Sinds 2024, toen de NDV 100 jaar bestond, heeft de vereniging een beschermheer in de persoon van Floor Vermeulen. Hoewel hij bij de meeste mensen wel enigszins bekend zal zijn, wordt het tijd om wat uitgebreider kennis met hem te maken.
Floor Vermeulen is sinds 2021 burgemeester van Wageningen, de stad die internationaal bekend is vanwege Wageningen University en Research (WUR) en de vele daarmee verbonden instellingen. Ook is de hij zoon van een Boskoopse boomkweker. Vanuit zijn functie en zijn achtergrond heeft hij dus een link met dat wat de leden van de NDV bindt: interesse in het uiterlijk en andere kenmerken van bomen en de rol die ze spelen in hun omgeving.
Floor Vermeulen, burgemeester van Wageningen en beschermheer van de NDV Foto eigendom: Floor Vermeulen
Floor Vermeulen is in 1984 geboren in Boskoop. Zijn vader had een kleinschalige, specialistische kwekerij en richtte zich vooral op Clematis en Hydrangea. Ook zijn opa zat in het vak. Het zat dus echt in de familie, al is hij zelf een andere weg gegaan. In zijn jeugd is hij veel met zijn vader mee geweest en speelde hij vaak op de kwekerij. Ook hielp hij zijn vader wel met kleine klusjes. Ze gingen regelmatig samen naar arboreta, in Nederland en daarbuiten. Zijn kinderfeestjes vierde hij zelfs op de Boskoopse schouw van zijn vader. Een boot waarmee planten of aarde via het water werden vervoerd. Leuk feitje is dat zijn vader een Clematis heeft ontdekt, die naar hem is vernoemd: de Clematis integrifolia ‘Floris V’.
Dat werk van zijn vader en die omgeving hebben hem gevormd. Hij is graag buiten in de natuur in Nederland, maar ook in landen als Engeland, België en Duitsland. Afgelopen zomer was hij bijvoorbeeld in Ierland en bezocht daar ook twee arboreta. Arboreta hebben voor hem een speciale betekenis en die bezoekt hij dan ook regelmatig.
Na de middelbare school heeft hij politicologie gestudeerd in Leiden. Tijdens zijn studie was hij al actief als lid van de faculteitsraad Sociale Wetenschappen en lid van de studentenpartij Studenten Groepering Leiden. Toen hij na zijn studie de politiek inging, is hij zich actief blijven inzetten voor organisaties die zijn belangstelling hadden. Zo was hij bestuurslid van het Longfonds en lid van de cliëntenraad van het LUMC.
Zijn politieke loopbaan startte hij in 2007 als lid van de Provinciale Staten voor de VVD. Vanaf 2015 werd hij lid van de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en in 2021 werd hij burgemeester van Wageningen. In die rol houdt hij zich onder andere bezig met openbare orde en veiligheid, internationale samenwerking, evenementen en de bijzondere rol van Wageningen met betrekking tot de bevrijding en vele andere zaken.
Floor en zus Niki bij de door de KVBC bekroonde plant Foto: eigendom van Floor Vermeulen
En ook nu is hij naast zijn functie als burgemeester op vele andere vlakken actief. Zo is hij lid van de strategische adviesraad van de Unit Mobility and Built Environment van TNO, voorzitter van het platform Ruimte voor Lopen, jurylid van de Ronald E. Waterman Sustainability Award en lid van de commissie Dilemma van de VVD. En dus beschermheer van de Koninklijke Nederlandse Dendrologische Vereniging. Dat wat al deze functies samenbrengt, is dat ze op de één of andere manier bijdragen aan het op een zo duurzame, eerlijke en leefbare manier inrichten van de omgeving.
Wat dat betreft zit hij in Wageningen op zijn plek. Hij gaat er graag naar de arboreta, maar ook de uiterwaarden en het Binnenveld vindt hij prachtig, juist omdat ze zo verschillend zijn. Wageningen is een groene stad en daar blijft het bestuur in investeren. Zo worden meer plekken in de stad vergroend, zoals rondom de grote kerk en in de wijken. Ook wordt het onderhoud en de aanplant van nieuw groen versterkt. Dat is belangrijk voor inwoners, voor de uitstraling van de stad en voor de gezondheid. Groen helpt ook bij grote uitdagingen, zoals klimaatverandering. In Wageningen komt dat mooi samen met wetenschap. Hier wordt veel onderzoek gedaan naar natuur, landbouw en klimaat. Die kennis helpt om betere keuzes te maken voor de inrichting van de stad, nu en in de toekomst.
