Categorie archieven: Arboreta uitgelicht

De bomencollectie van Diergaarde Blijdorp: een arboretum met een bijzondere twist

De eerste bestuursleden van de Stichting Rotterdamsche Diergaarde waren het er in 1857 al snel over eens dat hun ‘levende collectie’ niet alleen aandacht moest hebben voor zeer uiteenlopende exotische dieren, maar ook voor bijzondere plantensoorten.

In de vooroorlogse binnenstad, waar de eerste diergaarde was gevestigd, was ruimte genoeg om diverse dierenverblijven aan te leggen voor allerlei hoefdieren, evenals speciale gebouwen voor het huisvesten van roofdieren, vogels en reptielen. Ook tropische kassen voor palmen, varens en succulenten mochten daarbij niet ontbreken. De tuin was aangelegd in Engelse landschapsstijl en kende reeds diverse fraaie bomen.

Plant en dier gaan vanaf de prille oprichting van de ‘diergaarde’ hand in hand. Ondanks de nieuwe plannen voor de stadsontwikkeling in de jaren ’30 van vorige eeuw én de dreigende Tweede Wereldoorlog bleven de ambities van het bestuur hoog. De plannen om de hele diergaarde te verhuizen (van de plaats waar nu het huidige Centraal Station is gevestigd) naar de nieuwe locatie in de Blijdorp-polder werden in werking gezet. Door de bombardementen op het centrum van Rotterdam, in mei 1940 versnelde het hele verhuizingsproces naar de nog half opgebouwde nieuwe plek, net buiten de stad.

Het bestuur had in de voorgaande jaren grote plannen met de nieuwe diergaarde. Zij moest uitgroeien tot de modernste dierentuin van Europa, naar het voorbeeld van dierentuinen die eerder waren gerealiseerd in onder meer Duitsland, zoals het Tierpark Hagenbeck in Hamburg. Vrijwel geen tralies meer, maar open zicht en ruimtelijke transparantie. De diergaarde zou in haar geheel, van entree tot stal en van plantenborder tot bomenlaan, worden ontworpen door één architect: Sybold van Ravesteyn (1889–1983).

Oude plattegrond Diergaarde Blijdorp.
Afbeelding: Archief Diergaarde Blijdorp

Deze architect liet zich dat geen twee keer zeggen. Hij ontwierp de tientallen stallen en bijgebouwen, de padenstructuur, de entree en zijn grootste, centraal gelegen meesterwerk: de Rivièrahal. Met ruime en transparante constructies van beton en glas riep hij sferen op die deden denken aan Zuid-Europa en gaf hij duizenden Rotterdammers, die de wrede oorlogsjaren hadden doorstaan, een gevoel van rust en ruimte terug.

Die ‘rust en ruimte’ kwam niet alleen tot uitdrukking in de architectuur maar ook in het totale beplantingsplan van de diergaarde. Van Ravesteyn werkte de padenstructuur uit in heldere zichtlijnen met rotondes, dierenweides en lanen, die voor het publiek vanuit de 42 meter hoge uitkijktoren goed zichtbaar waren.

Samen met het hoofd van de plantencollectie en tuinen, de heer Schoonebeek, werd gezorgd voor de aanplant van de eerste bomen in de nog kale en winderige polder. De beplanting en boomkeuze waren gebaseerd op een ‘wijker en blijver’-systeem van Populieren, Wilgen, Berken, Sparren, Lindes en Eiken. Deze soorten zorgden snel voor een groene diergaarde en waren, wat in de oorlogsjaren goed van pas kwam, waarschijnlijk bovendien relatief goedkoop in aanschaf.

Koelreuteria paniculata in de Chinese Tuin.
Foto: L.J. Nederlof

De Trompenburg-connectie
Rond de periode van de verhuizing nam de heer James van Hoey Smith (1891–1971) zitting in de Raad van Bestuur van de Stichting Rotterdamsche Diergaarde. Tevens was hij eigenaar van een particuliere bomenverzameling op landgoed Trompenburg in Kralingen. Zonder twijfel zette hij zijn uitgebreide handelsnetwerk in om er samen met Schoonebeek voor te zorgen dat bij diverse boomkwekerijen in binnen- en buitenland talloze boomsoorten werden aangeschaft.

