Categorie archieven: Arbor Vitae

Het herbarium in het Naturalis Biodiversity Centre in Leiden

Toen ik in Wageningen studeerde ben ik meermaals in het herbarium geweest als onderdeel van mijn studie. Dit Herbarium Vadense was gevestigd in het gebouw van Plantentaxonomie aan de rand van arboretum De Dreijen aan de Generaal Foulkesweg. Dit herbarium, dat werd gestart in 1896, kende vooral veel materiaal uit tropisch Afrika en cultuurgewassen. Planten en zaden zijn hier echter niet meer te vinden: het gebouw is in 2016 getransformeerd naar studentenhuisvesting als onderdeel van de concentratie van de universiteit op een nieuwe campus en als gevolg van heroriëntatie in onderwijs en onderzoek.

André Beerendonk en Barbara Gavendeel in het herbarium
Foto: Ronnie Nijboer

Het Wagenings herbariummateriaal is niet verloren, het is nu opgenomen in de collectie van het Naturalis Biodiversity Centre, samen met de herbaria van de Universiteit Utrecht en de Universiteit Leiden (het voormalige Rijksherbarium). Daarmee is effectief de cirkel rond gemaakt. Het Rijksherbarium dat werd gesticht in 1929 te Brussel door Carl Ludwig Blume, werd in 1830, na de afscheiding van België, door Philip Franz von Siebold en medewerkers naar Leiden geëvacueerd. Ook zijn eigen herbarium maakte namelijk deel uit van deze wetenschappelijke plantencollectie. Het Rijksherbarium richtte zich met name op Zuidoost-Azië en de inheemse flora van Nederland en Europa. In dat kader was het betrokken bij Heukel’s Flora van Nederland. Dit overzicht van inheemse planten werd in 1883 uitgegeven als Schoolflora van Nederland en was gebaseerd op Otto Wünsche’s Schulflora von Deutschland. Het boek groeide uit tot de toonaangevende veldgids voor de inheemse planten. Daarnaast stelde het Rijksherbarium de Standaardlijst Nederlandse Flora op met daarbij een lijst van zogenoemde wachtkamersoorten, waarvan eens per 7 jaar werd beoordeeld of deze planten zich inmiddels blijvend hadden gevestigd in ons land. FLORON is nu verantwoordelijk voor deze lijst.

Ampelocera een tropische verwant van de Iep is alleen te zien in ons land als herbariumexemplaar
Foto: André Beerendonk

Uiteindelijk is het Rijksherbarium in 1999 opgegaan in het Nationaal Herbarium Nederland, een decentrale collectie met drie vestigingen in Leiden, Utrecht en Wageningen. In 2013 is het Nationaal Herbarium Nederland samengevoegd met de in 2011 samengevoegde collecties van het Zoölogisch Museum Amsterdam (ontstaan uit Artis) en Museum Naturalis (ontstaan uit het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie) en opgegaan in het Naturalis Biodiversity Centre. Sinds 2019 is de collectie gevestigd in de nieuwbouw achter museum Naturalis. Hoewel nu op één locatie bestaan de herbariumcollecties van Leiden, Utrecht en Wageningen nog steeds naast elkaar.

Toen het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in 1820 werd opgericht op initiatief van de zoöloog Coenraad Temminck, was het beperkt toegankelijk voor publiek. In 1986 werd besloten dat het een publieksmuseum moest worden. Dit werd uiteindelijk Museum Naturalis. De herbaria waren vooral bedoeld voor wetenschappelijk onderzoek en op afspraak geopend. Het is een feit dat dieren ook veel meer enthousiasme oproepen bij het grote publiek, dus de roep om een botanisch museum zal hooguit als een fluistering geklonken hebben.

Een gedroogde tak van Ulmus × hollandica ‘Klemmer’ de Vlaamse iep
Foto: André Beerendonk

De totale collectie van Naturalis Biodiversity Center telde in 2022 ruim 43 miljoen objecten en behoort wat omvang daarmee tot de top vijf van de wereld. De collectie is doorzoekbaar op een website. In 2011 is namelijk begonnen met het digitaliseren van de collectie. Sinds 2015 zijn 7 miljoen objecten opgeslagen in een database die online beschikbaar is. Ook zijn vele afbeeldingen uit de Naturalis-collectie in Wikimedia Commons ingebracht. Een deel van deze digitaal ontsloten gegevens betreft herbariumexemplaren die zijn gescand op hoge resolutie.