De Cytisus kewensis ‘Niki’ die is vernoemd naar de zus van onze beschermheer. Foto eigendom: Floor Vermeulen
Mensen beschrijven Vermeulen als een iemand die geïnteresseerd is in de medemens. Als je met hem door Wageningen loopt, blijft hij al gauw ergens hangen om een praatje te maken. Dat is ook zijn manier van werken: luisteren en vragen naar wat mensen bezighoudt en daar rekening mee houden. En dat hij het belangrijk vindt dat de leefomgeving van iedereen gezond, veilig en prettig is, blijkt wel uit al zijn nevenfuncties.
Floor Vermeulen vindt het een eer dat hij gevraagd is om beschermheer te zijn. Het past bij zijn familiegeschiedenis en ook bij zijn leven nu in Wageningen. Zelf geeft hij aan dat het een beetje voelt alsof het zo heeft moeten zijn. De rol betekent voor hem ondersteunen en verbinden. Hij vindt het belangrijk dat de vereniging blijft groeien en dat kennis wordt doorgegeven aan nieuwe generaties. Het is volgens hem mooi om te zien dat 100 jaar werk wordt erkend met het predicaat ‘koninklijk’ en hij hoopt dat de NDV nog vele jaren een bloeiende vereniging blijft. Hij wil daar graag zijn bijdrage aan leveren.
Het verplanten van bomen werd meer dan honderd jaar geleden al gedaan. Denk aan het aanvoeren van halfvolwassen Eiken en Beuken vanaf de Heuvelrug naar kasteel De Haar in Haarzuilens in 1895. In 2021 en 2022 schreef Jan Holwerda een artikel hierover (Arbor Vitae 4, 2021. Boomverplanting met vorstkluit, nu en toen; Arbor Vitae 1, 2022. Historische boomverplantmachines).
Het gaat om voor die tijd grote bomen, die met speciaal geconstrueerde apparaten werden vervoerd. Uit de foto’s bij het artikel kan worden opgemaakt dat de stamdiameter ongeveer 30 cm was en de wortelkluit een diameter van 200 cm had.
Horizontale verplanting van een Fraxinus xanthoxyloides (Afghaanse es) in 1958 op rolletjes in arboretum Trompenburg. Foto: Trompenburg Tuinen en Arboretum
Dit artikel gaat over het verplanten van bomen met een stamdiameter tot 140 cm en is het resultaat van een onderzoek naar de groei en (wortel)ontwikkeling op lange termijn. Samen met Roel Vermeulen, boomexpert uit Brabant, is in 2022, 2023 en 2024 onderzoek uitgevoerd bij ruim twintig bomen die tussen 1997 en 2015 verplant zijn, zowel in Brabant (door Roel) als in het westen van Nederland (samen). De onderzochte exemplaren zijn Plataan, Linde, Paardenkastanje, Iep en Eik. De stamdiameter van de onderzochte bomen varieert van 60 cm tot 140 cm. Critici van het verplanten van grote bomen menen dat het verplanten van grote bomen niet zinvol zou zijn omdat jonge bomen de oudere altijd inhalen. Al zou dit waar zijn, dan is het ook van belang om daarin te betrekken dat de gemiddelde boom in de stad niet de leeftijd van 30 jaar bereikt. Het is daarom in toenemende mate belangrijk dat we het stadsboombeheer richten op behoud en levensduurverlenging van bestaande bomen. Verplanting is dan een optie wanneer we het boomkroonvolume in de stad op peil willen houden of zelfs uitbreiden.
Horizontale verplanting van een Paardenkastanje met een totaalgewicht van 200 ton in Den Haag (1997) Foto: Huib Sneep
Verplanttechniek
Na de opkomst van hydraulische telescoopkranen in de zeventiger jaren werd het mogelijk om bomen met een gewicht tot 20 ton te verplanten. Er wordt dan met eindloze stroppen aan de stam gehesen of via een zogenaamd Newman-frame aan de kluit. Eind jaren ’80 kwamen er kranen op de markt die tot 40 ton kunnen hijsen.
