden tot een zich veel sterker en gezonder ontwikkelend gewas. Op proefvelden in binnen- en buitenland liet ze zien hoe bomen, maar ook landbouwgewassen, veel robuuster opgroeiden in samenwerking met de schimmels, met groter blad en beter bestand tegen droogte en ziekten. Soms lijkt de ontwikkeling in het begin juist wat trager te verlopen en lijkt het teleurstellend hoelang het duurt voordat de plant zich bovengronds ontwikkelt in vergelijking tot zijn soortgenoot met toegevoegde kunstmest. Maar het verschil zit in het feit dat planten en bomen met mycorrhiza-schimmels rond de wortels eerst ‘investeren’ in die wortels en daartoe ook gestimuleerd worden door die samenwerking. De wortels van de plant die gevoed wordt met kunstmest krijgen meteen wat ze nodig hebben. Ze hoeven niet in zichzelf te investeren en sturen de bouwstoffen meteen door naar boven voor de ontwikkeling van de bovengrondse plant. Bij tegenslag, zoals droogte, hebben deze bomen en planten maar een beperkt wortelgestel om water op te nemen en krijgen ze eerder last van een tekort. Het wortelgestel is zichtbaar inferieur.

Jacqueline liet ook een heel interessant licht vallen op het belang van de mycorrhiza-schimmels in relatie met de klimaat-adaptatie en de binding van kooldioxide. De mycorrhiza-schimmels spelen een wezenlijke rol in het biologisch assimilatieproces en dus in de opname en omzetting van kooldioxide in zuurstof en plantengroei. Planten en bomen met mycorrhiza-schimmels leggen maar liefst acht keer zoveel CO2 vast als planten en bomen zonder deze schimmels.

Uit recent onderzoek (2023) bleek dat planten dankzij hun mycorrhiza-schimmels ruim een derde (36%) van onze CO2 opslaan. Dat is 31% meer dan tot dan toe werd aangenomen. De mycorrhiza-schimmels hebben daarmee een cruciale rol in het binden van koolstof in de bodem en zijn een significante, natuurlijke bondgenoot in de strijd tegen klimaatverandering.

De relatie met de plant is belangrijk. Waar het bij ons om bomen gaat, is het van belang dat de juiste schimmels bij de bijbehorende boomsoorten worden toegevoegd. Maar ook de relatie en het evenwicht met de omgeving is belangrijk. Het systeem wordt gemakkelijk verstoord door milieuschade of onoordeelkundige toevoegingen. Zo schaden pesticiden, met name fungiciden, de mycorrhiza-schimmels, evenals de stikstofdepositie en de vorming van vrij ammonium in de grond (iets dat wij nog wel kennen uit het nieuws als de zure (reagerende) regen). De Langlevende den leert ons dat, als de onderlinge relatie tussen bomen en bodem goed is, dat er dan sprake is van duurzaamheid.

*Jacqueline Baar promoveerde aan de Landbouwuniversiteit Wageningen op bodembiologie en mycorrhiza-schimmels. Ze werkte onder andere 7 jaar in het Praktijkonderzoek Plant en Omgeving (PPO) in Wageningen aan de toepassing van bodemorganismen waaronder bacteriën, strooisel afbrekende schimmels en mycorrhiza-schimmels. Zij heeft onderzoek verricht aan de Berkeley Universiteit (VS) en de Radboud Universiteit in Nijmegen op dit gebied en is auteur van meer dan 130 publicaties. In 2012 startte zij het bedrijf Soil Best BV gericht op de bodembiologie en toepassing van mycorrhiza-schimmels in de groenvoorziening en de landbouw. Ze werkt in opdracht voor groenvoorzieners, gemeenten en provincie.