Hoewel van Ravesteyn bepaalde waar de bomen met het oog op de zichtlijnen moesten worden aangeplant, opperden van Hoey Smith en Schoonebeek het idee om de bomen in taxonomische groepen over de beschikbare ruimte te verspreiden. Zo ontstond een Kastanjelaan met Paardenkastanjes, een windhaag van diverse soorten Haagbeuken, een Eikenlaantje met Eiken uit alle windstreken van Europa en een rij Beuken met de variëteiten die destijds in cultuur waren.

Een deel van de toen aangeplante bomen staat nog altijd in het ‘oude’ deel van de dierentuin. Het sortiment is qua leeftijd en variatie bovendien nog goed te relateren aan overeenkomstige exemplaren in het huidige Trompenburg Tuinen en Arboretum aan de Honingerdijk, enkele kilometers verderop!

De bomen als decor
In de jaren na de oorlog ontwikkelde Diergaarde Blijdorp zich tot een internationaal befaamde dierentuin met honderden diersoorten en bijzondere kweekresultaten. Ook de plantencollectie bleef niet achter. De Botanische Afdeling genoot bekendheid met omvangrijke collecties rotsplanten, Rozen, Orchideeën, cactussen en Bromelia’s. Het bomenbestand was eveneens indrukwekkend en zorgde voor het gewenste groen en de noodzakelijke schaduwwerking in het park.

Waar de bomen in de eerste periode vooral fungeerden als ‘piketpalen’ in het bouwkundig concept van Van Ravesteyn, was er veertig jaar later nog maar weinig over van het oorspronkelijke tuinontwerp. Bomen werden verwijderd of gingen op in nieuwe, ruimere dierenverblijven, waarin minder soorten juist meer ruimte kregen.

In de jaren ’90 van de vorige eeuw werd het eerste masterplan gelanceerd. Bezoekers moesten een beter en samenhangender beeld krijgen van de natuur als geheel, waarbij planten en dieren in onderlinge relatie werden gepresenteerd. De ruime verblijven, waarin beplanting een grote rol speelde, werden ‘biotopen’ genoemd en de dierentuin werd opgedeeld in continenten: Afrika, Amerika, Azië en Europa. Elk continent kreeg uitgestrekte verblijven met diersoorten die daar van oorsprong voorkwamen, inclusief, waar mogelijk, bijpassende beplanting.

Zo werd op het continent Amerika veel gewerkt met Eiken en Dennen. In de Chinese Tuin, onderdeel van het continent Azië, werd een omvangrijke collectie bomen en heesters uit China en de Himalaya aangeplant. Oude bomenstructuren werden daarbij zoveel mogelijk ontzien en, waar mogelijk, ingepast in de nieuwe ontwerpen. Langs de Chinese Tuin en de nieuwe Bergdierenrots zijn nog altijd sporen van het oude pinetum zichtbaar, terwijl op de Eikenlaan en Kastanjelaan nog steeds een diversiteit aan soorten staat die herinnert aan het ontstaan van Diergaarde Blijdorp.

Metasequoia glyptostroboides in de Chinese Tuin.
Foto: L.J. Nederlof

Binnen het nieuwe masterplan kregen bomen niet alleen de functie om de collectie te versterken, maar ook om de sfeer van de biotopen te ondersteunen. Om bijvoorbeeld de beleving van een Afrikaanse savanne op te roepen, werd gebruikgemaakt van zogenoemde ‘look-a-likes’. Zo werden onder meer Robinia pseudoacacia en Styphnolobium japonicum toegepast als vervangers van de karakteristieke Afrikaanse acacia.

Ilex × koehneana ‘Chestnut Leaf’ (Afrika/Europa).
Foto: L.J. Nederlof

De weg richting natuurbehoud
Het was voor onze Botanische Afdeling een grote opluchting én een enorme opsteker toen we in 2022 de drie sterren erkenning kregen voor ons arboretum als lid van de Nederlandse Dendrologische Vereniging (NDV). Dit toonde aan dat het werk, de ontwerpen en de inspanningen van onze voorgangers werden gewaardeerd en dat de bomencollectie een nieuwe, bredere rol kon krijgen: van groen decor naar een bruikbare collectie voor onderzoek, educatie en onderwijs.