Toen de gemeente Den Haag in 1995 een Paardenkastanje wilde laten verplanten op de Koekamp nabij het Malieveld, schoot deze hijstechniek tekort en was er een grote innovatie nodig: horizontale verplaatsing van een totaalgewicht van 200 ton door middel van schuiftechniek. Hierbij worden acht tot tien stalen rijplaten onder de kluit doorgetrokken met behulp van een lier, waarna de rijplaten worden bevestigd aan een zware H-balk. Via een grote lier wordt de boom via een vooraf gegraven sleuf naar de nieuwe standplaats getrokken. Met deze techniek zijn bomen tot 200 ton verplant. Rond 1995 kwam de ‘pallettechniek’ op de markt, waarbij eerst een groot aantal stalen balkjes onder de kluit wordt geperst. Vervolgens worden onder de twee uiteinden van de balkjes twee zware onderslagbalken aangebracht. Hieraan hijsen één of twee kranen met een hijsvermogen tot 500 ton de boom omhoog en plaatsen deze op een platformwagen. Hierop wordt de boom naar de nieuwe standplaats vervoerd en daarna geplant. Sinds 1997 zijn met de nieuwe technieken in Nederland en daarbuiten tientallen buitencategorie bomen met succes verplant. Ook zijn er in de laatste decennia wat bomen verplant, waarbij een groot deel van de grond tussen de wortels verwijderd moest worden om de boom te kunnen optillen, of in de kluit aanwezige kabels of leidingen vrij te kunnen maken. Deze techniek wordt de ‘kale wortelverplanting’ genoemd. Wanneer een optimale nazorg en verankering van de boom wordt uitgevoerd, blijkt ook deze techniek succesvol, onder andere bij een Plataan in Maassluis (1996) en vier Iepen in Den Haag in 2018.
Uiterlijk van de Paardenkastanje in Den Haag in 2015, kroondoorsnede is 29 meter Foto: Huib SneepAan de kroonrand van deze boom is te zien dat deze zich ontwikkelt: onvertakte scheuten met grote knoppen. Foto: Huib Sneep
Opzet van het onderzoek
Het eerste onderdeel van het onderzoek is een visuele inspectie van de kruin van de boom om vast te stellen of na de verplanting de kroon zich verder ontwikkeld heeft. Wanneer de groei van een boom stagneert, is dit het eerst zichtbaar in de structuur van de dunste takjes.
Vervolgens is de grootte van de groeiplaats bekeken. Soms is de grootte van de aan het maaiveld zichtbare groeiplaats kleiner dan de werkelijke inhoud en bestaat de groeiplaats bijvoorbeeld maar tot 30 centimeter diep uit goede teelaarde met daaronder straatzand. Deze situatie maakt dat de boom lijdt onder droogtestress en er een onbalans is tussen wortelvolume en kroonvolume.
Het derde deel van het onderzoek richt zich op de wortelontwikkeling na de verplanting. Stagneert deze, dan stagneert ook de groei of sterft de boom zelfs (gedeeltelijk) af. Stagnatie kan zowel het gevolg zijn van onjuist uitgevoerde groeiplaatscreatie als een te gering volume aan goede bodem met daaromheen straatzand of te sterk verdichte klei.
Plataan in Maassluis die in 1996 met kale wortel verplant is naar een plaats met een hoge grondwaterstand. Daarom is de boom op een verhoging geplant (foto gemaakt in 2024) Foto: Huib Sneep
Resultaten van het onderzoek
Bij optimale bodemomstandigheden, dus voldoende vocht en een vruchtbare, luchtige bodem, kan een wortel 75 cm lengte per jaar groeien. Het wortelvolume kan dan in enkele jaren met 70 procent toenemen.
De conditie van vrijwel alle onderzochte bomen in West Nederland is redelijk tot goed, die in Brabant gemiddeld minder. Meer dan de helft van de verplante bomen heeft na de verplanting een goede verdere ontwikkeling doorgemaakt met bijbehorende diktegroei. Wanneer de groei gestagneerd was, bleek het volume aan doorwortelbare grond een belangrijke oorzaak.
