Categorie archieven: Dendrovaria

De evolutie van bomen

Op de houtdag in februari 2024 gaf Erwin Kaspars, van de geologische vereniging Amathysta uit Zaandam een lezing over de evolutie van bomen. Kaspars nam de zaal mee langs de verschillende tijdsperiodes in de ontwikkeling van onze aarde en langs alle factoren die de evolutie van het leven op aarde, de flora en onze bomen beïnvloedden.

Overzicht van de tijdperken

Het allereerste plantaardige leven op aarde ontstond zo’n 500-400 miljoen jaar (verder aangeduid als Ma=Mega annuum) geleden, de prehistorie. De reconstructie van de vegetatie bomen en bossen in verschillende perioden is mogelijk dankzij het vinden van fossiele bladeren, stammen, zaden, wortels, pollen en sporen. Deze vondsten, in combinatie met moderne technologieën zoals microscopie en geochemische analyses, hebben wetenschappers geholpen om een gedetailleerd beeld te schetsen van de bomen die in opeenvolgende perioden groeiden en hun ecologische rol.

Reconstructie van Cooksonia Foto: MUSE, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons

Vanaf 464 Ma geleden (in het Ordovicium), begonnen zich de eerste plantaardige organismen te ontwikkelen. Het waren kleine, niet vasculaire planten, lijkend op de huidige mossen en levermossen. Ze hadden nog geen wortels, stengels of bladeren en waren afhankelijk van een vochtige omgeving.
Het land was nog grotendeels kaal met alleen dus mosachtige soorten. De aarde was toen al ruim 4,54 miljard jaar oud. Daarmee vergeleken is 464 Ma geleden dus vrij recentelijk.
In de periode van het Siluur (444-419 Ma) begon het land gekoloniseerd te worden door de eerste vasculaire planten. De Cooksonia was zo’n vroege landplant, slechts enkele centimers hoog en eenvoudig van bouw. Het klimaat was gematigd en stabiel. In de periode van het Devoon (419-359 Ma) werd het land groener door de verspreiding van paardenstaarten, varens en andere (sporen)planten.

Reconstructie van Archaeopteris macilenta gebaseerd op fossielen van de Catskills Mountains in New York. Foto: Retallack, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons

De eerste echte boom in de evolutie was waarschijnlijk de Archaeopteris, een nu uitgestorven geslacht, in het Laat-Devoon (385-360 Ma). De Archaeopteris wordt beschouwd als de voorloper van onze moderne bomen en had kenmerken van zowel varens als zaadplanten. Deze houtachtige soort had secundaire groei (jaarringen), maar plantte zich nog voort via sporen. Het blad leek op dat van varens en had een groot oppervlak voor fotosynthese. De boom kon wel 10 tot 20 meter hoog worden, wat in die periode indrukwekkend groot was. Archaeopteris speelde een cruciale rol in de vorming van vroege bossen en had een belangrijke invloed op het klimaat en de koolstofcyclus. Deze bomen en vooral ook de wortelstelsels daarvan zijn in diverse opgravingen teruggevonden.

Lycopodium clavatum, een nu nog levende soort van de Lycopsida Foto: François-Xavier Taxil, CC BY 4.0, via Wikimedia Commons

In het Carboon (359-299 Ma) ontstonden grote moerasbossen met enorme boomachtige planten. Door de bewaard gebleven fossielen in steenkoolformaties hebben we een beeld van hoe het er toen uit zag. Het land was nat en bedekt met grote varens en boomachtige planten die in een warm en vochtig klimaat groeiden. Rond 335 Ma schoven de continenten naar elkaar toe tot het continent Pangea, hetgeen het klimaat, de oceaanstromen en de verspreiding van planten en dieren beïnvloedde. Intussen manifesteerden zich ook grote insecten zoals libellen, grote amfibieën en vroege reptielen. En ook de eerste zaadplanten zijn in deze periode ontstaan. Lycofyten (Lycopodiopsida) en varens waren de dominante planten op aarde, met boomachtige vertegenwoordigers die tientallen meters hoog konden worden. Hedendaagse soorten zijn over het algemeen veel kleiner. De enorme steenkoolafzettingen uit deze periode ontstonden omdat het klimaat droger en extremer begon te worden. In steenkolengebieden over de gehele wereld zijn enorme boomstammen gevonden die bewaard zijn gebleven omdat ze onder anaerobe omstandigheden in het water lagen.