Het bomenbestand van Blijdorp is tegenwoordig veel zichtbaarder en omvat ruim 700 soorten houtige gewassen, waaronder een groot aantal taxa uit de tropen. Onze bomencollectie is aangesloten bij het netwerk van arboreta (www.arbnet.org) met een Level II-certificaat. Op OpenBomenkaart (www.openbomenkaart.org/obk.htm?data=blijdorp) is een plattegrond beschikbaar waarop het bomenbestand en de bijzondere heesters in de diverse tuindelen zijn weergegeven.

Sequoiadendron giganteum (Mammoetboom) (Amerika).
Foto: L.J. Nederlof

Van dierentuin naar natuurbehouds­organisatie
Het nieuwe masterplan 2050 van Blijdorp beoogt een geleidelijke maar zekere transitie van een klassieke dierentuin naar een organisatie voor natuurbehoud, die planten en dieren in hun natuurlijke leefomgeving beschermt en uitsterven helpt voorkomen. Deze boodschap kan alleen effectief worden uitgedragen wanneer ook het fundament van al het leven op aarde, de groene planten, goed zichtbaar en gewaardeerd wordt.

Onze arboretumfunctie richt zich daarom steeds meer op de aandacht voor de vele bedreigde boomsoorten die wereldwijd onder druk staan. Voor sommige soorten is het van essentieel belang dat botanische tuinen en arboreta deze bedreigingen in samenwerking met andere organisaties kunnen neutraliseren en dat er voldoende genetisch materiaal beschikbaar blijft in ex-situ omstandigheden.

Met deze nieuwe missie zijn we nog maar net begonnen. Al veel is duidelijk geworden: Blijdorp kan dit werk niet alleen realiseren, maar wél in samenwerking met groene vakmensen, botanici, natuurbeschermers en dendrologen; eigenlijk zoals dat altijd al het geval is geweest!

Over de auteurs
Louwerens-Jan Nederlof is collectiebeheerder en Rick Put is senior botanisch medewerker, Botanische Afdeling Diergaarde Blijdorp, Postbus 532 3000 AM, Rotterdam, l.nederlof@diergaardeblijdorp.nl

Geïnteresseerden kunnen een overzicht van de houtige gewassen op verzoek toegestuurd krijgen door een mailtje te sturen.

Floriade 2022 toont de groene stad van de toekomst

Als afsluiting van de rubriek Arboreta Uitgelicht deze keer een bijzonder verhaal over het nieuw te ontwikkelen arboretum voor de Floriade van 2022, in Almere. Op het terrein van de Floriade wijken camping, jachthaven en horeca en maken zij plaats voor het groene stad arboretum: een integrale ontwikkeling van een woonwijk en een arboretum. Een gesprek met Jaap Smit, een van de betrokken groenuitvoerders voor de gemeente Almere.

In het midden staat Fagus sylvatica ‘Anniek’
Foto: Harry de Coo

Wat willen jullie laten zien in de groene
stad van de toekomst?

De groene stad wil laten zien hoe ‘groen’ kan bijdragen aan de stad van de toekomst als een prettige omgeving voor mens en dier. Groen beïnvloedt de leefomgeving door CO2 vast te leggen, fijnstof af te vangen, hittestress af te vlakken en biodiversiteit te vergroten. Daarnaast biedt de beplanting vergelijkingsmogelijkheden tussen de verschillende boomsoorten, struiken en vaste planten. Die kunnen daar voorlopig doorgroeien. Het idee is dat het arboretum er geplant wordt voor minimaal vijftig jaar. Hier en daar staan bomen dicht op elkaar, zodat tijdens de Floriade een groen beeld ontstaat. Samen met boomkwekers is gekozen voor bomen en heesters die op deze zware zavelgrond kunnen groeien. Bijna alles slaat, mede dankzij flink water geven, goed aan, maar toch is het een experiment waar we van leren.