De gedigitaliseerde collectie is te raadplegen in het bioportaal via de website bioportal.naturalis.nl. De website biedt verschillende zoekmogelijkheden. Zo kan er gezocht worden op wetenschappelijke naam en herkomstgebied. De resultaten kunnen sterk variëren. Zo kan een zoekopdracht zowel herbariumexemplaren opleveren, als fossielen en paleobotanische resten. Van de ingescande herbariumexemplaren wordt naast het collectienummer ook de vindplaats, verzamelaar en datum weergegeven. De naamgeving is in lijn gebracht met de laatste taxonomische inzichten. Eventueel verkeerd benoemde planten blijven echter verkeerd benoemd, de naamgeving is met het digitaliseren niet gecontroleerd.

Ik kreeg, samen met Ronnie Nijboer, begin dit jaar de kans voor een rondleiding in het herbarium door professor Gravendeel. Met veel plezier zijn we verschillende ruimten op verschillende verdiepingen afgegaan om zowel exemplaren in de voormalige Leidse, als Wageningse en Utrechtse collecties te bekijken. De plat gedroogde planten zitten in papieren mappen die per soort in kartonnen dozen zijn opgeborgen, opgestapeld in rekken. Omdat de gedroogde planten behandeld zijn met gif is het telkens van belang goed de handen te wassen. Ook is het goed vooraf te weten wat je wilt zien, de collectie is immers enorm!

Voor de gemiddelde persoon zullen de gedroogde planten minder enthousiasme opwekken dan levende exemplaren. Toch kan het nuttig zijn om exemplaren verzameld in andere herkomstgebieden of van lang geleden te beoordelen op mogelijke vormafwijkingen van wat nu als typisch wordt beschouwd voor de betreffende soort. Ook voor kweekvormen kan dit interessant zijn. Zo zijn in het herbarium exemplaren aanwezig van enkele Iepencultivars die niet meer worden gekweekt en zelfs (waarschijnlijk) niet meer bestaan. Beschikbare historische afbeeldingen of beschrijvingen kunnen vergeleken worden met het herbariummateriaal. Ook is het aan de hand van herbariumexemplaren mogelijk verloren gewaande cultivars te determineren en op die manier te herontdekken. Voor een plantennerd als ondergetekende was het gewoonweg leuk om na 30 jaar weer eens een specimendoos te openen en voorzichtig de mappen naast elkaar te leggen voor inspectie.

Het herbarium is op afspraak te bezoeken voor onderzoek. Dit kan via collectie@naturalis.nl. Geef het doel aan van je bezoek, de specifieke collectie, de gewenste periode en de verwachte duur van je bezoek. Omdat telkens een collectiebeheerder aanwezig dient te zijn, zal op basis van beschikbaarheid een afspraak ingepland worden. Het is verstandig via het bioportaal één en ander voor te bereiden, zodat je een duidelijk beeld hebt van wat je fysiek wilt zien.

Ulmus × hollandica ‘Vegeta’, Huntingdons iep met vruchten.
Foto: Ronnie Nijboer

Twee herdenkingsbomen onder de loep – Vraagtekens bij determinatie van Tilia americana

Twee aan Juliana toegewijde ‘koninklijke bomen’ in de gemeente Leiden trokken medio 2025 onze aandacht. De ene is aangeplant in 1909 in het Rembrandtpark langs het Noordeinde ter gelegenheid van de geboorte van de prinses en de andere in 1948 op het Gerecht, een plein in het centrum van Leiden, bij haar inhuldiging als koningin.

De in 1909 aangeplante boom staat op het daarnaast geplaatste informatiebord te boek als Zomerlinde (Tilia platyphyllos), maar blijkt bij nadere beschouwing een Amerikaanse linde te zijn (Tilia americana). Ondersteunend bewijs daarvoor vonden we bovendien in het Leidsch Dagblad van 11 juni 1909, waarin staat vermeld: “[…] de geboorte van Prinses Juliana […] alhier een boom geplant, een Amerikaansche linde.” En de op 6 september 1948 aangeplante herdenkingsboom wordt in het Leidsch Dagblad van 7 september 1948 vermeld als ‘grootbladige linde’. In het gemeentelijk bomenbestand staat deze evenwel te boek als Hollandse linde (Tilia ×  europaea). Maar klopt dat wel?

