Categoriearchief: Dendrologen aan het woord

Aart Jan Pannebakker, boomkweker/handelaar in een hecht familiebedrijf

Ik ben Aart Jan Pannebakker, geboren in 1943 in Hazerswoude in een gezin met 10 kinderen. In 1972 getrouwd met Anke en vader van drie kinderen waarvan er twee, dochter Caroline en zoon Thijs (de vijfde generatie!), in het bedrijf werkzaam zijn. Vanaf 1988 wonen wij in mijn ouderlijk huis aan de Voorweg. Ik ben nog actief als reiziger/handelaar en doe met plezier klusjes op de kwekerij zoals pootplan maken, voorraad opnemen, binden en maten tekenen. Dit voorjaar hoop ik voor de 54e keer naar mijn klanten in Engeland te gaan.

Aart Jan Pannebakker naast de 55 jaar oude Wisteria sinensis ‘Prolific’
Foto: Ineke van Teylingen

Opleiding en inspiratie
Na de mulo in Leiden ging ik naar de Rijks Middelbare Tuinbouwschool (RMTS) in Boskoop. Er waren goede leraren, Piet de Vogel – praktijkles, Arie de Graaf – plantkunde, Piet van Dijk – plantenziekten. Harry van de Laar was geweldig goed in sortimentskennis. Ik heb er veel geleerd. In mijn praktijkjaar liep ik stage bij Fa. W. van der Poel en Zn in Hazerswoude. In de zomer bij C.H. Gregory & Sons, een rozenkwekerij in Nottingham. Na mijn diensttijd werkte ik vijf maanden bij Knap Hill Nurseries in Woking.
Het boomkweken zit in de familie. In 1876 ging mijn overgrootvader kweken in de Biezen in Boskoop. In 1880 erfden hij en zijn vrouw een boerenbedrijf met 6 ha land aan de Voorweg. Dat bedrijf werd in 1895 boomkwekerij. Mijn opa begon rond 1900 met het reizen naar Engeland. Bang voor de concurrentie werd dit door de handelaren in Boskoop afgeraden. Er waren al vier exporteurs, met een vijfde erbij zou er voor hen niet genoeg over blijven! Mijn vader begon in 1929 met handel te zoeken in Engeland. In de herfst van 1965 kwam ik in de zaak werken en werd in januari 1966 op reis gestuurd naar Engeland. Je kreeg reisgeld en een catalogus mee. Je nam geen klanten van je vader over, maar je moest het bestaande netwerk zelf uitbreiden. Dat viel niet mee, overal waar ik aanbelde was al een handelaar geweest waar men jaren zaken mee deed dus ik had geen schijn van kans. Erg deprimerend, maar bij thuiskomst zei mij vader: ‘Ben je goed ontvangen, ga het dan maar weer proberen. En bijhouden waar je geweest bent.’ Uiteindelijk heeft de aanhouder wel gewonnen. De export breidde zich steeds meer uit. Nu worden ook Zwitserland, Duitsland en Finland bezocht. Door verkoop en opdeling van de zaak bleef er uiteindelijk twee hectare kwekerij over. Ik vermoed wel dat we nadelige gevolgen zullen ondervinden van de brexit en het coronavirus.
De liefde voor dendrologie moest wel groeien ondanks het feit dat ik deel uitmaak van een geslacht van vijf generaties boomkwekers. Een grotere kennis van het houtige sortiment is in de loop van de jaren steeds belangrijker geworden. Mijn inspiratie kwam vooral door een club boomkwekers waar ik al jaren mee naar Engeland (meestal), Ierland, Schotland of Wales ga. Geweldig wat daar aan sortiment te zien is.

