Huib Sneep, een inventieve en innovatieve boomexpert

Huib Sneep, boomexpert<br>Foto: Louis Haagman
Huib Sneep, boomexpert
Foto: Louis Haagman

Wil je in het kort vertellen wie je bent, hoe oud je bent en waar je werkzame leven uit bestaat?
Ik ben Huib Sneep, geboren in 1959 in Ridderkerk, nu wonend in Schiedam. Ik heb geen groene achtergrond van huis uit. Mijn vader was notaris maar mijn ouders hielden van natuurwandelingen (duinen Oostvoorne, Zuid-Limburg, Veluwe) en dat heeft mijn interesse voor de natuur aangewakkerd. Ik ben geen dendroloog. Ik vind mezelf een boomexpert en groeiplaatsdeskundige, boomtaxateur ben ik ook.

Wat voor scholing/opleiding op dendrologisch gebied heb je gehad?
Na Havo b en Gymnasium A ging ik naar de Rijks Hogere School voor Tuin- en Landschapsinrichting (RHSTL) in Boskoop, studierichting Ontwerpen en Techniek. Afgestudeerd in 1984. Tegen de verwachting in (veel schoolverlaters konden geen werk vinden) kreeg ik een baan bij de Nationale Bomenbank in Sliedrecht. Binnen een jaar was ik bedrijfsleider en ik heb me in vijf jaar tijd sterk kunnen ontwikkelen. Ondermeer door betrokken te zijn bij de verplanting van enkele honderden grote bomen vanuit heel Nederland naar de Floriade in Zoetermeer.

Waar komt de liefde voor dendrologie vandaan en wie hebben je geïnspireerd?
De leraren Hans Jansen, Arjen Vahl en Walther Grootendorst zetten mij op de RHSTL op het ‘bomenspoor’. Van gastdocent Pilon leerde ik hoe je het landschap op de juiste manier inricht. Hoe kun je met vooral inheemse bomen het landschap op grote schaal vormgeven. Of hoe ontwerp je tuinen en parken met een groot sortiment bomen.

Voor welke planten heb je een speciale passie?
Ik heb een zwak voor de Alnus soorten. Alnus glutinosa ‘Laciniata’ is de enige cultivar die ik gebruik. Hij heeft een mooie sierwaarde door zijn dun ingesneden blad en is totaal afwijkend van de soort. Waar het kan probeer ik ‘m toe te passen. Pinus sylvestris is ook een favoriet. Hij heeft een mooie lichtbruine schorskleur in de kruin, die extra opvalt als de zon er op schijnt. Dat geeft hem iets vrolijks.

<i>Alnus glutinosa</i> 'Laciniata'<br> Foto: Gert Fortgens
Alnus glutinosa ‘Laciniata’
Foto: Gert Fortgens

Hoe ziet in grote lijnen je dendrologische leven er uit?
In 1989 was ik samen met Hans Blokzijl en Guido Ilsink oprichter van Bomen Service International (BSI), aanvankelijk gevestigd in Groenekan, later in Baarn. In 2010 verkocht ik mijn aandeel, sindsdien ben ik zelfstandig en gestart met Greenwave Systems, een adviesbureau voor innovatieve projecten zoals gevelgroen, begroeide gebouwen, boomspiegels, boombruggen, verticaal tuinieren, voedselbossen et cetera.
In 1995 moest de 130 jaar oude Aesculus hippocastanum op het Malieveld in Den Haag 70 meter verplaatst worden vanwege de aanleg van een tunnel. Voorzichtig opschuiven was de enige optie. Een unicum in de geschiedenis van boomverplanting.
Binnen BSI was ik verantwoordelijk voor innovatie, verkoop en realisatie, en zo raakte ik betrokken bij de ontwikkeling en realisatie van het bos in het Nederlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in 2000 in Hannover. Een bos op 20 meter hoogte op de derde etage van het gebouw met 50 volwassen eiken en haagbeuken met complete bosflora. Omdat goede plantvorming meestal is vertraagd en de bomen dan vaak het eerste jaar miezerig ogen, plantten we een jaar eerder op een gehuurd, beschut terrein de benodigde bomen op in stalen gaasbakken. En een paar extra voor eventuele uitval. Door uitplant op de maten van het ontwerp kon de juiste structuur en samenhang tussen de bomen worden bepaald en konden de bomen in dat jaar in een goede conditie worden gebracht. Volwassen bomen, 25 tot 35 jaar oud en 12 meter hoog. Met telekranen werden ze het gebouw ingetakeld en naar de bestemde plek geschoven. In het plafond was speciale verlichting aangebracht om de groei op de derde etage tot het eind van de EXPO op 1 november te kunnen garanderen. Zodra de EXPO was gesloten en het licht ’s avonds uitging, gingen de bomen over naar herfstverkleuring. Er zijn in die periode diverse metingen gedaan zoals naar waterverbruik. Deze opdracht was een belangrijke opmaat voor de toekomst om grote bomen in bakken toe te passen in het stedelijk groen. Onder andere bij de aanleg van het dakpark op de garage van het WTC aan de Zuidas in Amsterdam in 2004 is gebruik gemaakt van de expertise die in Hannover is opgedaan. Op het Zuidplein is nu het arboretum van de 21ste eeuw met 50 verschillende bomen zoals Pinus nigra, Ginkgo, Malus, Koelreuteria en meerstammige Carpinus betulus.