Hoe is het terrein ingericht?
Het terrein van 60 hectare is volgens het idee van landschapsarchitect Winy Maas ingedeeld in een raster van 192 merendeels rechthoekige kavels. In een strook van 4 meter aan de buitenkant van alle kavels – de zogenaamde arboretumstrook – zijn vanaf november 2017 bomen, heesters en vaste planten geplant. Dat levert een arboretum op van acht hectare met planten die op alfabet zijn gerangschikt. Al lopende kom je de verschillende boomsoorten tegen, bij de A zijn natuurlijk Acer en Alnus ruim vertegenwoordigd. Er zijn veel bomen beginnend met een A, weinig met een B en weer veel met een C. Daar houden we rekening mee met het planten van de totaal 2500 bomen. De bomen zijn op afstand en soms nauw geplant om in 2022 de beplanting een volwassen aanzien te geven. Een beperkt aantal bomen zal later wellicht verhuizen naar elders in Almere, maar het gros vormt straks onderdeel van de groene stadswijk.

Welke rol spelen de boomkwekers bij de Floriade?
Anders dan bij andere Floriades zijn heel veel boomkwekers direct bij de Floriade betrokken Meer dan honderd kwekers, groot en klein, stelden bomen ter beschikking. Het is een prachtig podium voor de boomkwekerij om door een arboretum te laten zien wat Nederland heeft te bieden.

Regelmatig worden kwekers uitgenodigd om de aanleg te bekijken en (on)gevraagd advies te geven aan het groenteam, dat naast Jaap Smit bestaat uit landschapsarchitect Niek Roozen en hoofdontwerper Christiaan Pfeiffer. Er staan diverse nieuwe selecties zoals Acer platanoides ‘Mauritz Upright’, een strak zuilvormige Esdoorn en een Fagus sylvatica ‘Anniek’ een zuilvormige Beuk. Het komende plantseizoen gaan de laatste bomen, heesters en de meeste vaste planten de grond in. Belangrijk, zodat de beplanting er in 2022 fantastisch uitziet.

Er was eerst een parkbos, geplant na het droogvallen van de polder. Zijn daarvan elementen hergebruikt?
Het koesteren van bestaande bomen is belangrijk en vraagt om creatieve oplossingen. Het parkbos is deels gekapt en deels behouden en wordt nu het functiebos genoemd. Aan de rand van het bos zijn de verschillende boomsoorten zichtbaar: Prunus avium, Acer pseudoplatanus en Carpinus betulus. De bomen in de rand zijn ingepakt met jute of rieten matten om zonnebrand te voorkomen.

Langs de zoom van het functiebos zijn de Vlieren en andere struiken behouden. Bij de aanleg van wegen en bruggen stonden bomen soms in de weg. Daar hebben we oplossingen voor moeten zoeken. Bij een groep Populieren zijn draglineschotten over de wortels geplaatst zodat auto’s er ongestoord over heen kunnen rijden. De grond wordt niet verdicht en de vitaliteit van de bomen
wordt niet aangetast. Ook de plaatsing van een brug is aangepast om een groep Alnus glutinosa langs het Weerwater te sparen. De 40-jarige bomen van het functiebos zorgen voor een volwassen aankleding van terrein In het midden staat Fagus sylvatica ‘Anniek’ en daar zijn we blij mee.

Josinapark
Foto: Harry de Coo

Hoe willen jullie de continuïteit van het arboretum na de Floriade garanderen?
Als je een huis koopt in de wijk Hortus weet je dat je in een bomenrijke omgeving gaat wonen. Een bomenrijke buurt heeft vele voordelen en groen geeft meer marktwaarde voor je huis. Het wordt een autoluwe woonwijk met een straatbreedte van zes meter en enkele centrale parkeervoorzieningen. In het kavelpaspoort bij het koopcontract staat welke bomen er staan, wat de kroonprojectie
is en wat in stand moet worden gehouden. Mensen weten dus waarvoor ze tekenen en kiezen daar uiteindelijk voor. De bedoeling is dat bewoners bij de inrichting van hun tuin geïnspireerd worden door de planten die in de arboretumstrook staan. Dat betekent dat als er bomen staan met de A we hopen dat heesters en de vaste planten met een A worden geplant. Dus in de voortuin met de Alnus past Ampelopsis wel maar Lonicera niet.