Geliefde planten
Twee geslachten zijn voor mij belangrijk Cornus en Wisteria. In een partij C. alba ‘Gouchaultii’ ontdekte ik een afwijkende plant. Ik vroeg aan Chris Sanders, plantenkenner in Engeland, wat ik er mee zou doen. Ging er mee doorkweken en de variëteit is als C. alba ‘Cream Cracker’ in het sortiment opgenomen. Bij de sterrenkeuring kreeg hij twee sterren maar het is helaas geen bestseller geworden.
Mijn passie ligt bij Wisteria. Op verzoek van Wim Sanders had ik 12 variëteiten van Wisteria opgeplant, bestemd voor een show in Frankrijk en dan ook bloeiend. Helaas ging de show niet door. Op advies van Cor van Gelderen ging ik meer Wisteria cultivars kweken. Ik heb van elke soort een exemplaar gehouden en nu staan er 30 verschillende in de siertuin. Chris Sanders bracht me in contact met Chris Lane, de Wisteria expert in Engeland. Vorig jaar was ik uitgenodigd om bij de presentatie van zijn Wisteria-bijbel in Wisley Gardens aanwezig te zijn. De kweek van Wisteria is arbeidsintensief. Bijna al onze Wisteria’s staan op eigen wortel, verkregen door afleggers. Afleggen is een lastige klus, ze wortelen slecht. Enten op een andere wortel gaat vaak mis, een foute tak (onderstam) groeit sneller maar geeft geen bloem.

Wisteria sinensis ‘Multijuga’, in Rowallane Garden (Saintfield, Noord-Ierland)
Foto: Anke Pannebakker-de Boer

Leven met en van planten
Boomkweker/handelaar is een dubbel vak, je moet niet alleen een goede plant kunnen kweken maar ook de inkoop regelen voor zover je de planten niet op de kwekerij hebt staan. Een goede plant is waardevol. Ik ben op veel kwekerijen gaan rondkijken om te zien waar een betrouwbaar sortiment wordt gekweekt. Acer vind ik een fascinerende kweek, er staan inmiddels 25 verschillende variëteiten. Vergeleken met Magnolia is de sierwaarde veel groter. We kweken ook een sortiment Betula, vooral vanwege de bast. Ik vind een witte bast fascinerend. Het is een interessante kweek, er is veel vraag naar en het is een dankbare plant om te kweken. In mijn hart ben ik boomkweker maar handel is nodig om het bedrijf (Pannebakker en Co. B.V.) te laten floreren.
Ik heb met veel plezier mijn werk gedaan in Engeland, veel gezien en fijne mensen ontmoet. Achteraf zeg ik dat ik niet iets anders had willen doen. Zelfstandigheid en vrijheid van handelen zijn veel waard. Natuurlijk is het runnen van een bedrijf risicovol en heb je weinig vakantie maar het heeft me veel voldoening gegeven. De veelzijdigheid in het vak is onbegrensd. Ik ben een tevreden mens.

Uitdagingen en mooie ervaringen
Het begin van de buitenlandse reizen viel niet mee. Er waren ‘grote’ handelaren die dikke orders boekten, daar moest ik mee leren omgaan. Het kostte doorzettingsvermogen om bij het volgende adres weer gemotiveerd binnen te stappen en te doen of alles in orde was. Collega Jan Verwey zei: ‘Joh, Aart Jan. Het kost je eerst een paar nieuwe zolen voordat je een handeltje bij elkaar gesprokkeld hebt.’
Een paar bevriende Hazerswoudenaren zijn missionaris geworden in Afrika. Ik heb er twee opgezocht. De ene werkte in Oeganda, de andere in Ghana. In Oeganda bezocht ik met hem (hij is nu 94) de botanische tuin van Entebbe. Dan kom je toch in een totaal andere plantenwereld. De wierookboom, Boswellia sacra uit de familie Burseraceae, sprak me enorm aan. Van de hars wordt wierook gemaakt. De Engelse invloed op de tuinen is nog goed te merken. Ook in Ghana heb ik tuinen bezocht.
Mijn kennis en ervaring deel ik op het bedrijf met mijn kinderen en het personeel. Ik doe het wel rustiger aan, maar de inkoop van mijn eigen klanten doe ik nog zelf. Op de weg zijn en kwekerijen bekijken, kwaliteit beoordelen, gesprekken met goede kwekers. Ik ga nog graag zelf op de fiets tuin op tuin af om mijn orders compleet te krijgen.

