Categoriearchief: Dendrologen aan het woord

Ronald Houtman, sortimentsdeskundige bij uitstek

Ik ben Ronald Houtman, 52 jaar, getrouwd met Petra en vader van twee zoons, Mark en Bart. Geboren op een kwekerij (De Bonte Hoek) in Glimmen (Gr.), mijn vader werkte daar. Na twee jaar zijn we verhuisd naar Boskoop, waar mijn vader vandaan komt (mijn moeder komt uit Reeuwijk). In het dagelijks leven ben ik sortimentsadviseur, schrijf ik artikelen over planten en hou ik me bezig met kwekersrechten en patenten, waaronder plantbeschrijvingen. Dat varieert van kamerorchidee (Phalaenopsis) tot coniferen, ‘s zomers zijn dat meestal vaste planten. Daarnaast ben ik secretaris van de keuringscommissie van de KVBC en doe ik een dag in de week selectiewerk in de veredeling bij Boot en Dart Boomkwekerijen.

Ronald Houtman
Foto: Ineke van Teylingen

Autodidact en zelfstandig
Ik heb in Boskoop de drie-jarige A-opleiding gevolgd op de RMTuS, een boomkwekersopleiding inclusief middenstandsdiploma voor zelfstandig boomkweker. Verder ben ik autodidact. Van mijn vader heb ik de liefde voor planten en natuur meegekregen. Hij was bevriend met Harry van de Laar, ze werkten beiden op het Proefstation voor de Boomkwekerij. Toen ik 14 jaar was zei ik tegen Harry: ‘Ik wil worden wat u bent.’ Hij gaf me de raad: ‘Je kunt veel beter een beetje weten van veel planten dan heel veel van een paar planten’ en merkte op dat je door veel te lezen heel veel kunt leren. Opmerkelijk dat ik bij de eerste kwekerij waar ik als jongetje werkte al zag dat alle Hamamelis door elkaar zaten en vond dat daar iets aan moest worden gedaan.
In augustus 1985 ben ik, na twee jaar stage, in vaste dienst gekomen bij Rinus Zwijnenburg. Een kwekerij met een uitzonderlijk sortiment, ik koester nog steeds de voorraadlijst uit die tijd. Bij hem maakte ik kennis met Roy Lancaster, die mij wel inspireerde maar van Harry en Rinus heb ik ongelooflijk veel geleerd. Ik heb gelukkig een (bijna) fotografisch geheugen en kan gemakkelijk plantennamen onthouden. Toen de kwekerij naar Texel was verhuisd ben ik in 1991 als kwekerijmedewerker volle grond en pakloods bij Fa. Esveld gaan werken. Daar heb ik ook veel planten leren kennen. In die tijd was het gebruikelijk dat particuliere klanten met grotere orders hun bestellingen afhaalden bij de loods. Op een bepaald moment legde een klant zijn bestelling in de kofferbak van zijn auto. Dick van Gelderen kwam aanlopen en dacht even te helpen door de klep dicht te gooien. Alleen… de klant hing nog half in de kofferbak en kreeg de klep in zijn nek. Dick sprak toen de legendarische woorden: ‘Kijk ik even niet, doet die man zijn hoofd ertussen.’
In 1985 had ik me aangemeld als lid van de KVBC. In 1994 heb ik het secretariaat van de keuringscommissie van Harry van de Laar overgenomen. Omdat ik toch liever zelfstandig wilde zijn begon ik op 1 januari 1998 mijn eigen bedrijf. Twee bestuursleden van de KVBC hebben er voor gezorgd dat ik het eerste halfjaar van werk werd voorzien met opdrachten voor het veredelen en selecteren van planten en het corrigeren van catalogi op plantennamen, teksten en prijzen. Al enkele jaren daarvoor was ik gestart met het schrijven van artikelen.