Tilia americana op het Gerecht.
Foto: Eduard Groen

Duidelijke kenmerken
Bij het determineren van Lindesoorten (Tilia) spelen bloemen, schutblad, bladvorm, nervatuur en beharing vaak een belangrijke rol. In de zomer van 2025 viel het de bomenkenner Hans van Daalen op dat bladeren van de boom op het Gerecht groter zijn dan gebruikelijk bij een Hollandse linde. Het kon dus een Zomerlinde zijn, oftewel een Grootbladige linde, maar de typische beharing van de nerven, een kenmerk van deze soort, ontbrak. Tijdens de bloei in juni viel hem bovendien op dat de boom meer bloemen heeft dan kenmerkend is voor een Tilia platyphyllos. De bloeiwijze van Zomerlinde bevat meestal maar drie bloemen. Deze boom heeft er aanmerkelijk meer per bloeiwijze (vijf tot acht). Bovendien steekt het schutblad ruim (>1cm) boven de bloemen uit.

Bladeren en vruchten van de Linde op het Gerecht.
Foto: Eduard Groen

‘Lastig’ kenmerk
Wat het determineren ook lastig maakte, was dat auteurs elkaar tegenspreken bij het kenmerk staminodium (steriele meeldraad). Volgens Boeijink et al. heeft de Amerikaanse linde geen staminodia. In ‘Dendrologie van de lage landen’ staat dat ze die wel heeft. De monografie van Pigott vermeldt (met tekening) ook dat ze die heeft. De bloemen van beide Juliana-Linden hebben staminodia. Voor de Hollandse linde vermeldt zowel Boeijink als Pigott dat staminodia ontbreken. In ‘Dendrologie van de lage landen’ staat niets vermeld over dit kenmerk voor deze soort.

Uit de determinatie blijkt dat de Linde op het Gerecht in werkelijkheid ook een Tilia americana is: grote bladeren, zeer scheve bladvoet, schutbladen langer dan bloeiwijze, veel bloemen, geen beharing op de nerven, aanwezigheid steriele meeldraden. Het feit dat in de gemeente Leiden twee Amerikaanse linden zijn aangeplant voor Juliana (en dit heden ten dage ‘vergeten’ blijkt te zijn), is op zichzelf onvoldoende reden om er een artikel aan te wijden. Maar er is nog iets dat we kwijt willen…!

Bloeiwijze van Tilia americana op het Gerecht.
Foto: Eduard Groen

Afstaande haren aan de bladrand
Tijdens het determineren is Hans van Daalen een kenmerk van de Amerikaanse linde (Tilia americana) opgevallen dat tot dusver niet expliciet genoemd wordt in diverse toonaangevende determinatiewerken: de aanwezigheid van afstaande haren aan de bladrand. Het betreft duidelijk afstaande haren die zich langs de rand van de bladschijf bevinden. Deze zijn bij voldoende vergroting goed zichtbaar. De haren komen over de gehele rand van het blad voor, in tegenstelling tot bijvoorbeeld borstelharen die soms slechts aan de top of basis van het blad worden gezien bij andere Lindesoorten.

Het gaat hier nadrukkelijk niet om de haren in de bladoksels (domatium ofwel okselbaard), die vaker benoemd worden bij determinatie van Linden, maar om een beharing langs de bladrand zelf. Dit kenmerk kan mogelijk van waarde zijn bij het onderscheiden van T. americana van andere soorten of cultivars.

Behaarde bladrand van Tilia americana op het Gerecht
Foto: Hans van Daalen

Het is opmerkelijk dat dit kenmerk niet voorkomt in enkele gezaghebbende determinatiewerken:

  • Tilia L. (Malvaceae) – Vegetative Key to Species in Cultivation – J. De Langhe
  • Loofbomen, in en buiten het bos – D.E. Boeijink
  • Dendrologie van de Lage Landen – J. de Koning & W. van den Broek
  • Lime-trees and Basswoods – D. Pigott

In geen van deze bronnen wordt melding gemaakt van afstaande haren aan de bladrand als kenmerk voor T. americana. Dit roept de vraag op of het kenmerk mogelijk over het hoofd wordt gezien, of dat het slechts in bepaalde ecotypen of cultivars voorkomt. Ook is het mogelijk dat dit kenmerk als ‘algemeen’ beschouwd wordt en daarom niet als determinatiehulp vermeld wordt.