Reconstructie van boom­achtigen uit het Carboon Foto: Potonie (1899). Lehrbuch der Pflanzenpalaeontologie. Ferd. Dümmlers Verlagsbuchhandlung, Berlijn

In het Perm (299-252 Ma) werd het supercontinent Pangea definitief gevormd. Het landschap varieerde van droge woestijnen tot kustmoerassen. Het klimaat werd droger en extremer dan in eerdere periodes en seizoensverschillen werden sterker. Aan het eind van het Perm stierf zo’n 90% van de groepen organismen op land en in zee uit. Ook veel plantensoorten verdwenen.

In het begin van het Trias (252-201 Ma) herstelde het leven zich weer langzaam. Pangea begon uit elkaar te drijven en het klimaat was droog en warm met seizoensgebonden regenval. Op de polen waren geen ijskappen en het klimaat was daar gematigd. De eerste dinosaurussen verschenen en de vroege zoogdierachtige reptielen. De flora van het Trias bestond voornamelijk uit coniferen, Cycaden, zaadvarens, Ginkgo-achtigen en andere vroege Gymnospermen. Deze groepen zouden in het Jura en Krijt verder evolueren en de aarde domineren, samen met de dinosauriërs.

De Jura (201-145 Ma) werd gekenmerkt door grote bossen. Pangea viel uiteen in Gondwana en Laurazië die steeds verder uit elkaar dreven. Daardoor werden populaties geïsoleerd waardoor soorten verschillend evolueerden in verschillende gebieden. Het klimaat was warm en vochtig zonder ijskappen op de polen. In dit tijdperk floreerden de dinosauriers en verschenen de eerste vogels. Er groeiden palmvarens, boomvarens, coniferen, Ginkgo’s en tegen het einde van het Jura kwamen de eerste loofbomen tot ontwikkeling.

In het Krijt (145-66Ma) verschenen de eerste bloeiende planten en begonnen zich te verspreiden. Het klimaat was warm, de zeespiegels hoog en er waren geen grote ijskappen op de polen. De continenten verschoven meer en meer richting de huidige situatie. Aan het einde van het Krijt vond, door een combinatie van factoren de laatste massaextinctie tot nu toe plaats. Een meteorietinslag in Mexico veroorzaakte aardbevingen, tsunami’s en de wereldwijde verstoring van het klimaat door stof-en brokstukken die in de atmosfeer werden geslingerd. Hierdoor werd de zon lang verduisterd wat leidde tot een drastische daling van de temperatuur. Ook was er intens vulkanisme in het gebied dat nu India is, waardoor grote hoeveelheden broeikasgassen uitgestoot werden, wat bijdroeg aan klimaatveranderingen en de verzuring van de oceanen. Dit alles leidde tot een massaal uitsterven van organismen. Het markeerde het einde van het tijdperk van de dinosauriërs en het begin van een nieuwe fase in de evolutie van zoogdieren en vogels.

De fylogenetische stamboom met betrekking tot de belangrijkste gymnosperm- en angiospermclades (clade is een groep organismen die afstammen van een bepaalde gemeenschappelijke voorouder, inclusief die voorouder zelf). Merk op dat de precieze evolutionaire verbanden tussen de verschillende gymnospermgroepen onbekend zijn en dat ook de voorouders van angiospermen onbekend zijn. Typische zaadtypen visualiseren stappen in de evolutie van het zaad. Sommige gymnospermgroepen zijn uitgestorven, zoals Lyginopteridopsida en Cordaitales, andere bestaan ​​nog, zoals Pinopsida en Ginkgopsida. Van de angiospermen zijn de belangrijkste groepen afgebeeld. De tijd is in miljoen jaar geleden. Afbeelding: ©2007 Gerhard Leubner. The Seed Biology Place. http://www.seedbiology.de

Vanaf 66 Ma in het Paleoceen veranderden de landschappen snel. Grote bossen bedekten veel van het land en zoogdieren werden een dominante diergroep. Vanaf 23 Ma begon het landschap te lijken op dat van vandaag, met de ontwikkeling van savannes en graslanden. De temperatuur koelde verder af, wat leidde tot de groei van ijskappen in de poolgebieden en de eerste mensachtigen verschenen in Afrika. Vanaf 2,6 Ma breekt het Kwartair aan. Hierin wisselden cycli van ijstijden en warmere perioden elkaar af. De moderne mens ontstond en megafauna zoals mammoeten en sabeltandtijgers stierven uit aan het einde van de laatste ijstijd.