Ruimte om te schrijven en fotograferen
Na jarenlang een kantoor gehuurd te hebben zijn we vorig jaar verhuisd naar een huis met kantoorruimte. Een ideale plek voor een grote bibliotheek en voldoende ruimte om te werken en mensen te ontvangen. Ik kan er in alle rust artikelen schrijven, correspondentie verzorgen, lezingen voorbereiden, keuringsgegevens van verschillende soorten keuringen verwerken, rapporten opstellen en schrijven voor Dendroflora.
Op je 14e-15e jaar bedenk je niet wat je gaat doen maar ik ben erg blij met hoe het allemaal gelopen is. Ik had het geluk een niche markt te ontdekken, het kwekersrecht was in opkomst. Ik heb midden jaren negentig het proefschrift over kwekersrecht van Boskoper Paul van der Kooij goed bestudeerd en veel geleerd. Bij Rinus Zijnenburg had ik Piet Oudolf leren kennen, hij was vennoot bij Future Plants, een bedrijf uit de bollenstreek dat nieuwe vaste planten introduceert en beschermt. Ik werd daar geïntroduceerd en kreeg de opdracht om mijn eerste plantbeschrijving voor een Amerikaans plantpatent te maken voor Perovskia atriplicifolia ‘Little Spire’. Nu maak ik 200-250 beschrijvingen per jaar.
Het werk komt zoals het gaat, er komen kansen en uitdagingen waarop ik ja of nee kan zeggen. Soms levert een klus veel op, er zijn ook projecten geweest waar ik weinig of niets aan verdiende.
Met Sjaak de Jong ben ik eigenaar van Plants and Pictures, een extra bedrijvigheid. Foto’s maken was altijd al mijn hobby maar nu heb ik er ook mijn werk van gemaakt.

Jamesia americana
Foto: Ronald Houtman

Onverwachte en veranderende wereld
Het leukste van mijn vak vind ik de onverwachte ontmoetingen, zowel met mensen als met planten. Vooral als je planten in het wild ziet die je alleen van de kwekerij kent zoals Jamesia americana, Mahonia repens en Viburnum rufidulum die in Amerika in de berm staan. Maar ook Myrica gale (gagel) in Nederland in het wild zien is prachtig.
Ik probeer onafhankelijk te zijn. Het vak is op het gebied van de handel harder geworden. De bedrijven die zich bezig houden met kwekersrechten vinden alleen hun eigen planten het best. Het is jammer dat Plant Publicity Holland (PPH) niet meer bestaat, die stelde zich onafhankelijk op en deed goede promotieacties voor de gehele boomkwekerijsector. Door het wegvallen van PPH is er een enorme versnippering in promotie ontstaan. Gelukkig zijn er succesvolle initiatieven om gezamenlijk het sortiment te promoten, Perennial Power voor het promoten van vaste planten is hier een mooi voorbeeld van. Ook voor rozen wordt iets dergelijks opgezet (Roses for Gardens).
Mijn reizen in onder andere Amerika, de Britse eilanden en Scandinavië hebben grote indruk gemaakt. En ook de opwinding om in een ander land te zijn met andere culturen, geluiden, geuren en kleuren, ik vind het fascinerend.
Mijn (luxe)probleem is dat ik alles mooi vind, zowel gecultiveerd als natuurlijke vegetatie. Ik heb wel een zwak voor Salix, Betula, Olearia, Viburnum en ‘Engelse’ planten. Tot zo’n tien jaar geleden waren die planten in ons klimaat niet voldoende winterhard en waren ze bestemd voor export naar Engeland en Ierland of Frankrijk en Italië. Door de klimaatverandering kunnen ze ook hier worden toegepast en geeft dat minder problemen.

Viburnum plicatum ‘Rowallane’; de originele plant in Rowallane Gardens, Noord-Ierland.
Foto: Ronald Houtman

Kennis doorgeven
Ik vind dat je iedereen die geïnteresseerd is in planten goed moet ondersteunen. Kennis en ervaring doorgeven is heel belangrijk. Ik spreek uit ervaring want ik heb het zelf meegemaakt. Wim van Nierop is voor mij een belangrijke kruiwagen geweest, zeker in de tijd dat ik me ontwikkelde en later toen ik met mijn ‘bonte planten boek’ bezig was. Ik ben door de specialisten ‘opgevoed’ en gevormd. Ik heb het geluk dat ik in een dorp woon met veel gelijkgestemden op plantengebied.
Toen ik van de tuinbouwschool kwam heb ik getwijfeld of ik de Hogere Tuinbouwschool zou gaan doen. Ik heb geen titels bij mijn naam, dat mis ik soms wel maar ik doe mijn werk met veel plezier. Het is heel veelzijdig.