Daarom stellen wij via deze weg een vraag aan collega-dendrologen en boomkenners:

Herkennen jullie dit kenmerk van afstaande haren aan de bladrand bij Tilia americana? En zijn er determinatietabellen of bronnen bekend waarin dit kenmerk wél benoemd wordt? Waarnemingen, foto’s en referenties zijn van harte welkom. Een beter begrip van deze beharing kan bijdragen aan nauwkeuriger determinatie en mogelijk zelfs inzicht geven in genetische variatie binnen de soort.

Reacties kunnen worden gericht aan de redactie.

Platycarya strobilacea, een opvallend buitenbeentje in de notenfamilie

Als je Platycarya strobilacea zonder vruchten of bloemen ziet, dan kun je nog gemakkelijk vaststellen dat hij thuishoort in de Juglandaceae, maar de vruchten kunnen je zeer misleiden. Die lijken, zoals de wetenschappelijke soortnaam al aanduidt, net kegels, zoals bij veel coniferen.

Lang telde het aparte geslacht Platycarya van de familie Juglandaceae P. strobilacea als enige soort, met een groot areaal in gematigde gebieden van Japan, Korea en Vietnam en grote delen van China. Recent is nog een tweede soort beschreven, P. longzhouensis, met een klein areaal in de Chinese provincie Guangxi. Zowel het geslacht Platycarya als de soort strobilacea werden in 1843 beschreven door Siebold en Zuccarini. In 1844 vond de bekende Engelse plantenjager Robert Fortune de soort in China. Lindley noemde de plant naar de vinder Fortunaea chinensis en beschouwde het als de belangrijkste nieuwe vondst van Fortune. Maar thans is het dus alleen nog een synoniem.

Habitus van <em>Platycarya strobilacea</em>
Habitus van Platycarya strobilacea
Foto: Ineke Vink

De bloei van Platycarya is heel apart binnen de familie. Het bijzondere is dat er een krans van 4 tot 8 rechtopstaande, 2 tot 15 cm lange mannelijke katjes staat rond de vrouwelijke bloeiwijze die op een kegel lijkt. Deze laatste staat ook rechtop en is met 2 tot 3 cm zeer gedrongen en met veel bloemen. Ze is aanvankelijk groen en kleurt later kastanjebruin. De zeer kleine, gevleugelde zaden worden door de wind verspreid. De bomen en struiken van de soort worden tot 10 m hoog. Het geveerde blad telt 1 tot 15 zittende blaadjes en is 8 tot 30 cm lang. P. strobilacea is in ons klimaat voldoende winterhard, maar helaas maar zelden te zien in tuinen en openbaar groen.

<em>Platycarya strobilacea</em> met duidelijk zichtbare kegels
Platycarya strobilacea met duidelijk zichtbare kegels
Foto: Ineke Vink

Binnen de familie van de Juglandaceae werd Platycarya tot voor kort gerekend tot de onderfamilie Juglandoideae. In deze onderfamilie horen bekende geslachten thuis als Carya, Juglans, Pterocarya en het minder bekende geslacht Cyclocarya. Recent werd het geslacht in de aparte onderfamilie Platycaryoideae geplaatst. In deze onderfamilie zijn verder nog enkele fossiele geslachten. Van de twee overige onderfamilies horen de Engelhardioideae met drie soorten thuis in tropisch Zuidoost-Azië en de Rhoipteleoideae met één soort in Zuidoost-China.

Oudere en jongere kegels en mannelijke katjes
Oudere en jongere kegels en mannelijke katjes
Foto: Ineke Vink

Toch nog een derde soort?
Diverse Chinese biologen hebben vanaf 2020 populaties van Platycarya bestudeerd in twee gebieden in China met karststeenkalkhabitats. Zij vonden dat daar aanwezige populaties al ruim 2 miljoen jaren gescheiden waren van andere populaties van de soort. Op basis van genetische verschillen onderscheiden ze daarom de aparte soort P. longipes, een soort die in 1940 door Y.C. Wu beschreven werd. Ondanks deze divergentie zijn beide soorten nauw verwant en had men waarschijnlijk beter kunnen spreken van twee ondersoorten. Plants of the World online plaatst P. longipes als synonymie van P. strobilacea, zich beroepend op een Koreaanse publicatie. Mijns inziens niet terecht omdat die publicatie uit 2014 dateert, dus vóór de Chinese studies. De soorten vertonen dus genetische verschillen, maar waarschijnlijk geen morfologische.

Mannelijke katjes rondom een vrouwelijke bloeiwijze
Mannelijke katjes rondom een vrouwelijke bloeiwijze
Foto: Gert Fortgens