De voet van de stam van de wierookboom
Foto: Ineke van Teylingen

Bijzondere afsluiting
20 jaar geleden hebben mijn broer Jos en ik plannen gemaakt om een boekje over Hazerswoude in oorlogstijd te schrijven. Een oom van ons zat ondergedoken, is opgepakt bij de razzia in januari 1945 en nooit meer terug gekomen. Dat prikkelde onze nieuwsgierigheid. We hebben heel veel opgestoken bij het onderzoek voor het boekje dat in 2018 verscheen met de titel Hazerswoude 1940-1945 Voorweg, Inundatie, Razzia. In archieven hebben we gezocht naar namen en foto’s om daarmee aan de slag te gaan. In het eerste deel gaat het over de bewoners van de Voorweg en de 13 huizen die gesloopt moesten worden omdat ze in het schootsveld van de Duitsers lagen. Het tweede deel gaat over de polders rondom Hazerswoude die onder water werden gezet uit angst voor een geallieerde aanval. Het derde deel bestaat uit herinneringen aan de razzia. Veel jongens en mannen zijn in schuilplaatsen als tuinloodsen, kassen, kapbakken en dichtgroeiende planten ontkomen. We hebben met meer dan 60 dorpsgenoten gesproken om een zo betrouwbaar mogelijk verhaal te kunnen schrijven. We zijn blij met het resultaat, juist nu in het jaar waarin we ‘75 jaar vrijheid’ mogen vieren.

Martin Tijdgat: ‘Van Nothofagus naar Nothofagus

Wil je in het kort vertellen wie je bent, hoe oud je bent en waar je werkzame leven uit bestaat?
Ik ben Martin Tijdgat, 62 jaar, geboren in Rotterdam. Sinds 2002 groenbeheerder in de gemeente Wijdemeren. Daarnaast houd ik me bezig met het toepassen van de Wet Natuurbescherming (voorheen boswet en flora- en faunawet) en het beantwoorden van cultuurtechnische vragen van projectleiders en makers van bestemmingsplannen. Voor 2002 heb ik gewerkt bij de provincie Zuid-Holland en bij diverse gemeenten in Noord- en Zuid-Holland, onder andere in de milieu- en reinigingswereld.

Martin Tijdgat bij de Nothofagus van het gemeentehuis van Wijdemeren
Foto: Ineke van Teylingen

Wat voor scholing/opleiding op dendrologisch gebied heb je gehad?
Mijn dendrologische scholing kreeg ik vanaf 1976 op de Rijks Hogere School voor Tuinbouw- en Landschapsinrichting in Boskoop van onder andere de heren Vahl en Hans Janssen. Zij hebben me geïnspireerd en van alles bijgebracht, van bollen en knollen tot wilde planten en bomen. In de loop der jaren zo’n 3500 verschillende soorten. Daarnaast ben ik sinds 1980 door zelfstudie ecologisch geschoold in het IVN en ben nog steeds Natuurgids. Tot 1995 heb ik veel aan vrijwillig natuur- en landschapsbeheer gedaan en meegewerkt aan een cursusboek over dit onderwerp.

Waar komt de liefde voor dendrologie vandaan en wie hebben je geïnspireerd?
Ik kom niet uit een groene familie maar in mijn jeugd gingen we vaak naar het recreatielandgoed Bijdorp, aan de Bergse Plas in Rotterdam. In het natte veen wemelde het van de veenmollen, zo werd mijn interesse voor de natuur groter. Daarnaast zat ik als jongetje vaak in Diergaarde Blijdorp. De diversiteit aan bomen en planten was er geweldig. Rijdend over rijks- en provinciale wegen verbaasde ik me over de eenvormigheid van wegbeplantingen; zo saai en beperkt. Dat moest toch anders kunnen. Zodoende kwam ik in Boskoop terecht. Ik heb veel inspirerende personen ontmoet, zoals Ronnie Nijboer, Marjan van Elsland, Wout Kromhout, Jaap Smit, Klaas Verboom, Hans Heybroek. Het zijn er te veel om allemaal op te noemen.