Voldoende water geven over een lange periode is bepalend voor een goede hergroei, vooral wanneer de bomen op de nieuwe groeiplaats niet direct contact hebben met het grondwater. In die situatie kan het noodzakelijk zijn om langer dan vijf jaar water te geven, vooral nu droge zomers meer regel dan uitzondering zijn.
Zelfs bij een verplanting met een kluit van 10 bij 10 meter, zoals de Paardenkastanje op de Koekamp in Den Haag, wordt niet meer dan 25 procent van het oorspronkelijke aanwezige wortelvolume verplant; de overige 75 procent blijft op de oude standplaats achter.
Bij het onderzoek is gebleken dat na de verplanting vanuit de kluit heel dikke wortels kunnen ontstaan. Zo bleek bij een Plataan aan de Amstelveenseweg in Amsterdam in twintig jaar tijd een wortel van 20 cm diameter te zijn gevormd aan de zuidwestkant van de boom.
Tijdens het onderzoek van de beworteling in 2024 van de Plataan in Maassluis Foto: Huib Sneep
Conclusies en aanbevelingen
Nazorg is nodig tot het moment dat het wortelvolume weer terug is op het niveau van voor de verplanting. Dit kan vijf tot tien jaar duren, vooral wanneer de vochtvoorziening beperkt is. Water geven is de belangrijkste activiteit gedurende de nazorgperiode.
De bodemkwaliteit is de factor die het waterhoudend vermogen bepaalt en mineralen buffert.
Verplantbaarheidsonderzoek is heel belangrijk om vast te stellen of de boom direct klaar is voor verplanting of een voorbereidingsperiode van één of twee jaar nodig heeft. Om vast te stellen hoeveel procent van het wortelvolume meegenomen wordt tijdens de verplanting, is het sterk aan te bevelen om het bestaande wortelvolume te bepalen. Zo kan worden ingeschat hoeveel m3 groeiplaats minimaal (altijd meer dan op de oude groeiplaats!) nodig is op de nieuwe standplaats en hoe lang de nazorgperiode moet zijn voor een goede hergroei.
Wortel van 20 cm diameter die na de verplanting is gevormd vanuit de rand van de kluit Foto: Huib Sneep
Het is een regelmatig terugkerende discussie: worden er wel de juiste bomen aangeplant in onze bossen en andere natuurgebieden? En behouden we op deze manier onze inheemse, autochtone populaties?
Flora wordt inheems genoemd als de soort zich na de laatste ijstijd spontaan in een gebied heeft gevestigd. Autochtoon zijn de populaties die zich generaties lang genetisch hebben aangepast aan de omstandigheden in een bepaald gebied (een zogenaamde klimaatregio, Nederland maakt deel uit van de klimaatregio Nederland/West-Vlaanderen), dus eigenlijk de plaatselijke nakomelingen van een inheemse soort, ook wel wilde flora genoemd. Binnen Natura 2000 is geregeld en geaccepteerd dat landen ernaar moeten streven iets van hun wilde flora, dus ook de wilde bomen en struiken, in stand te houden en te behoeden voor uitsterven. Dan gaat het dus om bomen en struiken die zich spontaan hebben gevestigd en waarvan de nakomelingen zich zonder (noemenswaardig) toedoen van de mens hebben weten te handhaven. Uit onderzoek van Bert Maes en anderen in de afgelopen 35 jaar blijkt echter dat het aandeel inheemse, autochtone bomen en struiken in nog aanwezige in situ bronpopulaties eind vorige eeuw tot een minimum was gedaald. Circa 3 tot 5% was nog maar inheems autochtoon te noemen en terug te vinden in de bronpopulaties.