Aart Jan Pannebakker, boomkweker/handelaar in een hecht familiebedrijf

Ik ben Aart Jan Pannebakker, geboren in 1943 in Hazerswoude in een gezin met 10 kinderen. In 1972 getrouwd met Anke en vader van drie kinderen waarvan er twee, dochter Caroline en zoon Thijs (de vijfde generatie!), in het bedrijf werkzaam zijn. Vanaf 1988 wonen wij in mijn ouderlijk huis aan de Voorweg. Ik ben nog actief als reiziger/handelaar en doe met plezier klusjes op de kwekerij zoals pootplan maken, voorraad opnemen, binden en maten tekenen. Dit voorjaar hoop ik voor de 54e keer naar mijn klanten in Engeland te gaan.

Aart Jan Pannebakker naast de 55 jaar oude Wisteria sinensis ‘Prolific’
Foto: Ineke van Teylingen

Opleiding en inspiratie
Na de mulo in Leiden ging ik naar de Rijks Middelbare Tuinbouwschool (RMTS) in Boskoop. Er waren goede leraren, Piet de Vogel – praktijkles, Arie de Graaf – plantkunde, Piet van Dijk – plantenziekten. Harry van de Laar was geweldig goed in sortimentskennis. Ik heb er veel geleerd. In mijn praktijkjaar liep ik stage bij Fa. W. van der Poel en Zn in Hazerswoude. In de zomer bij C.H. Gregory & Sons, een rozenkwekerij in Nottingham. Na mijn diensttijd werkte ik vijf maanden bij Knap Hill Nurseries in Woking.
Het boomkweken zit in de familie. In 1876 ging mijn overgrootvader kweken in de Biezen in Boskoop. In 1880 erfden hij en zijn vrouw een boerenbedrijf met 6 ha land aan de Voorweg. Dat bedrijf werd in 1895 boomkwekerij. Mijn opa begon rond 1900 met het reizen naar Engeland. Bang voor de concurrentie werd dit door de handelaren in Boskoop afgeraden. Er waren al vier exporteurs, met een vijfde erbij zou er voor hen niet genoeg over blijven! Mijn vader begon in 1929 met handel te zoeken in Engeland. In de herfst van 1965 kwam ik in de zaak werken en werd in januari 1966 op reis gestuurd naar Engeland. Je kreeg reisgeld en een catalogus mee. Je nam geen klanten van je vader over, maar je moest het bestaande netwerk zelf uitbreiden. Dat viel niet mee, overal waar ik aanbelde was al een handelaar geweest waar men jaren zaken mee deed dus ik had geen schijn van kans. Erg deprimerend, maar bij thuiskomst zei mij vader: ‘Ben je goed ontvangen, ga het dan maar weer proberen. En bijhouden waar je geweest bent.’ Uiteindelijk heeft de aanhouder wel gewonnen. De export breidde zich steeds meer uit. Nu worden ook Zwitserland, Duitsland en Finland bezocht. Door verkoop en opdeling van de zaak bleef er uiteindelijk twee hectare kwekerij over. Ik vermoed wel dat we nadelige gevolgen zullen ondervinden van de brexit en het coronavirus.
De liefde voor dendrologie moest wel groeien ondanks het feit dat ik deel uitmaak van een geslacht van vijf generaties boomkwekers. Een grotere kennis van het houtige sortiment is in de loop van de jaren steeds belangrijker geworden. Mijn inspiratie kwam vooral door een club boomkwekers waar ik al jaren mee naar Engeland (meestal), Ierland, Schotland of Wales ga. Geweldig wat daar aan sortiment te zien is.