Voor welke planten heb je een speciale passie en hoe is dat gekomen?
Ik ben geraakt door alles met geur! Dat is in de kwekerswereld zo’n onderschat verkoopargument. Geur heeft direct inwerking op oude delen van ons brein, geuren worden in ons geheugen geweldig goed vastgelegd. Wat heeft het voor zin om rozen toe te passen die niet geuren? Wat is er leuker dan wandelend een Betula lenta te ruiken? Mijn stadstuintje vul ik met geur, naast voor mij onbekende bomen en struiken die ik test om later in de gemeente te gebruiken. Daarnaast ben ik gebiologeerd door Ulmus. Toen ik in Wijdemeren begon kon ik er maar een vijftig vinden. Rond 2007 ontstond in mijn hoofd het duizend-iepen-plan. We zijn goed op weg, er staan er al meer dan achthonderd.

Hoe ziet in grote lijnen je dendrologische leven er uit?
Het hele jaar draait om de cyclus rond bomen; ’s zomers laten we een boomveiligheidscontrole uitvoeren voor 1/3 van de 8800 bomen. Hieruit volgt een onderhouds- en kapplan met kap van circa 2% van de onderzochte bomen, de laatste jaren wat extra vanwege aangetaste essen. Daarna praten we met de bewoners over een nieuwe inrichting. ‘Probleem’ is dat we zure natte grond hebben tussen de stuwwal en de Vecht. Dan wordt het vaak een puzzel wat je als vervanger neerzet. De nieuwe bomen planten we in het eerste kwartaal, verzorgen ze twee jaar goed zodat ze aanslaan en goed doorgroeien. Van 2003 tot 2019 zijn we van ca. 250 naar 525 soorten bomen gegaan, waaronder negentig soorten iepen. Vorig jaar hebben we met assistentie van Jaap Smit de collectie Populus met negen soorten uitgebreid. En zicht gekregen op nog zo’n 10-20 aantrekkelijke populieren voor in de openbare ruimte. Ik zoek al jaren Carya soorten, dat lijkt dit jaar te lukken.

Hoe kijk je hierop terug? Heeft het je gegeven wat je verwachtte?
Nooit gedacht dat het zoeken, merken van bomen op kwekerijen en planten in de openbare ruimte zo leuk zou zijn dat ik alleen al daarom bij een lokale overheid wil werken. Het contact met publiek en politiek levert me vaak energie op.
Er komt helaas weinig terecht van de ambitie om een eigen arboretum aan te planten. Mogelijk dat ik een legaat kan doen aan een bestaand arboretum. Ik zou graag in het openbaar groen meer gevoelige soorten willen gebruiken, zoals Nothofagus en Eucalyptus, mediterrane of subtropische geurstruiken en bamboe. Daar zijn de geesten nog niet rijp voor, al bewijzen tal van particulieren met tropische tuinen dat het wel kan.

De nieuwe inrichting van het centrum Nederhorst den Berg met Prunus sargentii ‘Rancho’, Ulmus ‘Morton Glossy’, Platanus ×hispanica en Prunus ‘Spire’
Foto: Martin Tijdgat

Wat is het leukste wat je hebt meegemaakt?
In mijn beleving ben ik niet echt een dendroloog maar een genieter van bomen. Zo heb ik vijf keer met groepen mogen rondzwerven in het oerbos Bialowieza in Polen. Graag ga ik nog een keer naar de nu bijna boomloze highlands in Schotland, een gebied dat vroeger oerbos was. Er zijn nog 36 mini-stukjes over van dit Caledonian Forest. Ik doneer aan de organisatie Trees for Life die bezig is met herbebossing en verbinding van die stukjes unieke natuur.
Het is leuk om artikelen te maken voor het blad Boomzorg. Het meeste plezier heb ik beleefd aan een artikel over mijn top-10 van toekomstbomen voor de openbare weg zoals Arbutus en koudeverdragende Eucalyptus. Voor mijn lokale natuurvereniging schreef ik daar een vervolg op: ‘Nieuwe klimaatbomen’.