Assortiment vruchten en zaden van inheems autochtoon materiaal Foto: Lammert Kragt
In Nederland komen ongeveer 100 tot 110 inheemse boom- en struiksoorten (inclusief halfheesters) voor met wilde populaties. Zo’n 10% daarvan is uitgestorven (de soort bestaat nog wel, maar het oorspronkelijke autochtone genetische materiaal niet meer), of bestaat alleen nog uit hele kleine aantallen. Van het oorspronkelijke materiaal en wat daar nog van over is, is 50% ernstig bedreigd geraakt in nog bestaande plaatselijke populaties. Jaarlijks verdwijnen er regionaal inheemse soorten met wilde (autochtone) herkomst. Deze achteruitgang heeft voornamelijk te maken met niet adequaat of gericht beheer van onze oude bosrestanten en houtwallen, naast de invloed van ontwatering, mest en gifstoffen. Zo golden tot en met de middeleeuwen strenge wetten en bepalingen omtrent de instandhouding van bossen (Jaap Buis, 1985. Historia Forestis) maar nadat die losgelaten werden, zette de achteruitgang zich snel in. Toch zouden we graag zien dat op het eind van deze eeuw de dan levende generaties nog steeds iets van onze wilde, houtige flora in ons landschap kunnen zien en ervaren. En niet alleen in arboreta.
Het is goed om de rol van wilde/autochtone bomen en struiken enerzijds en de rol van bomen en struiken in het algemeen (natuur, recreatie, productie) goed van elkaar te scheiden, hoewel er ook heel goed sprake kan zijn van een mengvorm (autochtone beplanting gebruiken die voldoet aan de eisen van het gewenste doel). Maar instandhouding van onze meest complexe landschapselementen met inheemse, wilde bomen en struiken is, alleen al uit voorzorg, wel verstandig. Hoe Staatsbosbeheer dat in Nederland wil doen, wordt hierna uitgelegd.
Vijlenerbos, oude bosgroeiplaats Foto: Lammert Kragt
De aandacht voor inheemse, autochtone bomen en struiken dateert uit de jaren ‘80 van de vorige eeuw en heeft zich nadien verder ontwikkeld in beleid en aanpak. Staatsbosbeheer heeft tussen 2005 en 2013 alle terreinen in eigendom en beheer door Maes laten inventariseren op mogelijk aanwezige bronpopulaties. Dat is tussen 2015 en 2018 nog een keer herijkt. Rapporten daarvan staan in het databestand van het Centrum voor Genetische Bronnen (CGN). Andere terreinbeheerders, zoals Natuurmonumenten en een aantal Provinciale Landschappen, zijn zover echter nog niet en staan pas aan het begin van een dergelijke monitoring.
In 2006 is op basis van mondiale, Europese en nationale afspraken (zie o.a. bijlage 1 bij nota en wet Bronnen van ons bestaan; behoud en duurzaamheid van genetische diversiteit) de genenbank voor bomen en struiken in de terreinen van Staatsbosbeheer ingericht (het Bronnenbos in boswachterij Roggebotzand). Circa 50 ha genenbank ex situ voor inheemse, autochtone bomen en struiken. Het oorspronkelijk materiaal hiervoor is verzameld binnen de klimaatregio Nederland/West-Vlaanderen, vanuit bronpopulaties. Het gaat dus om een klimaatregio-brede representatie van wat we nog hebben en in stand willen houden om drie belangrijke pijlers te waarborgen: klimaatbestendigheid, biodiversiteit (alle levensvormen die met deze soorten zijn verbonden) en ziektebestendigheid. Een collectie van een soort moet tenminste uit 30 verschillende genotypen bestaan, anders mag ze niet in de genenbank worden opgenomen. Dit zou anders de genetische basis versmallen. Alle oogstlocaties in- en ex situ staan geregistreerd in de Nederlandse Rassenlijst voor bomen en struiken.
De genenbank kent twee doelen:
conservering door bijeen te brengen van wat er nog is en waar mogelijk de genetische basis verbreden met materiaal uit nieuw gevonden bronpopulaties
vanuit de diverse collecties teeltmateriaal oogsten (zaad, stek) voor de vermeerdering via de boomkwekerijen die hiertoe gespecialiseerd zijn en het plantmateriaal (bosplantsoen) dat hieruit voortkomt door Staatsbosbeheer en andere organisaties planten in het bos en landschap binnen de klimaatregio. Dat kan in bestaand bos en landschap maar ook in nieuw aan te leggen bossen en landschappelijke beplantingen.
Dat werk wordt door Staatsbosbeheer uitgevoerd en is een wettelijk opgedragen taak van deze organisatie. Het staat onder toezicht van het CGN (wetenschappelijk toezicht) en NAK-tuinbouw (controle op in omloop brengen van teeltmateriaal en fyto-sanitaire hygiëne).
