De Sequoia op de omslag van de tweede Arbor Vitae van 2026, de Sequoia sempervirens of Kustsequoia, is een echt buitenbeentje onder de naaldbomen. Zo gaat het niet alleen om de hoogst bekende bomen, maar ook genetisch heeft de soort een aantal unieke eigenschappen. Dankzij de klimaatverandering is bij ons de winterhardheid inmiddels geen probleem meer.
De eerste wetenschappelijke benaming gebeurde door de Schotse botanicus David Don in 1824. Hij meende te doen te hebben met een wintergroene Moerascipres en gaf de soort de naam Taxodium sempervirens. In 1847 plaatste de Oostenrijkse botanicus Stephan Endlicher de soort in het geslacht Sequoia. Het heeft veel discussie opgeleverd hoe hij aan de naam Sequoia kwam. Er werd zelfs gesteld dat de naam zou verwijzen naar Sequoyah, die de taal van de Cherokee indianen op schrift stelde. Maar dit lijkt onwaarschijnlijk.
Sequoia sempervirens groeit van nature in een smalle strook langs de Amerikaanse westkust van het midden van Californië tot het uiterste zuiden van Oregon. Het meest voorkomend is de soort op een hoogte van 300 m boven zeeniveau met uitschieters tot 1000 m. De bomen kunnen tot 2000 jaar oud worden en meer dan 100 m hoog. In het Redwood National Park staan enkele bomen tussen 113 en 116 m hoog.

Foto: Ineke Vink
Al groeien de bomen in een vochtig klimaat, toch is watertransport naar dergelijke hoogten zeer moeilijk. De soort heeft zich daaraan aangepast met wijdere tracheïden en speciale naalden die het vocht van de mist kunnen opnemen. Deze naalden, die in de schaduw zitten, zijn breder dan de naalden die aan zonlicht zijn blootgesteld en zich vooral richten op fotosynthese. De schors is zeer dik en bevat geen brandbare hars. De roodachtige kleur van het hout is de reden dat de bomen Redwood genoemd worden. Het hout is één van de meest duurzame houtsoorten ter wereld. Het wortelstelsel is ondiep en zeer uitgebreid. Meerdere stammen kunnen hetzelfde wortelstelsel delen, de zogenaamde ‘feeënringen’. Op die manier kunnen bomen zich ongeslachtelijk voortplanten door middel van knopvormig aan de voet van de omgezaagde of afgestorven stam.

Foto: Ineke Vink
Oorspronkelijk besloeg het areaal van S.sempervirens 810.000 ha. Rond 1850, toen het bosareaal steeds meer door wegen werd ontsloten, begon de massale houtkap. Dit leidde ertoe dat in 1918 al acties kwamen om de soort te beschermen onder het motto ‘Safe the Redwoods’. Het is daarmee de oudste beschermde naaldboom. Van het huidige bestand is 225.000 ha beschermd en hiervan is 80.000 ha nog origineel bos.
S. sempervirensheeft een bijzondere genetica en is de enige naaldboom die hexaploid (6n) is. De soort is mogelijk een allopolyploid (AAAABB) ontstaan uit een kruising van een fossiele Sequoia-soort met een fossiele Metasequoia-soort. Het chromosoomaantal 2n is 66. Ook is sprake van het grootste genoom met een totaal van 26,5 gigabases (voor zover bekend was in 2020). Een gigabase vertegenwoordigt een miljard basenparen, die de bouwstenen zijn van DNA-moleculen. Een andere bijzonderheid is dat het chloroplast- en mitochondriale-DNA vererft via het pollen in plaats van via de eicellen.

Foto: Ineke Vink
In Bomen in België (J.C. Baudouin et al., 1992) wordt bij S. sempervirens vermeld dat deze conifeer in het Belgische klimaat niet echt winterhard is, want de hele koude winters verdraagt hij niet. In het arboretum van Tervuren werden aan het begin van de twintigste eeuw een honderdtal bomen geplant waarvan er nog slechts enkele resten. De hoogste boom in België bevond zich in 1992 in Roculx en was toen 26 m hoog. Bomen in Herkenrode, Kalmthout en Meise waren tussen 15 en 18 m hoog. Ook werden goede resultaten vermeld van een introductie in 1969 van zaden verzameld op de grens van Californië en Oregon. In 1955 kweekte de Sequoia Farm in Kaldenkirschen (Duitsland) 10.000 zaailingen van zaad verzameld op de meest noordelijke en hoogstgelegen standplaats. Hiervan overleefden er slechts vijf de strenge winter van 1955/1956. Het Trompenburg Tuinen & Arboretum verkreeg hier één exemplaar van. Andere exemplaren werden naar de eigenaar van de Sequoia Farm, Dr. Martin resp. ‘Illa Martin’ en ‘Martin’ genoemd. Klonen hiervan zijn nog steeds onder deze namen in omloop.
In het Gimborn Arboretum plantte Von Gimborn rond 1930 een vijftal exemplaren in de beschutting van een dennenbos. Deze exemplaren overleefden diverse strenge winters. Met de huidige klimaatverandering is de winterhardheid geen serieus probleem meer.