Het Holoceen begon ongeveer 11.700 jaar geleden, na het einde van de laatste ijstijd (het Pleistoceen). Het wordt gekenmerkt door relatief stabiele klimaatomstandigheden en een snelle ontwikkeling van menselijke beschavingen. Dit had grote gevolgen voor de verspreiding en ontwikkeling van planten en bomen. In de laatste 10.000 jaar beginnen bossen, graslanden en menselijke nederzettingen het landschap te domineren. Dit tijdperk markeert het begin van de beschavingen en de landbouw. Het klimaat is relatief stabiel, hoewel dat nu door menselijke activiteiten sterk aan het veranderen is. De biodiversiteit van de aarde wordt nu sterk beïnvloed door klimaatveranderingen, bosbranden, overstromingen en allerlei menselijke activiteit zoals houtkap voor landbouw en mijnbouw. Hoe bomen zich in dit perspectief blijven door ontwikkelen is de grote vraag die in de toekomst ligt opgesloten.

Noot van de redactie: later dit jaar zal in de Botanische Tuinen Utrecht een speciale Evolutietuin geopend worden. Reden te meer om nog eens terug te komen op dit complexe onderwerp.

Biodiversiteit in de stad; bomenregisters onder de loep – Reactie op ‘Het Leids Register ecologische bomen’

Het gaat niet goed met de biodiversiteit. Sla een krant of je laptop open, zet radio of televisie aan en de kans is heel groot dat het gaat over biodiversiteit en klimaatverandering. Ook gemeenten in Nederland hebben hier sterk mee te maken en willen een positieve bijdrage leveren.

Zo heeft de gemeente Leiden een ‘Register ecologische bomen’ opgesteld (Gemeente Leiden 2024, Register ecologische bomen. Inpasbaarheid van bomen voor biodiversiteit, zie ook artikel ‘Het Leids Register ecologische bomen’, Arbor Vitae 3-34, blz 24 – 26). Citaat uit deze publicatie: ‘Het Register ecologische bomen is een bijlage van de Leidse Verordening voor de Fysieke Leefomgeving. Doel van het register is bij de vervanging van beheerbomen en bij de aanplant van nieuwe bomen te kiezen voor bomen met een hoge ecologische waardering. Hiermee kan de gemeente de kansen voor biodiversiteit in de stad vergroten, waaronder voor vogels en insecten’.