Geliefde planten
Twee geslachten zijn voor mij belangrijk Cornus en Wisteria. In een partij C. alba ‘Gouchaultii’ ontdekte ik een afwijkende plant. Ik vroeg aan Chris Sanders, plantenkenner in Engeland, wat ik er mee zou doen. Ging er mee doorkweken en de variëteit is als C. alba ‘Cream Cracker’ in het sortiment opgenomen. Bij de sterrenkeuring kreeg hij twee sterren maar het is helaas geen bestseller geworden.
Mijn passie ligt bij Wisteria. Op verzoek van Wim Sanders had ik 12 variëteiten van Wisteria opgeplant, bestemd voor een show in Frankrijk en dan ook bloeiend. Helaas ging de show niet door. Op advies van Cor van Gelderen ging ik meer Wisteria cultivars kweken. Ik heb van elke soort een exemplaar gehouden en nu staan er 30 verschillende in de siertuin. Chris Sanders bracht me in contact met Chris Lane, de Wisteria expert in Engeland. Vorig jaar was ik uitgenodigd om bij de presentatie van zijn Wisteria-bijbel in Wisley Gardens aanwezig te zijn. De kweek van Wisteria is arbeidsintensief. Bijna al onze Wisteria’s staan op eigen wortel, verkregen door afleggers. Afleggen is een lastige klus, ze wortelen slecht. Enten op een andere wortel gaat vaak mis, een foute tak (onderstam) groeit sneller maar geeft geen bloem.

Wisteria sinensis ‘Multijuga’, in Rowallane Garden (Saintfield, Noord-Ierland)
Foto: Anke Pannebakker-de Boer

Leven met en van planten
Boomkweker/handelaar is een dubbel vak, je moet niet alleen een goede plant kunnen kweken maar ook de inkoop regelen voor zover je de planten niet op de kwekerij hebt staan. Een goede plant is waardevol. Ik ben op veel kwekerijen gaan rondkijken om te zien waar een betrouwbaar sortiment wordt gekweekt. Acer vind ik een fascinerende kweek, er staan inmiddels 25 verschillende variëteiten. Vergeleken met Magnolia is de sierwaarde veel groter. We kweken ook een sortiment Betula, vooral vanwege de bast. Ik vind een witte bast fascinerend. Het is een interessante kweek, er is veel vraag naar en het is een dankbare plant om te kweken. In mijn hart ben ik boomkweker maar handel is nodig om het bedrijf (Pannebakker en Co. B.V.) te laten floreren.
Ik heb met veel plezier mijn werk gedaan in Engeland, veel gezien en fijne mensen ontmoet. Achteraf zeg ik dat ik niet iets anders had willen doen. Zelfstandigheid en vrijheid van handelen zijn veel waard. Natuurlijk is het runnen van een bedrijf risicovol en heb je weinig vakantie maar het heeft me veel voldoening gegeven. De veelzijdigheid in het vak is onbegrensd. Ik ben een tevreden mens.

Uitdagingen en mooie ervaringen
Het begin van de buitenlandse reizen viel niet mee. Er waren ‘grote’ handelaren die dikke orders boekten, daar moest ik mee leren omgaan. Het kostte doorzettingsvermogen om bij het volgende adres weer gemotiveerd binnen te stappen en te doen of alles in orde was. Collega Jan Verwey zei: ‘Joh, Aart Jan. Het kost je eerst een paar nieuwe zolen voordat je een handeltje bij elkaar gesprokkeld hebt.’
Een paar bevriende Hazerswoudenaren zijn missionaris geworden in Afrika. Ik heb er twee opgezocht. De ene werkte in Oeganda, de andere in Ghana. In Oeganda bezocht ik met hem (hij is nu 94) de botanische tuin van Entebbe. Dan kom je toch in een totaal andere plantenwereld. De wierookboom, Boswellia sacra uit de familie Burseraceae, sprak me enorm aan. Van de hars wordt wierook gemaakt. De Engelse invloed op de tuinen is nog goed te merken. Ook in Ghana heb ik tuinen bezocht.
Mijn kennis en ervaring deel ik op het bedrijf met mijn kinderen en het personeel. Ik doe het wel rustiger aan, maar de inkoop van mijn eigen klanten doe ik nog zelf. Op de weg zijn en kwekerijen bekijken, kwaliteit beoordelen, gesprekken met goede kwekers. Ik ga nog graag zelf op de fiets tuin op tuin af om mijn orders compleet te krijgen.