Wat is het vervelendste in je herinnering?
Dat ik elk jaar kamp met meer werk aan bomen dan dat er aan financiën ter beschikking staan. Dat dit op termijn hogere lasten, kwaliteitsverlies en meer uitval tot gevolg heeft dringt niet goed door. Dat gaat soms ten koste van mijn eigen inzet en gezondheid. Schrijnend zie je de gestage achteruitgang aan veel te jonge bomen, we mesten ze nooit. Daarnaast heb ik door politieke processen volkomen gezonde bomen moeten rooien of ernstig verminken vanwege schaduwhinder of duivenpoep. Tegenwoordig is er meer druk door de particuliere wens voor zonnepanelen ‘tegenover’ het belang van bomen in de openbare ruimte. Veel hangt dan af van de betrokkenheid van de wethouder of het collegeprogramma.

Heb je een leuke anekdote te vertellen?
Het is te gek dat ik naar aanleiding van mijn foto’s van Araucaria’s in Woodstock Gardens in Ierland een e-mail kreeg van een Chileense professor die mijn foto’s wilde gebruiken voor een boek over Chileense bomen over de hele wereld. Daar komt bij dat er in mijn voortuin een Nothofagus antarctica staat en één in de binnentuin van het gemeentehuis in Loosdrecht. Dagelijks rijd ik dus van Nothofagus naar Nothofagus. Dat verhaal wilde hij graag hebben met foto’s van beide bomen. Als dank is er in de bergen van het grensgebied van Chili en Argentinië een boom geplant. Ik kreeg een oorkonde en een Google-pin, zodat ik er ooit (met een helikopter) zou kunnen gaan kijken!
Een moment in de toekomst: Simen Brunia meldde mij eind 2018 dat er in Drenthe bij een particulier een dwergiep (Ulmus minor ‘Jacqueline Hillier’) staat van circa zestig jaar oud die men weg wil hebben omdat de boom te groot wordt. Deze zeldzame boom is 3,5m breed en ruim 4m hoog. De familie heeft de boom aan ons ter beschikking gesteld. Samen met Pius Floris Boomverzorging zijn we de boom aan het voorbereiden om volgend jaar november te verhuizen naar Loosdrecht als pronkstuk en afronding van de renovatie van een postzegelparkje.

Een gevarieerde boomweide met ongeveer acht verschillende boomsoorten en leeftijden. Op de voorgrond Populus nigra ‘Brandaris’.
Foto: Martin Tijdgat

Vind je het belangrijk om je kennis, ervaring en enthousiasme met anderen te delen?
Ja, dat is het leuke aan natuurgidsen, kwekerijen bezoeken, stagiaires begeleiden en het houden van bewonersavonden. Dat is ook waarom ik het iepenarboretum wil realiseren en liefst een paar mooie boomroutes wil maken om te lopen of fietsen. Ik heb de keus uit ruim 500 soorten.

Als je het over mocht doen, zou je dan weer hetzelfde doen?
Nee, niet hetzelfde. Nu heb ik er te lang over gedaan om uit te vinden dat ik dit werken met bomen zo leuk vind. Ik had wellicht eerder met of in de boomkwekerij willen werken als ik niet in hartje Rotterdam was opgevoed en tussen 1980 en 1995 teveel vrijwilligerswerk heb gedaan omdat ik, vanwege de crisis in de jaren tachtig, in Zuid-Holland geen echte baan kon vinden.

Zijn er nog bijzonderheden die je wilt vertellen?
Wilbert Hetterscheid vertelde over het Bomenmuseum in Doorn (AV-4 2019). Ik snap die passie. Ik zou het Bomenmuseum graag helpen om ook een daar passende collectie iepen op te bouwen. Met minimaal dertig verschillende, waaronder alle botanische kruisingsouders van de moderne hybriden. Die mogen daar niet ontbreken!
Een ander plan is de aanleg van een openbaar postzegelpark met vooral bamboes. Zodra ik een geschikte plek zie ga ik er aan werken.
Ook ben ik aan het nadenken over een ander soort fruitgaard in de openbare ruimte. Ik zie diverse kansen, maar het kost veel tijd om het te realiseren. In Loosdrecht moeten we rekenen met de invloed van de das. Maar wat is er mooier dan een fruitgaard met een achtste bewoonde dassenburcht?