Het is een lange lijst met bomen (en enkele grotere heesters) uit het huidige handelssortiment die met een cijfer van -1 tot 4 zijn gewaardeerd op hun ecologische potentie (van lage naar hoge ecologische waarde). In het genoemde artikel in de vorige Arbor Vitae over dit Register staat te lezen: ‘Leiden heeft een hoge ambitie voor wat betreft biodiversiteit en staat geen bomen toe met waardering –1 of 0 en verlangt een aanplant van gemiddeld tenminste waardering 2’. Even verder in het artikel staat ‘Het doel van het register is dan ook niet om boomsoorten of cultivars uit te sluiten’. Een vreemde tegenstelling. Van de 1.668 bomen in de lijst blijven er 933 over die door Leiden geschikt worden geacht om een juiste keuze voor biodiversiteit te vergemakkelijken. De rest met waardering -1 (‘Invasieve Exoten of soorten die daarnaar neigen’) en 0 (onder andere ‘Soorten van buiten Europa’) worden niet meer toegestaan in Leiden. Er is ook nog een beetje vreemd samengestelde groep met een waardering van 0,5 waarin onder andere boomsoorten zijn opgenomen die vóór en tussen de ijstijden in Europa voorkwamen. Maar echt aanbevolen worden ze niet (o.a. Ginkgo, Liquidambar, Cercidiphyllum en Magnolia). De redenatie is dat men van deze bomen verwacht dat ze ecologische relaties gaan ontwikkelen. Maar waarom zou dat niet gelden voor alle bomen met een 0 of een –1 in de lijst, vraag ik mij dan af. Na bestudering van de hele lijst in het register heb ik nog wel meer vraagtekens. Er staan toch wel heel veel met een 0 gewaardeerde maar in de praktijk algemeen toegepaste goede en nuttige bomen in. Hieronder bijvoorbeeld alle coniferen van buiten Europa. Alsof die voor vogels, insecten en zoogdieren geen functie hebben voor bijvoorbeeld schuilen, nestelen en voedsel! Het komt op mij allemaal nogal geforceerd over. Dat volgens het Leids register Taxus baccata wel mag maar Taxus cuspidata uit Japan niet mag, gaat voorbij aan het inzicht dat de verschillende Taxus-soorten (uit Azië, Noord-Amerika en Europa) meer op geografie dan op morfologie worden onderscheiden (eigenlijk is het allemaal Taxus baccata). Potentieel goede en bewezen goede boomsoorten die geschikt zijn voor de veranderde (en veranderende) omstandigheden in de stad lijken door dit register in Leiden dus te worden buitengesloten. Dat lijkt mij geen goede ontwikkeling om de stad leefbaar te houden en of (zoals in het artikel wordt geschreven) dit wel ‘een effectieve stap (is) om te werken aan het versterken van de stadsnatuur’ vraag ik mij af. Het komt op mij over als een onderschatting van het aanpassingsvermogen en de flexibiliteit van de planten- en dierenwereld waarin wij leven.

Liquidambar styraciflua.
Foto: Ronald Houtman

Breder van opzet is de ‘Bomentabel.nl’ die medio 2024 van start ging. Doel van deze website is het bieden van informatie bij de groene inrichting van de stad om te komen tot de juiste boom op de juiste plek. Hierbij gaat men uit van de gewenste functies (baten/ecosysteemdiensten) van dat groen op die plek, de eigenschappen en eisen van de gekozen boomsoorten en de kenmerken van de locatie. De Bomentabel bevat informatie over de bijdrage aan specifieke ecosysteemdiensten zoals klimaatadaptatie (hittestressbeperking?), biodiversiteit (nectarbron? stuifmeelbron?, voedselbron?), luchtkwaliteit (fijnstoffiltering?) en over de algemene eigenschappen (karakter, afgebeeld met één of meer foto’s) van 359 soorten en cultivars. De Bomentabel is op elk van die eigenschappen of een combinatie daarvan doorzoekbaar met behulp van de filterknoppen. Deze website is één van de producten van het TKI T&U project ‘Effectief Groen voor Klimaatadaptatie in de Stad’ waarin een groot aantal partijen uit de groensector, stedelijk beheer en onderzoek hebben samengewerkt aan de ontwikkeling van tools voor het realiseren van effectief klimaatgroen in de stad. Er is ruimte de lijst verder uit te breiden, getuige de oproep om aanvullende info (eigenschappen en ontbrekende afbeeldingen) of klaarblijkelijke fouten in de informatie door te geven aan de samenstellers en daarmee bij te dragen aan de verdere uitbreiding en onderbouwing van de weergegeven informatie. NDV-leden kunnen hieraan zeker een bijdrage gaan leveren, lijkt mij.

Vergelijking van lijsten met boomsoorten voor biodiversiteit

Elke kweker, landschapsarchitect, tuinontwerper of stedelijk groenbeheerder kent het fenomeen: de sortimentslijst. Stel dat je een lijst wilt opstellen met daarop alleen die bomen die goed zijn voor de biodiversiteit in Nederlandse gemeenten. Je noemt die lijst ‘de groene lijst’. Dat schept natuurlijk de nodige verwachtingen. In hoeverre is dat waar te maken?

In de derde Arbor vitae van 2024 staat een artikel over het Register ecologische bomen van de gemeente Leiden1. Het betreft een lijst met meer dan 1600 boomsoorten gerangschikt naar ecologische waarde voor de biodiversiteit. Op pagina 18 en 19 schrijft Gert Fortgens een recensie over dat register. Voor dit artikel kies ik een aanvullende invalshoek: een vergelijking van dat register met de lijsten van de stichting Natuur & Milieu, alsook met de informatie uit de in 2024 gelanceerde digitale Bomentabel2. Deze vergelijking levert opmerkelijke verschillen op. Voer voor discussie dus.