De voet van de stam van de wierookboom
Foto: Ineke van Teylingen

Bijzondere afsluiting
20 jaar geleden hebben mijn broer Jos en ik plannen gemaakt om een boekje over Hazerswoude in oorlogstijd te schrijven. Een oom van ons zat ondergedoken, is opgepakt bij de razzia in januari 1945 en nooit meer terug gekomen. Dat prikkelde onze nieuwsgierigheid. We hebben heel veel opgestoken bij het onderzoek voor het boekje dat in 2018 verscheen met de titel Hazerswoude 1940-1945 Voorweg, Inundatie, Razzia. In archieven hebben we gezocht naar namen en foto’s om daarmee aan de slag te gaan. In het eerste deel gaat het over de bewoners van de Voorweg en de 13 huizen die gesloopt moesten worden omdat ze in het schootsveld van de Duitsers lagen. Het tweede deel gaat over de polders rondom Hazerswoude die onder water werden gezet uit angst voor een geallieerde aanval. Het derde deel bestaat uit herinneringen aan de razzia. Veel jongens en mannen zijn in schuilplaatsen als tuinloodsen, kassen, kapbakken en dichtgroeiende planten ontkomen. We hebben met meer dan 60 dorpsgenoten gesproken om een zo betrouwbaar mogelijk verhaal te kunnen schrijven. We zijn blij met het resultaat, juist nu in het jaar waarin we ‘75 jaar vrijheid’ mogen vieren.

Martin Tijdgat: ‘Van Nothofagus naar Nothofagus

Wil je in het kort vertellen wie je bent, hoe oud je bent en waar je werkzame leven uit bestaat?
Ik ben Martin Tijdgat, 62 jaar, geboren in Rotterdam. Sinds 2002 groenbeheerder in de gemeente Wijdemeren. Daarnaast houd ik me bezig met het toepassen van de Wet Natuurbescherming (voorheen boswet en flora- en faunawet) en het beantwoorden van cultuurtechnische vragen van projectleiders en makers van bestemmingsplannen. Voor 2002 heb ik gewerkt bij de provincie Zuid-Holland en bij diverse gemeenten in Noord- en Zuid-Holland, onder andere in de milieu- en reinigingswereld.

Martin Tijdgat bij de Nothofagus van het gemeentehuis van Wijdemeren
Foto: Ineke van Teylingen

Wat voor scholing/opleiding op dendrologisch gebied heb je gehad?
Mijn dendrologische scholing kreeg ik vanaf 1976 op de Rijks Hogere School voor Tuinbouw- en Landschapsinrichting in Boskoop van onder andere de heren Vahl en Hans Janssen. Zij hebben me geïnspireerd en van alles bijgebracht, van bollen en knollen tot wilde planten en bomen. In de loop der jaren zo’n 3500 verschillende soorten. Daarnaast ben ik sinds 1980 door zelfstudie ecologisch geschoold in het IVN en ben nog steeds Natuurgids. Tot 1995 heb ik veel aan vrijwillig natuur- en landschapsbeheer gedaan en meegewerkt aan een cursusboek over dit onderwerp.

Waar komt de liefde voor dendrologie vandaan en wie hebben je geïnspireerd?
Ik kom niet uit een groene familie maar in mijn jeugd gingen we vaak naar het recreatielandgoed Bijdorp, aan de Bergse Plas in Rotterdam. In het natte veen wemelde het van de veenmollen, zo werd mijn interesse voor de natuur groter. Daarnaast zat ik als jongetje vaak in Diergaarde Blijdorp. De diversiteit aan bomen en planten was er geweldig. Rijdend over rijks- en provinciale wegen verbaasde ik me over de eenvormigheid van wegbeplantingen; zo saai en beperkt. Dat moest toch anders kunnen. Zodoende kwam ik in Boskoop terecht. Ik heb veel inspirerende personen ontmoet, zoals Ronnie Nijboer, Marjan van Elsland, Wout Kromhout, Jaap Smit, Klaas Verboom, Hans Heybroek. Het zijn er te veel om allemaal op te noemen.