Wilbert Hetterscheid, bevlogen directeur van het Nationaal Bomenmuseum Gimborn

Wil je in het kort vertellen wie je bent, hoe oud je bent en waar je werkzame leven uit bestaat?
Ik ben Wilbert Hetterscheid, in 1957 geboren in Velsen in een gezin met twee zoons en woon met mijn vrouw in Bennekom. Ik ben directeur van het Nationaal Bomenmuseum Gimborn in Doorn, voorheen bekend als het Von Gimborn Arboretum. Mijn werkzaamheden bestaan uit de dagelijkse leiding, educatie, administratief werk, fysiek veldwerk, fondsen werven en ‘bomen onder de aandacht houden’.

Wilbert Hetterscheid tegen een steen met de plaquette (Onderscheiding van Verdienste) van de IDS uit 1989
Foto: Ineke van Teylingen

Wat voor scholing/opleiding op dendrologisch gebied heb je gehad?
Ik wilde bioloog worden en ging na mijn examen Gymnasium B naar de Universiteit in Utrecht met als specialisaties plantensys­tematiek, geologie (waaronder stratigrafie), paleontologie en theoretische biologie. In 1983 ben ik afgestudeerd en gestopt met verdere opleidingen.

Waar komt de liefde voor dendrologie vandaan en wie hebben je geïnspireerd?
De liefde voor de natuur heb ik niet van huis uit meegekregen. Op mijn vierde wist ik al dat ik bioloog wilde worden. Insecten hebben altijd mijn voorkeur gehad. Ik heb veel naar mensen geluisterd en ben bijgespijkerd door specialisten met een grote kennis van bomen. Gaandeweg raakte ik meer en meer geïnspireerd door de kennis van de NDV’ers. Dat leidde na bezoek van Wout Kromhout in 2005 tot het voorzitterschap van de NDV. Jammer dat ik in 2013 wegens gezondheidsredenen de hamer moest neerleggen.

Voor welke planten heb je een speciale passie en hoe is dat gekomen?
Ik heb meerdere passies, het begon met Eu­phorbia (wolfsmelk). Ik ben een insectenmens en kweekte insecten in terraria waaronder rupsen van de wolfsmelkpijlstaart. De voedselplant die ik moest vinden, heksenmelk (Euphorbia esula), wekte een onverwachte nieuwsgierigheid in me op. De rest is geschiedenis. Mijn werk met de wolfsmelksoorten uit Madagaskar is in diverse publicaties verschenen. In samenwerking met de Hortus in Leiden hield ik me ook bezig met Amorphophallus. In Leiden stond een grote collectie. Verder ben ik dol op bollen, knollen en wortelstokken. Coniferen zie ik als evolutieobject, het is een fascinerende groep.

Acer pseudosieboldianum subsp. pseudosieboldianum
Foto: Wilbert Hetterscheid

Hoe ziet in grote lijnen je dendrologische leven er uit?
Ik heb als uitdaging circa 18 jaar als taxonoom voor de plantenhandel gewerkt. Toen er een vacature vrijkwam bij de Universiteit van Wageningen voor beheer van de arboreta Belmonte en De Dreijen heb ik gesolliciteerd en ben aangenomen. Bijleren over bomen kwam er toen toch van. Ik ben meer gaan lezen over bomen met een fascinatie voor naaldbomen in het bijzonder vanwege de link naar het verleden en mijn paleobotanische interesse. Momenteel heb ik twee hoofdtaken:
a) Lezingen geven over wetenschappelijke onderwerpen, bijvoorbeeld moleculair onderzoek of eigenschappen van de natuur, op een manier die voor iedereen te begrijpen is.
b) Fysiek werk in de collecties, planten oppotten, goed naar de bomen blijven kijken en onder andere taxonomisch bezig zijn met bijvoorbeeld Rhododendron.

Hoe kijk je hierop terug? Heeft het je gegeven wat je verwachtte?
Ik zie liever bomen dan polders. Mijn hobby is mijn beroep geworden. Ik heb hier onder andere de mogelijkheid om educatief bezig te zijn, juist nu bomen weer enorm in de belangstelling staan. De maatschappelijke waarde van bomen is helemaal ‘in’. In tegenstelling tot jaargenoten ben ik continue bioloog geweest. Dendrologie heeft me daarbij enorm geholpen.