Zomereik: niemand betwijfelt opname van deze boomsoort op de groene lijst.
Foto: Eduard Groen

Groene en zwarte lijst van Natuur & Milieu
In december 2023 publiceerde de stichting Natuur & Milieu een groene en een zwarte lijst met boomsoorten3. Soorten die niet op deze twee lijsten voorkomen, vormen een niet ingevulde restcategorie, een grijze lijst.
Op de groene lijst staan behalve alle soorten die behoren tot de geslachten Malus en Ulmus, ook 96 soorten uit andere geslachten. In totaal ruim meer dan 100 boomsoorten. Op de zwarte lijst staan 33 boomsoorten, zoals de door de Europese Unie verboden Hemelboom (Ailanthus altissima).
Het publiceren van deze lijsten ging met de nodige publiciteit gepaard. Het doel hierbij van Natuur & Milieu is duidelijk: gemeenten moeten in de openbare ruimte bij voorkeur boomsoorten aanplanten van de groene lijst en ophouden met het aanplanten van boomsoorten op de zwarte lijst. Dat is nogal een claim. Is deze claim terecht?

Opmerkelijke verschillen
Vergeleken met het Leids Register ecologische bomen is ten eerste opmerkelijk dat van de 96 soorten in de groene lijst 16 boomsoorten in de gemeente Leiden niet aangeplant mogen worden (zie tabel 1). Ten tweede mogen in Leiden bepaalde soorten en cultivars van het geslacht Ulmus niet aangeplant worden (zie tabel 2). Ten derde valt op dat van de 33 boomsoorten op de zwarte lijst van Natuur & Milieu drie soorten staan die in de openbare ruimte van Leiden juist om reden van hun ecologische waarde bij voorkeur wél aangeplant mogen worden (zie tabel 3). Hoe is dit alles te verklaren?

Tabel 1 Een selectie van 16 boomsoorten uit de groene lijst van Natuur & Milieu, waarvan de biodiversiteitswaarde discutabel is
Toelichting: maten voor nectarbron of stuifmeelbron zijn zeer hoog, hoog, matig, gering en geen. De maat voor voedselbron voor vogels of kleine zoogdieren is wel of geen. Ecologische compatibiliteit wordt uitgedrukt in hoog, gemiddeld, laag, zeer laag of niet. In het Register ecologische bomen (REB) van de gemeente Leiden worden onder-scheiden: negatief (-1), geen waarde (0), zeer gering (0,5), gering (1), matig ()2, hoog (3) en zeer hoog (4). Die pun-tentoedeling wordt door de gemeente gebruikt om te berekenen of de biodiversiteit er in een gebied op vooruit- of achteruitgaat

 

Tabel 2 Selectie van drie soorten/hybriden uit het geslacht Ulmaceae, waarvan een hoge biodiversiteitswaarde in NL discutabel is

 

Tabel 3 Selectie uit de ‘zwarte lijst’ van Natuur & Milieu, waarvan een lage biodiversiteitswaarde in NL discutabel is

Hoe komt een soort op de groene lijst?
Een boomsoort op de groene lijst moet uiteraard goed zijn voor de biodiversiteit in Nederlandse gemeenten. De stichting Natuur & Milieu is daarvoor hoofdzakelijk4 te rade gegaan bij de in 2018 gepubliceerde 100-boomsoortentabel van Wageningen University & Research (WUR)5.
Die lijst bevat boomsoorten die een positieve bijdrage leveren aan klimaat, waterhuishouding, luchtkwaliteit en biodiversiteit in de stad. Voor de bijdrage die bomen leveren aan biodiversiteit in Nederland zijn in de soortentabel drie criteria benoemd: (1) nectarbron voor insecten, (2) stuifmeelbron voor insecten en (3) voedselbron voor vogels en kleine zoogdieren, zoals bessen, zaden en noten. Een hoge score op één of meer van deze drie criteria is bepalend geweest voor het opnemen van de desbetreffende boomsoort in de groene lijst.