Voor welke planten heb je een speciale passie en hoe is dat gekomen?
Ik ben geraakt door alles met geur! Dat is in de kwekerswereld zo’n onderschat verkoopargument. Geur heeft direct inwerking op oude delen van ons brein, geuren worden in ons geheugen geweldig goed vastgelegd. Wat heeft het voor zin om rozen toe te passen die niet geuren? Wat is er leuker dan wandelend een Betula lenta te ruiken? Mijn stadstuintje vul ik met geur, naast voor mij onbekende bomen en struiken die ik test om later in de gemeente te gebruiken. Daarnaast ben ik gebiologeerd door Ulmus. Toen ik in Wijdemeren begon kon ik er maar een vijftig vinden. Rond 2007 ontstond in mijn hoofd het duizend-iepen-plan. We zijn goed op weg, er staan er al meer dan achthonderd.

Hoe ziet in grote lijnen je dendrologische leven er uit?
Het hele jaar draait om de cyclus rond bomen; ’s zomers laten we een boomveiligheidscontrole uitvoeren voor 1/3 van de 8800 bomen. Hieruit volgt een onderhouds- en kapplan met kap van circa 2% van de onderzochte bomen, de laatste jaren wat extra vanwege aangetaste essen. Daarna praten we met de bewoners over een nieuwe inrichting. ‘Probleem’ is dat we zure natte grond hebben tussen de stuwwal en de Vecht. Dan wordt het vaak een puzzel wat je als vervanger neerzet. De nieuwe bomen planten we in het eerste kwartaal, verzorgen ze twee jaar goed zodat ze aanslaan en goed doorgroeien. Van 2003 tot 2019 zijn we van ca. 250 naar 525 soorten bomen gegaan, waaronder negentig soorten iepen. Vorig jaar hebben we met assistentie van Jaap Smit de collectie Populus met negen soorten uitgebreid. En zicht gekregen op nog zo’n 10-20 aantrekkelijke populieren voor in de openbare ruimte. Ik zoek al jaren Carya soorten, dat lijkt dit jaar te lukken.

Hoe kijk je hierop terug? Heeft het je gegeven wat je verwachtte?
Nooit gedacht dat het zoeken, merken van bomen op kwekerijen en planten in de openbare ruimte zo leuk zou zijn dat ik alleen al daarom bij een lokale overheid wil werken. Het contact met publiek en politiek levert me vaak energie op.
Er komt helaas weinig terecht van de ambitie om een eigen arboretum aan te planten. Mogelijk dat ik een legaat kan doen aan een bestaand arboretum. Ik zou graag in het openbaar groen meer gevoelige soorten willen gebruiken, zoals Nothofagus en Eucalyptus, mediterrane of subtropische geurstruiken en bamboe. Daar zijn de geesten nog niet rijp voor, al bewijzen tal van particulieren met tropische tuinen dat het wel kan.

De nieuwe inrichting van het centrum Nederhorst den Berg met Prunus sargentii ‘Rancho’, Ulmus ‘Morton Glossy’, Platanus ×hispanica en Prunus ‘Spire’
Foto: Martin Tijdgat

Wat is het leukste wat je hebt meegemaakt?
In mijn beleving ben ik niet echt een dendroloog maar een genieter van bomen. Zo heb ik vijf keer met groepen mogen rondzwerven in het oerbos Bialowieza in Polen. Graag ga ik nog een keer naar de nu bijna boomloze highlands in Schotland, een gebied dat vroeger oerbos was. Er zijn nog 36 mini-stukjes over van dit Caledonian Forest. Ik doneer aan de organisatie Trees for Life die bezig is met herbebossing en verbinding van die stukjes unieke natuur.
Het is leuk om artikelen te maken voor het blad Boomzorg. Het meeste plezier heb ik beleefd aan een artikel over mijn top-10 van toekomstbomen voor de openbare weg zoals Arbutus en koudeverdragende Eucalyptus. Voor mijn lokale natuurvereniging schreef ik daar een vervolg op: ‘Nieuwe klimaatbomen’.