Oogsten van Meidoorn Foto: Lammert Kragt
Inheemse, autochtone herkomsten hebben een eigen status (SI = Source Identified) in de Nederlandse Rassenlijst. Staatsbosbeheer, afdeling Zaad & Plantsoen, heeft dit indertijd geïnitieerd om hiermee ‘gerommel’ te voorkomen. Deze categorie is vastgelegd in EU Richtlijn 1999/105/EG. De komende tijd wordt deze richtlijn omgezet naar een verordening en is daarmee, als een nog stringenter beleid, bindend voor alle EU-lidstaten.
Tussen 2010 en 2020 heeft dat per jaar circa 400.000 inheemse, autochtone, jonge bomen en struiken opgeleverd die allen een plaats hebben gekregen in bestaand of nieuw aangelegd bos en landschap. Vanaf 2020 is daar dankzij de Nationale Bossenstrategie een fors tandje bovenop gezet. Nu leveren we, in samenwerking met de boomkwekerijen, 800.000 autochtone bomen en struiken per jaar af. Omgerekend kom je op: (10 jr * 400.000 stuks) + (5 jaar * 800.000 stuks) = 8.000.000 inheemse, autochtone planten die het Nederlandse bos en landschap verrijken en daarmee hun autochtone voorgangers representeren en weer terugbrengen.
Daarnaast is het CGN gestart met een plan om, op basis van Europese afspraken, genenbewaringsunits in te stellen. Verspreid over het land zijn plaatsen aangewezen (bossen en landschappelijke beplantingen) waar zich nog oorspronkelijke bronpopulaties bevinden. Die populaties worden, voor zover dat nog niet het geval is, in kaart gebracht. Tevens wordt er ook actief gezocht naar mogelijk nieuwe, nog niet bekende populaties. Deze populaties worden gericht beheerd om ervoor te zorgen dat de populatie zich tenminste kan handhaven en zo mogelijk weer langs natuurlijke weg kan uitbreiden.
Zaden van Juniperus communis Foto: Lammert Kragt
Hoe worden nu de inheemse, autochtone bronpopulaties van soorten bepaald? Als ijkpunt wordt het landschap voor 1850 genomen: er wordt gekeken naar restanten van bossen en landschappelijke beplantingen die toen aanwezig waren. De populaties moeten zich in ongestoorde situaties bevinden waar bomen en struiken zich vanaf de laatste ijstijd in grote mate zelf hebben weten te handhaven door de eeuwen heen.
Verder zijn de morfologische (o.a. bladvorm, bloeiwijze) en de genetische (DNA) kenmerken van de betreffende plant/populatie belangrijk. Zekerheid is echter lang niet altijd te geven, dus het blijft een vermoeden met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat het dan om een inheemse, autochtone bronpopulatie gaat. Tijd, ruimte en andere invloeden, kortom de natuur, bepalen mede de oorsprong. Verder weten we veel van de moederplanten maar slechts weinig of niets van de vaderplanten. Dat geldt met name voor windbestuivers, maar er zijn ook lokale voorbeelden van ingekruist materiaal.
Momenteel is er een stroming die alleen kiest voor zeer lokaal, autochtoon materiaal. Dus zaad winnen van locatie X, daar planten van telen en die op locatie X en omgeving terug planten. Dat maakt de uiteindelijke genetische basis echter zeer smal met als gevolg allerlei problemen in tijd (ziekten). Verder is uit archeobotanisch onderzoek duidelijk naar voren gekomen dat veel huidige zeldzame en zeer lokaal gebonden soorten eerder ook op (veel) andere geschikte groeiplaatsen in het land voorkwamen. Een voorbeeld is de wilde appel (Malus sylvestris). Het is de kracht van de genenbank dat daar populaties staan die genetisch representatief zijn voor de gehele klimaatregio.
Anderzijds is er nog zeer veel onkunde en soms stuitende domheid op dit gebied. Een voorbeeld (waar gebeurd); een instelling vraagt naar autochtone Tamme kastanje (Castanea sativa). Dus een Nederlands-Vlaamse herkomst categorie SI. De kweker bevestigt dat die te krijgen is, maar levert uiteindelijk Castanea sativa met als herkomst Bulgarije (autochtoon). Voor de afnemer geldt daarom dat je duidelijk moet aangeven wat je wil hebben en altijd de correcte papieren erbij moet eisen. Blijkt dat het niet gaat om een Nederlands-Vlaamse autochtone herkomst, dan neem je de partij niet af en meld je de situatie bij NAK-tuinbouw.