Wat is het leukste wat je hebt meegemaakt?
Bij de aanvraag voor de museale status als Bomenmuseum stond in het formulier de vraag: ‘Hoe regelt u het klimaat in uw museum?’ Als ik DAT wist, had ik nu de Nobelprijs!

Wat is het vervelendste in je herinnering?
Het echec in Wageningen door de afstoting van de arboreta Belmonte en De Dreijen. Onder het excuus dat wij geen begroting konden inleveren waar een plus in zat. Later bleek dat men van het begin af aan van de tuinen af wilde. Geen winstgevende activiteit, dus wegwezen. Belmonte is nog een redelijk arboretum maar De Dreijen is meer een beeldentuin geworden.
Gelukkig kwam voor mij de mogelijkheid om hier in het Von Gimborn Arboretum aan de slag te gaan. Dit arboretum werd in 2010 door de Universiteit van Utrecht afgestoten waar het sinds 1966 een onderdeel van was.

Heb je een leuke anekdote te vertellen?
Op onze kwekerij staat een Acer met een ingegroeide schoffel. Het verhaal gaat dat Piet de Jong ooit zijn schoffel in de boom heeft gehangen en vergat op te ruimen. De boom is bewaard gebleven en is nu een bijzonder object geworden. Hout is heel flexibel en zo is de schoffel een onderdeel van de boom geworden. Het is leuk om bezoekers hier bij een rondleiding op te wijzen.

De schoffelboom in de kwekerij van het Bomenmuseum
Foto: Wilbert Hetterscheid

Vind je het belangrijk om je kennis, ervaring en enthousiasme met anderen te delen?
Kennis delen staat bovenaan mijn lijst en daarbij ook de mensen laten weten wat je eigen leerproces is geweest. Ik probeer zo ook fondsen te werven door een enthousiast verhaal te vertellen. Financiën zijn een van de minst statische factoren. We hebben in 2008-2009 basisbijdragen ontvangen om de rente te gebruiken om verbeteringen door te voeren maar op den duur lukte dat niet meer. Doordat we een legaat hebben ontvangen gaat het financieel nog goed.

Als je het over mocht doen, zou je dan weer hetzelfde doen? Of zou je een andere keuze maken?
De paleontologie en de entomologie zitten in mijn hart, ik ben een wetenschapper maar wat ik nu doe vind ik geweldig. Dingen die ik in het verleden in de botanie heb geleerd, kan ik hier in het Bomenmuseum laten zien en er over vertellen. Mijn keus voor Wageningen had ik achteraf gezien niet moeten maken.

Zijn er nog bijzonderheden die je wilt vertellen?
Veel mensen kunnen zich weinig voorstellen bij een arboretum, het woord leeft niet. We hebben zelf de museale status aangevraagd, los van de universiteit. Nationaal is een leuke toevoeging. We zijn de enige in de wereld met de naam Bomenmuseum. Niemand afficheert zich als zodanig. In het Bomenmuseum zorgen we voor educatie, wetenschappelijk collectie- en documentatiebeheer en levend materiaal. Ik zou graag zien dat we in Nederland een platform vormen van eigenaren van bijzondere bomencollecties want de bomen hebben het wereldwijd slecht. En graag meer moleculair onderzoek, bijvoorbeeld over de vraag: ‘Hoe genetisch divers zijn bepaalde collecties en hoe bewaken we de aanwezige genetische diversiteit van collecties eigenlijk?’
Een mooie nieuwe toevoeging aan het Bomenmuseum is de collectie Hamamelis van Wim van der Werf uit Boskoop. Het is een kwaliteitsverbeterend aspect in de winter, de collectie wordt over meerdere plekken in de tuin verdeeld. De verhuizing zal hopelijk deze herfst plaatsvinden, waarbij een deel wordt geplant en een deel wordt ingekuild om grondeigen te worden.

Sfeerimpressie van het Nationaal Bomenmuseum
Foto: Wilbert Hetterscheid