Wat is het vervelendste in je herinnering?
Dat ik elk jaar kamp met meer werk aan bomen dan dat er aan financiën ter beschikking staan. Dat dit op termijn hogere lasten, kwaliteitsverlies en meer uitval tot gevolg heeft dringt niet goed door. Dat gaat soms ten koste van mijn eigen inzet en gezondheid. Schrijnend zie je de gestage achteruitgang aan veel te jonge bomen, we mesten ze nooit. Daarnaast heb ik door politieke processen volkomen gezonde bomen moeten rooien of ernstig verminken vanwege schaduwhinder of duivenpoep. Tegenwoordig is er meer druk door de particuliere wens voor zonnepanelen ‘tegenover’ het belang van bomen in de openbare ruimte. Veel hangt dan af van de betrokkenheid van de wethouder of het collegeprogramma.

Heb je een leuke anekdote te vertellen?
Het is te gek dat ik naar aanleiding van mijn foto’s van Araucaria’s in Woodstock Gardens in Ierland een e-mail kreeg van een Chileense professor die mijn foto’s wilde gebruiken voor een boek over Chileense bomen over de hele wereld. Daar komt bij dat er in mijn voortuin een Nothofagus antarctica staat en één in de binnentuin van het gemeentehuis in Loosdrecht. Dagelijks rijd ik dus van Nothofagus naar Nothofagus. Dat verhaal wilde hij graag hebben met foto’s van beide bomen. Als dank is er in de bergen van het grensgebied van Chili en Argentinië een boom geplant. Ik kreeg een oorkonde en een Google-pin, zodat ik er ooit (met een helikopter) zou kunnen gaan kijken!
Een moment in de toekomst: Simen Brunia meldde mij eind 2018 dat er in Drenthe bij een particulier een dwergiep (Ulmus minor ‘Jacqueline Hillier’) staat van circa zestig jaar oud die men weg wil hebben omdat de boom te groot wordt. Deze zeldzame boom is 3,5m breed en ruim 4m hoog. De familie heeft de boom aan ons ter beschikking gesteld. Samen met Pius Floris Boomverzorging zijn we de boom aan het voorbereiden om volgend jaar november te verhuizen naar Loosdrecht als pronkstuk en afronding van de renovatie van een postzegelparkje.

Een gevarieerde boomweide met ongeveer acht verschillende boomsoorten en leeftijden. Op de voorgrond Populus nigra ‘Brandaris’.
Foto: Martin Tijdgat

Vind je het belangrijk om je kennis, ervaring en enthousiasme met anderen te delen?
Ja, dat is het leuke aan natuurgidsen, kwekerijen bezoeken, stagiaires begeleiden en het houden van bewonersavonden. Dat is ook waarom ik het iepenarboretum wil realiseren en liefst een paar mooie boomroutes wil maken om te lopen of fietsen. Ik heb de keus uit ruim 500 soorten.

Als je het over mocht doen, zou je dan weer hetzelfde doen?
Nee, niet hetzelfde. Nu heb ik er te lang over gedaan om uit te vinden dat ik dit werken met bomen zo leuk vind. Ik had wellicht eerder met of in de boomkwekerij willen werken als ik niet in hartje Rotterdam was opgevoed en tussen 1980 en 1995 teveel vrijwilligerswerk heb gedaan omdat ik, vanwege de crisis in de jaren tachtig, in Zuid-Holland geen echte baan kon vinden.

Zijn er nog bijzonderheden die je wilt vertellen?
Wilbert Hetterscheid vertelde over het Bomenmuseum in Doorn (AV-4 2019). Ik snap die passie. Ik zou het Bomenmuseum graag helpen om ook een daar passende collectie iepen op te bouwen. Met minimaal dertig verschillende, waaronder alle botanische kruisingsouders van de moderne hybriden. Die mogen daar niet ontbreken!
Een ander plan is de aanleg van een openbaar postzegelpark met vooral bamboes. Zodra ik een geschikte plek zie ga ik er aan werken.
Ook ben ik aan het nadenken over een ander soort fruitgaard in de openbare ruimte. Ik zie diverse kansen, maar het kost veel tijd om het te realiseren. In Loosdrecht moeten we rekenen met de invloed van de das. Maar wat is er mooier dan een fruitgaard met een achtste bewoonde dassenburcht?