Digitale Bomentabel
De 100-soortentabel van WUR is in 2024 uitgebreid tot 359 boomsoorten. Het is een digitale bomentabel waarop kan worden gefilterd voor het kiezen van de best passende boomsoort op een bepaalde plek in de stad. Deze tabel heeft bovenop de drie eerdergenoemde criteria nog een criterium als maat voor biodiversiteit: ecologische compatibiliteit. Daarbij wordt ervanuit gegaan dat hoe dichter een boomsoort van nature in de buurt van Nederland voorkomt, hoe groter de kans is dat de lokale Nederlandse insectenpopulatie gebruik kan maken van deze soort.

Vier voorbeelden uit de groene lijst
Hoe heeft dit concreet uitgepakt? Uiteraard staan de welbekende inheemse boomsoorten op de groene lijst. Ik mis eigenlijk alleen de Euonymus europaeus (Wilde kardinaalsmuts), waarbij ter verontschuldiging kan worden aangevoerd dat je deze soort niet vaak in boomvorm tegenkomt.

In de groene lijst staan evenwel ook zestien boomsoorten waarvan betwijfelt kan worden of deze er terecht op staan (zie tabel 1). In het Register ecologische bomen (kolom REB in tabel 1) wordt aan deze boomsoorten een ecologische waarde nul toegekend of zelfs een negatieve waarde (schadelijk voor de biodiversiteit). Ter illustratie bespreek ik hieronder vier voorbeelden uit tabel 1 (nrs 1, 5, 12 en 14).
De eerste boomsoort in de groene lijst is Acer buergerianum (Drietandesdoorn). Uit de tabel is op te maken dat de hoge waarde als nectarbron blijkbaar van doorslaggevende betekenis is om deze boomsoort op te nemen in de groene lijst.
Een andere soort op de groene lijst is Alnus xspaethii. Voor deze soort is blijkbaar de hoge waarde als stuifmeelbron van doorslaggevende betekenis geweest voor opname.
Voor Quercus palustris (Moeraseik) heeft blijkbaar de positieve waarde als voedselbron voor vogels en kleine zoogdieren de doorslag gegeven om deze op te nemen.
Om Pyrus calleryana (Callerypeer) op te nemen op de groene lijst is de veronderstelde hoge tot zeer hoge waarde als nectar- en als stuifmeelbron bepalend geweest. De gemeente Leiden heeft de aanplant van deze soort juist absoluut verboden. Dit in verband met een verondersteld risico als invasieve exoot.

De geslachten Malus en Ulmus
Alle bomen uit de geslachten Malus en Ulmus hebben volgens Natuur & Milieu een zodanig hoge waarde voor de biodiversiteit dat zij op de groene lijst staan. In het Register van Leiden hebben een aantal soorten binnen het geslacht Ulmus evenwel een waardering nul of lager gekregen. Dat betreft soorten zoals Ulmus americana (Amerikaanse iep), U. japonica (Japanse iep) en U. pumila (Siberische iep), alsook soorthybriden zoals de Ulmus ‘Rebona en de Ulmus ‘Regal’. In totaal staan in het Leidse register 14 Ulmus-soorten en 62 Ulmus-soorthybriden en/of cultuurvarianten, waarvan er respectievelijk 5 en 19 zijn verboden.
In tabel 3 licht ik er drie soorten uit, die ook in de digitale Bomentabel voorkomen.
Mijn conclusie is dat het opnemen van alle soorten, cultuurvarianten en hybriden die tot het geslacht Ulmus behoren niet per definitie goed is voor de biodiversiteit. Dat geldt voor de drie in tabel 3 genoemde, alsook voor een aantal andere die nog niet in de Bomentabel zijn opgenomen.

