Op de Larensteindag van 27 februari 2026 waren twee sprekers uitgenodigd om een volle gehoorzaal deelgenoot te maken van hun praktische inzichten. Een verslag van het verhaal van Adriaan Schalk met als titel “wat doen we me de Es? is hier te lezen. Ronnie Nijboer presenteerde een helder verhaal over (uitgestelde) onverenigbaarheid. Als iepenexpert lag zijn focus vooral bij Iepen (Ulmus spp).

‘Belgica’. Een slechte ent.
Foto’s: Hans Kaljee

‘Belgica’. De doorsnede van een slecht ent.
Foto’s: Hans Kaljee
Al sinds de oudheid worden Iepen geteeld. De vermeerdering verliep van oudsher via zaaien en afleggen. Later kwam enten in zwang en sinds deze eeuw stekken. Zaailingen werden lang gebruikt als onderstammen. Daarbij ging het dan met name om de Ruwe iep (Ulmus glabra) omdat deze geen wortelopslag maakt. Ook Hollandse iep (Ulmus × hollandica ‘Belgica’) werd gebruikt als onderstam, maar dat betreft dan afleggers. De vermeerdering middels afleggers is de historische manier van vermeerdering voor Iepen; bomen die ooit het landschap en de steden van de Lage Landen domineerden. Deze afleggers worden gemaakt van een moerstoof. Dit is een bewerkelijk proces dat veel ruimte inneemt. Op 25 m2 kunnen 100 tot 200 afleggers worden geproduceerd. De resultaten zijn goed, maar er moet voorkomen worden dat er zogenoemde hockeysticks (worteling aan horizontaal lopende delen waar de stam hoeks recht op staat) ontstaan.

Foto: Ronnie Nijboer
De overstap naar enten heeft vooral te maken gehad met kostenoverwegingen. Enten kost minder tijd en is goedkoper, vooral het enten op een zaailing. Als onderstam zijn zaailingen van Veldiep (Ulmus minor) ongeschikt. Deze planten geven veel wortelopslag en de groei is zeer variabel. Toch komt het voor dat verkeerd gelabelde zaailingen als onderstam worden gebruikt. Bij het enten treedt soms onverenigbaarheid op. Dit kan direct plaatsvinden na het enten, of pas decennia later. Dit laatste wordt uitgestelde onverenigbaarheid genoemd.
De keuze van de onderstam is van invloed op de te verwachten onverenigbaarheid van ent en onderstam. Het devies is daarbij om zo dicht mogelijk bij de herkomst te blijven. Zo kent Ulmus ‘Columella’ bij enten op zaailingen van U. glabra reeds op de kwekerij een uitvalpercentage van 20 tot 30%. Ulmus laevis, de Fladderiep, is alleen geschikt als onderstam voor de nauw verwante U. americana, alle andere enten falen. Ulmus pumila een Centraal-Aziatische soort met een grote droogteresistentie, wordt juist vanwege die droogteresistentie als onderstam toegepast in de VS, maar blijkt ongeschikt voor ons klimaat. De ervaring leert dat het enten van klonen met daarin genen van de U. davidiana of U. pumila op U. glabra en ‘Belgica’ een verhoogd risico geeft op onverenigbaarheid.
Onverenigbaarheid gaat terug op een slechte vergroeiing van ent en onderstam. Bij onverenigbaarheid vernauwen de zeefvaten van de ent waardoor de toevoer van suikers en zetmeel naar de onderstam afneemt. Deze stoffen worden opgeslagen in het onderste deel van de ent die daarvoor een afsluiting richting onderstam maakt met als gevolg een verdikking boven de entplaats. Hierdoor verhongert de onderstam wat leidt tot wortelsterfte. Uiteindelijk wordt de onderstam afgestoten. Onverenigbaarheid betreft dus niet het afstoten van de ent door de onderstam, zoals vaak wordt gedacht!

Foto: Ronnie Nijboer
In de onderkant van de verdikte ent bevinden zich veel snel delende cellen en hormonen. Zodra de verdikking de grond raakt, produceert deze een wortel die, gevoed door de volledige kroon, snel uitgroeit tot een dikke wortel. Een dergelijke wortelvoet met een eenzijdige dikke wortel is kenmerkend voor planten op een afgestorven onderstam. Het effect van deze overlevingsstrategie van de ent is dat de gehele plant instabiel wordt. Vooral in vochtige grond of met een zomerstorm leidt dit tot omwaaien. De boom breekt af op de entplaats met vaak een kenmerkend puntig einde, en daarom ook wel een potloodboom genoemd. De verdikte stamvoet is een duidelijk signaal bij jonge planten dat er sprake kan zijn van onverenigbaarheid. Andere tekenen van uitgestelde onverenigbaarheid zijn het uitlopen van de onderstam en vervroegde herfstkleuring. Uitgestelde onverenigbaarheid komt bij meer boomsoorten voor. Het is inmiddels een gekend fenomeen bij Quercus robur ‘Fastigate Koster’, Quercus frainetto (op Q. robur), Robinia × margaretta (op R. pseudoacacia), Acer rubrum (op A. platanoides), Fraxinus ornus (op F. excelsior), Aria edulis (op Sorbus aucuparia), Tilia tomentosa (op T. cordata) en Betula utilis (op B. pendula).

Foto: Ronnie Nijboer
Van de Chinese iep (Ulmus parvifolia), die voor bonsai wordt gebruikt, is al eeuwen bekend dat deze middels stekken vermeerderd kan worden. Sinds de jaren 1990 worden ook andere iepensoorten en -klonen middels stekken vermeerderd. Zomerstekken worden in trays onder verneveling geplaatst in kassen en vormen binnen enkele weken een bewortelde plugplant. Sommige klonen, zoals ‘Regal’ en ‘Homestead’, hebben de neiging een haakwortel te maken. Dergelijke stekken zijn niet geschikt voor doorkweek. Ook groeien iepenstekken te hard om in P9 potjes opgepot te worden; het beste is aanplant in de volle grond. Door stekken te gebruiken wordt (uitgestelde) onverenigbaarheid voorkomen, evenals aantasting door iepziekte via wortelcontact bij een niet-resistente onderstam. Het is daarom belangrijk Iepen op eigen wortel te telen.

Foto: Ronnie Nijboer