Wat zijn de educatieve plannen?
We ontwikkelen een app die gebruik maakt van GPS-coördinaten van de bomen. Bij elke boom krijg je informatie over de kenmerken en de waarde voor het milieu en biodiversiteit. Zo komen er verschillende routes onder andere met bomen die veel fijnstof afvangen, bomen die veel CO2 opnemen en bijenvriendelijke bomen. En misschien maken we een eigen Betuweroute langs de bomen die vanuit de Betuwe zijn geleverd en op de Floriade goed groeien. En natuurlijk willen we uitdragen dat mooi groen een meerwaarde heeft in de stad. Bezoekers moeten dat goed op hun netvlies krijgen. Ook de jeugd krijgt een apart educatief programma. Het getoonde sortiment bomen is uitgebreid en laat bezoekers zien wat er allemaal kan in dit klimaat en op de zavelachtige kleigrond. Er is een tendens in Nederland om een standaardsortiment te kweken. Dat is jammer, veranderende klimaatomstandigheden vragen om aanvullingen hierop. Dat vraagt om experimenteren en vervolgens laten zien aan de vakgenoten. Dat kan op de Floriade in het arboretum. Wij willen een discussie over het sortiment hier laten plaatsvinden. Onze wens is om de boomkwekers te confronteren met de veranderende vraag die er is bij onder andere gemeentes en daar kan dit arboretum een rol in spelen.

Carpinus japonica
Foto: Harry de Coo

Wat betekent de Floriade voor de NDV en de KVBC?
De Floriade is een platform voor veel organisaties om kennis uit te wisselen en te netwerken. Het is een ideale plek voor excursies en cursussen voor beide verenigingen tijdens de
Floriade. Ook zijn er kwekers die hun nieuwe introducties planten: Alex Schoemaker uit Boskoop plant duizenden van zijn nieuwste selecties, Boomkwekerij Elst-van Bergen uit Wernhout laat zijn eigen Caryopteris en Escallonia zien.

Na de Floriade blijft het een uniek arboretum want waar staan zoveel bomen, heesters en vaste planten op alfabet? Voor zijn plantenkennis is Jaap zijn docent uit Frederiksoord
Theo Janson nog veel dank verschuldigd. Hij vindt het prachtig dat er een boom met zijn naam op de Floriade is geplant: Aesculus ×carnea ‘Theo Janson’, afkomstig van kweker Koos Pieters. Theo sprak van Acer tot Zelkova, inmiddels is het ‘van Abies tot Ziziphus’. Jaap is trots dat Ziziphus jujuba op de Floriade is te zien.

De bomentuinen van Landgoed Schovenhorst

Het landgoed Schovenhorst is een van de oudste ontginningsbossen op de Veluwe. Op 20 januari 1848 kocht mr. J.H. Schober, een broodfabrikant uit Utrecht en in 1841 medeoprichter van het Utrechts Genootschap voor Landbouw en Kruidkunde, ruim 80 hectare ‘onland’ van de gemeente Putten. In de loop van de volgende tientallen jaren werd deze oppervlakte uitgebreid tot circa 178 ha, waarop het landgoed Schovenhorst werd gesticht.

Genieten van de stilte op een bankje in Schovenhorst

Het landgoed bestaat nu bijna geheel uit bos en bomentuinen. De gronden waren voormalige domeingronden, die eeuwenlang door de lokale boeren gebruikt werden voor het beweiden van vee en het steken van plaggen. De gronden waren sterk verarmd en Schober wenste deze weer productief te maken. Hij experimenteerde in de ontginning met verschillende bewerkings- en bemestingsmethoden in de landbouw, groente- en fruitteelt en bosbouw. Uiteindelijk bleek op de relatief arme droge zandgrond alleen de bosbouw lonend. Uit de bosbouwkundige experimenten zijn uiteindelijk de bomentuinen op het landgoed ontstaan.