In bossen en landschapselementen met accent natuur en een Natura 2000 status worden altijd en alleen inheems autochtone bomen en struiken geplant. In multifunctioneel bos (met houtproductie) worden als basis inheemse bomen en struiken geplant. De struiken zijn inheems autochtoon en de bomen zoveel als mogelijk of anders van goede en erkende bosbouwkundige herkomst in Nederland.
Bloeiende Berberis vulgaris in de genenbank Foto: Lammert Kragt
Er is niks mis met exoten, in tegendeel, ze vormen vaak een waardevol, eeuwenoud erfgoed en zijn belangrijk voor onze woonomgeving. In onze complexe bosecosystemen, met samenhang van mycorrhiza, insecten, bodemfauna enz., spelen exoten echter vaak een minder positieve rol, zeker als ze invasief zijn. Logisch, omdat ze niet aan onze levensgemeenschappen en ecosystemen zijn aangepast. Toch kunnen ze ook voor onze bossen soms een waardevolle aanwinst zijn. In het kader van de klimaatontwikkeling worden dan ook kleine pilots (in het kader van het LIFE Climate Forest programma van Staatsbosbeheer en de Bosgroepen) geplant met zowel inheemse als uitheemse bomen. Het gaat daarbij om andere Europese boomsoorten die van oorsprong van elders komen, maar die al lang in Europa zijn ingeburgerd, zoals de Douglasspar. Maar ook om nieuwe soorten zoals Liriodendron, Sequoiadendron, Carya etc. of Europese soorten die elders in Europa inheems zijn zoals Corylus colurna of Sorbus torminalis (ook wel Torminalis glaberrima genoemd). In het kader van klimaatslim bosbeheer wordt geprobeerd op basis van waarneming en monitoring of deze soorten een waardevolle aanvulling in de tijd kunnen betekenen. In de voormalige terreinen van het Rijksinstituut voor Onderzoek in de Bos- en Landschapsbouw (RIBL) de Dorschkamp zijn proefvelden aangelegd met een aantal van deze nieuwe soorten. Op de site van Probos staat een lijst van mogelijke complementaire soorten
(https://www.probos.nl/projecten/innovaties-in-beheer/1635-aanvullende-boomsoorten-ten-behoeve-van-revitalisering).
Deze website maakt gebruik van cookies
Om de beste ervaringen te bieden, gebruiken wij cookies om informatie over je apparaat op te slaan en/of te raadplegen. Door in te stemmen met deze technologieën kunnen wij gegevens zoals surfgedrag of unieke ID's op deze site verwerken. Als je geen toestemming geeft of je toestemming intrekt, kan dit een nadelige invloed hebben op bepaalde functies en mogelijkheden.
Functioneel
Altijd actief
De technische opslag of toegang is strikt noodzakelijk voor het legitieme doel het gebruik mogelijk te maken van een specifieke dienst waarom de abonnee of gebruiker uitdrukkelijk heeft gevraagd, of met als enig doel de uitvoering van de transmissie van een communicatie over een elektronisch communicatienetwerk.
Voorkeuren
De technische opslag of toegang is noodzakelijk voor het legitieme doel voorkeuren op te slaan die niet door de abonnee of gebruiker zijn aangevraagd.
Statistieken
De technische opslag of toegang die uitsluitend voor statistische doeleinden wordt gebruikt.De technische opslag of toegang die uitsluitend wordt gebruikt voor anonieme statistische doeleinden. Zonder dagvaarding, vrijwillige naleving door je Internet Service Provider, of aanvullende gegevens van een derde partij, kan informatie die alleen voor dit doel wordt opgeslagen of opgehaald gewoonlijk niet worden gebruikt om je te identificeren.
Marketing
De technische opslag of toegang is nodig om gebruikersprofielen op te stellen voor het verzenden van reclame, of om de gebruiker op een site of over verschillende sites te volgen voor soortgelijke marketingdoeleinden.