De zwarte lijst
Op de zwarte lijst van Natuur & Milieu staan in ieder geval drie boomsoorten die discussie oproepen.
De Canadapopulier (Populus xcanadensis), het Amerikaans krentenboompje (Amelanchier lamarckii) en de Witte abeel (Populus alba) zouden volgens de stichting Natuur & Milieu schadelijk zijn voor de biodiversiteit, terwijl deze boomsoorten in de gemeente Leiden juist staan aangeschreven als aanwinst voor de biodiversiteit. De boomsoorten staan op de zwarte lijst omdat zij een risico zouden vormen vanwege hun potentieel invasieve karakter in bepaalde gebieden in Nederland6. Misschien terecht, maar enige nuancering is dan wel op z’n plaats. De Witte abeel bijvoorbeeld, een soort die na de laatste ijstijd ons land al bijna op eigen kracht heeft bereikt7 en die sinds eeuwen is ingeburgerd, oogt vreemd op een zwarte lijst. Als deze boomsoort zich vanuit z’n natuurlijke verspreidingsgebied spontaan in onze contreien zou vestigen, wie zijn wij dan om dat te verhinderen.

Geografische context: de juiste plek
Kennis van de eigenschappen van boomsoorten is belangrijk, maar minstens zo belangrijk is kennis van de plek waar een boom kan groeien. De fysisch-geografische context voor bomengroei in bijvoorbeeld het noordwesten van Nederland is van een ander karakter dan die in het zuidoosten. En een hitte-eiland in het versteende centrum stelt andere functionele eisen dan een park aan de rand van de stad. In die zin is een groene lijst of een zwarte lijst voor Nederlandse gemeenten alleen met de nodige interpretatie en wijsheid te gebruiken. Regelgevende kaders, zoals het in de Omgevingsverordening verankerde Register ecologische bomen van de gemeente Leiden, zouden door andere gemeenten dan ook niet klakkeloos gekopieerd moeten worden. Het is zelfs de vraag of zo’n plaatselijk register wel genoeg rekening houdt met de verschillende groeiomstandigheden voor bomen die in een stad aanwezig zijn.

Het laatste woord
Over de biodiversiteitswaarden van de diverse boomsoorten in Nederland zal daarom het laatste woord ook niet zijn gezegd. Hoewel deskundigen van naam aan de totstandkoming van de verschillende in dit artikel besproken lijsten hebben meegewerkt, zijn de verschillen te opmerkelijk. Het zou goed zijn als diezelfde deskundigen elkaars lijsten becommentariëren. En ook dat andere deskundigen, waaronder leden van de NDV, de moeite nemen om zich erover uit te spreken. Ik sluit mij aan bij de woorden van Gert Fortgens om met name een bijdrage te leveren aan de verdere uitbreiding en onderbouwing van de weergegeven informatie in de digitale Bomentabel. De opstellers van het Register ecologische bomen en van de groene en zwarte lijst kunnen daarmee vervolgens ook weer hun voordeel doen.

Canadapopulier: op de zwarte lijst van Natuur & Milieu.
Foto: Eduard Groen

Noten
1 Jonker, R. en W. Moerland (2024), Het Leids Register ecologische bomen; welke bomen ondersteunen de biodiversiteit. Arbor vitae 3-34, blz. 24 – 26.
2 De data in de digitale Bomentabel zijn verzameld door Wageningen Research (eindredactie J.A. Hiemstra). https://bomentabel.nl
3 Natuur & Milieu (2023), Bomen voor biodiversiteit. Onderzoek naar bomen in Nederlandse gemeenten. https://natuurenmilieu.nl/app/uploads/Bomenonderzoek-Nederlandse-gemeenten-Natuur-Milieu.pdf
4 In het rapport staat dat hiervoor ook de website van de Bomenstichting is geraadpleegd. Uit het rapport blijkt verder niet op welke wijze dat is gebeurd.
5 Hiemstra, J.A. (2018), Groen in de stad: soortentabel. Wageningen University & Research. https://edepot.wur.nl/460540. De publicatie met de tabel is ook als poster uitgebracht.
6 De zwarte lijst is door Natuur & Milieu bepaald aan de hand van zes in het rapport ‘Bomen voor diversiteit’ genoemde bronnen, zoals de Unielijst en rapporten van de NVWA, Floron en Naturalis. Zie verder blz. 8 van dat rapport.
17 Zie o.a. https://forest.jrc.ec.europa. eu/media/atlas/Populus_alba.pdf” target=”_blank”>https://www.euforgen.org en https://forest.jrc.ec.europa.eu/media/atlas/Populus_alba.pdf