Van experimentele ontwikkeling
Bij de aanleg van het Schovenhorster bos zijn in eerste instantie vooral eikenzaailingen aangeplant voor de exploitatie als hakhout en werd grove den gezaaid. In de relatief ongunstige omstandigheden die er heersten, groeide deze soort beter dan andere inheemse soorten. Tegelijkertijd experimenteerde Schober op kleine schaal met uitheemse naaldboomsoorten, op zoek naar boomsoorten ‘passend in ons klimaat, die mogelijk de grove den zouden kunnen overtreffen in groeisnelheid en houtproductie’. Hij verwierf daartoe zaden van 300 soorten en variëteiten naaldbomen uit de gematigde klimaatzones, zaaide die uit in zijn kwekerij en volgde de ontwikkeling van de bomen. Schober publiceerde in 1892 de resultaten van zijn proefnemingen en de bomentuin werd ook bij het publiek bekend als Pinetum Schoberianum.
Op basis van zijn proeven begon Schober eind 19e eeuw met het bedrijfsmatig aanplanten van Douglasopstanden. Daarmee is Schovenhorst de bakermat voor de Douglasspar, Pseudotsuga menziesii, in Nederland.
In een eerste kwekerij werden vanaf 1852 diverse soorten naaldbomen aangeplant, opgekweekt uit zaad afkomstig van verschillende werelddelen. Deze kwekerij is als zodanig in stand gebleven tot 1865. Daarna werd het een bomentuin, bekend als het Kleine Pinetum (1,17 ha). Er staan daar nog bomen uit de begintijd, die inmiddels ongeveer 170 jaar oud zijn.
Na het overlijden van de heer Schober in 1901 gaan eigendom en beheer over op zijn dochter en haar echtgenoot dr. J.Th. Oudemans, een van de oprichters en eerste voorzitter van Natuurmonumenten. In 1904 vormde hij de tweede kwekerij om tot het huidige Grote Pinetum (2,5 ha). Het Josinapark (1 ha) werd in 1906 aangelegd in een voormalige kalverweide en boomgaard. Aan de zoom van het park staat een collectie dwergconiferen. 130 soorten en variëteiten zijn in 1929 door boomkweker Piet den Ouden (sr.) uit Boskoop geschonken aan Schovenhorst.

… naar botanische tuin
In de eerste bomentuinen was geëxperimenteerd met de aanplant van solitaire bomen. In 1936 besloten Schobers kleinkinderen, Th.C. Oudemans en J.J. Hacke-Oudemans, tot de inrichting van een bosbouwkundige bomentuin: het Arboretum (6 ha). Daarin wilden zij onderzoeken hoe de bomen in groepen van dezelfde soort zich in onderlinge concurrentie zouden ontwikkelen. Ze plantten soorten aan waarvan de verwachting was dat deze in het Nederlandse klimaat goed zouden kunnen groeien. Deze soorten werden gerangschikt naar geografische herkomst. Dit werk is later voortgezet door J.J.M.H. (Joos) Oudemans, zij was 10 jaar voorzitter van de NDV (1972-1982).
Aan het eind van de vorige eeuw nam de belangstelling voor bosbouwkundige proeven met uitheemse boomsoorten af. De bomentuinen op Schovenhorst werden meer botanische tuin dan bosbouwexperiment. De tuinen herbergen een deel van de Nationale Plantencollectie, en is gespecialiseerd in kegeldragers (Coniferae). Het doel is onder meer het publiek de grote verscheidenheid in boomsoorten en verschijningsvormen te tonen.

Josinapark

Beheer
De bomencollectie op Schovenhorst wordt op museale wijze beheerd. Dat wil zeggen dat de collectie bewaard en waar mogelijk aangevuld en uitgebreid wordt. Hierbij is het criterium dat de soorten moeten behoren tot de Coniferae, dat ze ergens op de wereld een bosbouwkundige rol hebben en dat ze zich kunnen ontwikkelen onder de op de groeiplaats heersende omstandigheden. Omdat er sprake is van een levende collectie waarbij exemplaren kunnen uitvallen, zullen soorten die door sterfte verdwijnen vervangen worden. Er wordt gestreefd naar de correcte naamgeving van de verzameling en bebording bij/aan de bomen. Overigens verzamelen we, naast soorten voor de kerncollectie, ook loofbomen die vooral in het arboretum een plaats vinden.

Bosbeheer
In het bosbeheer op het landgoed speelt de ontstaansgeschiedenis van het bos nog steeds een rol. Voortbordurend op de experimenten van de eerste generatie beheerders van Schovenhorst, wordt een belangrijke rol toegekend aan de Douglasspar. Deze soort gedijt goed op de groeiplaatsen op Schovenhorst, levert relatief veel en goed verkoopbaar hout en draagt bij aan fraaie bosbeelden. Door Pseudotsuga menziesii te combineren met (inheemse) loofboomsoorten en daarbij een zeker aandeel oude zware bomen te handhaven, ontstaat een rijk gestructureerd bos. Het bosbeheer is gericht op een meervoudige functievervulling, waarbij het noodzakelijk is dat het bosbeheer inkomsten genereert voor de instandhouding en ontwikkeling van het gehele landgoed. Het aandeel (inheemse) loofboomsoorten, open plekken, zware bomen (‘woudreuzen’) en liggend en staand (dik) dood hout worden vergroot. Hierdoor ontstaat een rijke schakering van ecologische niches die behoren bij ouder opgaand bos. Dit is niet alleen van belang voor de biodiversiteit van het bos maar evenzeer voor de belevingswaarde.

Zicht op de grote verscheidenheid aan Coniferae

Bijzonderheden in de boomcollectie
In het Kleine Pinetum zie je nieuwe aanwinsten onder oude woudreuzen. Opvallend zijn de mammoetbomen (Sequoiadendron giganteum), geplant in 1852, met als hoogste boom daartussen een Abies grandis. Iets verder op het grasveld staat Pseudotsuga menziesii uit 1853. Ook een oude Thuja plicata is indrukwekkend qua afmeting. De twee oude mammoetbomen, de Douglasspar en een Thuja occidentalis ‘Pyramidalis Compacta’ uit 1878 staan in het register van Monumentale bomen in Nederland. Dat geldt evenzeer voor de Juglans regia uit 1900-1910 nabij de Werkstee. Bij dit gebouw staan ook twee exemplaren van Ginkgo biloba, een vrouwelijk en een mannelijk exemplaar, die als 6 meter hoge boom zijn geplant in 1948 bij het honderdjarig bestaan van het landgoed. In het Kleine Pinetum staan ook minder in het oog vallende bomen die niettemin vermeldenswaardig zijn, zoals Calocedrus decurrens, een oude Sciadopitys verticillata, Torreya californica, Metasequoia glypostroboides die in 1955 werd geplant en Cryptomeria japonica uit 1854. Meer recent is een groepje Taiwania cryptomerioides aangeplant en verder individuele exemplaren van andere naaldboomsoorten zoals bijvoorbeeld Cunninghamia konishii.

Het Grote Pinetum
De meest fraaie bomen in deze tuin zijn verschillende oude exemplaren van Picea orientalis in goede gezondheid. Verder staat er een aantal oude exemplaren van Pseudotsuga menziesii uit British Columbia. Bomen met zware zijtakken en erg ruwe bast. Met deze herkomst is vanwege de vorm niet verder geteeld, maar de bomen zijn niettemin indrukwekkend. Er staan ook twee fraaie boomvormige exemplaren van Thujopsis dolobrata en twee exemplaren Thuja standishii. In de laatste decennia heeft een verwildering plaats gevonden van Taxus baccata. Deze is grotendeels verwijderd en de vrijkomende ruimte is ingeplant met een groot aantal coniferensoorten.
In het Arboretum is een flink deel van de oorspronkelijke aanplant nog altijd te bewonderen maar de opstandjes fragmenteren geleidelijk, onder andere onder invloed van stormschade en droogte. In de open plekken die daardoor ontstaan, planten we verjonging uit hetzelfde herkomstgebied.
Een deel van de dwergconiferencollectie, die in 1929 in het Josinapark is geplant, kwam uit Schotland van Murray Hornibrook, een bekend verzamelaar van dwergconiferen. Van de oorspronkelijke aanplant is al veel verdwenen maar opvallende exemplaren zijn nog Thuja koraiensis, Thuja plicata ‘Rogersii’, Tsuga diversifolia, Thuja occidentalis ‘Filiformis’, Tsuga canadensis ‘Pendula’, Taxus baccata ‘Washingtonii’. Langs de rand van het fietspad staat een fraai exemplaar van Pseudotsuga menziesii ‘Oudemansii’.

Landgoed Schovenhorst vindt u aan de Garderenseweg 93, 3881 GK te Putten. Door vanaf de brasserie op het landgoed de Bomentuinwandeling te lopen (2,5 km gemarkeerd met groene palen) komt u door de hier beschreven bomentuinen. Deze zijn tussen zonsopgang en zonsondergang vrij toegankelijk. Meer informatie via www.schovenhorst.nl en/of info@schovenhorst.nl

* Jop de Klein is beheerder landgoed Schovenhorst, Aart Jongekrijg is vrijwilliger collectiebeheer