Wat is het meest opmerkelijke wat je hebt meegemaakt?
In Zuid-Engeland ontdekte ik dat bomen soms honderden tot duizend jaar oud kunnen worden. Niet alleen de Sequoiadendron maar ook Quercus, Castanea sativa, Betula, Taxus en met een enorme omvang. Er wordt al gauw gedacht ‘die boom is oud, doe maar weg’ maar met de juiste maatregelen zouden ze ook hier veel ouder kunnen worden. Ik ben ervan overtuigd dat bomen beter groeien en langer leven als er meer aandacht (en geld) wordt besteed aan een royale boomspiegel. Zoals de toepassing van bomenzand en -granulaat voor goede doorlaatbaarheid en beplanting met heesters en vaste planten voor het vangen van bladafval (mineralen). Ik experimenteer met bonsai om groei, waterverbruik en weerbaarheid te testen, om de 5-6 jaar worden ze verplant om de wortels te activeren. Je kunt de uitkomsten doorrekenen voor stadsbomen. Bomen reageren eigenlijk hetzelfde, maar dan wel met een goed wortelgestel en een ruime plek (www.denieuweboomspiegel.nl).

Heb je een leuke anekdote te vertellen?
Door de vele wandelingen had ik geleerd om goed om me heen te kijken. Ik was 15 jaar toen ik aan de sierkers in de tuin van mijn ouders een grote zwavelzwam ontdekte. Die heeft mij enorm gefascineerd en toen wist ik welke kant ik op wilde. Bij mijn vakantiebaantje verdiende ik 100 gulden en ik heb meteen twee boeken gekocht: Alle bomen van de wereld van Hugh Johnson en Bomen laten leven van Jørn Copijn. Toen ik deze boeken las ging ik helemaal los. Maar voordat ik er achter was hoe het zat met zwammen en bomen was ik 25 jaar verder. Daarna heb ik mijn kennis verspreid over de bomen- en kwekerswereld.

Hoe kijk je hierop terug? Heeft het je gegeven wat je verwachtte?
Wat begon met fascinatie is mijn werk geworden. Niet alleen het werken met bomen is de invulling van mijn hobby maar ook de ontwikkeling van innovatieve stedelijke groeiplaatsen. Zo rond 2000 ontdekte ik dat wegen steeds meer op puin gefundeerd werden en dat straatbomen daardoor vaak op een ondergrond van puin staan. Dat is schadelijk voor de ontwikkeling van het wortelgestel. Ik heb een bomengranulaat samengesteld waarin naast humeuze klei en toeslagstoffen een specifieke gradering van breuksteen is gebruikt om een goede verharding te krijgen die ook waterdoorlatend is en leidt tot prima doorworteling. Ik heb ook ‘bomenzand 500’ ontwikkeld. Dit grofkorrelige eentoppige zand is goed verdichtbaar en geeft een stabiele bovenlaag op plaatsen waar minder zwaar verkeer komt bijvoorbeeld parkeerplaatsen, fietspaden en winkelgebieden. De boomwortels kunnen zich er goed in ontwikkelen. Door deze en andere innovaties bij de aanleg van lanen en parken heb ik klanten gekregen die goed voor mijn adviezen willen betalen.

Vind je het belangrijk om je kennis, ervaring en enthousiasme met anderen te delen?
Ja, ik ben al meer dan 30 jaar contactpersoon bij de Bomenstichting. Ik kan daar mijn boomtechnische kennis en het verhaal van de zwammen uitdragen. Om mensen in alle groepen van de samenleving enthousiast voor bomen te maken geef ik vaak lezingen en leid ik excursies. Bij bijzondere vragen word je zelf ook gedwongen om er verder over na te denken en kan je daarvan leren. Wij denken dat we heel wat weten maar de natuur heeft veel meer mysteries dan wij kunnen beseffen.

Als je het over mocht doen, zou je dan weer hetzelfde doen? Of zou je een andere keuze maken?
Destijds heb ik voor dit vak gekozen op basis van fascinatie. Daardoor is mijn hobby mijn beroep geworden en heb ik veel energie om mezelf steeds weer in een nieuw aspect van dit zeer brede vakgebied te verdiepen en daarna uit te dragen wat ik heb gevonden. Dat blijft uitdagend en daarom zou ik weer dezelfde keus maken.

Zijn er nog bijzonderheden die je wilt vertellen?
Voor mijn deur ligt het oudste stadspark van Nederland, 250 jaar oud. De oudste boom, Platanus orientalis is 150 jaar oud en heeft de status van Wereldboom.
In 1750 werd een stuk moeras opgehoogd en in 1767 ingericht als openbaar park, de Plantage genaamd. De Plantage is iets meer dan 2 ha groot en beplant met 65 soorten en cultivars, waarvan er 25 zijn geplant sinds ik hier woon. Vroeger plantte men veel van hetzelfde, daar is verandering in gekomen. Ik heb voor de gemeente een shortlist opgesteld zodat, als er een boom dood gaat, men kan zorgen dat er meer variatie komt. Zo langzamerhand staat er nu al een aardig sortiment waaronder Celtis, Nyssa, Tetradium, Populus lasiocarpa, Magnolia grandiflora en Cercidiphyllum.
Het college van B&W in Schiedam wilde jaren geleden een zaailing van de Anne Frankboom aanschaffen, die werd toen verkocht door de actiegroep uit Amsterdam. Dat werd een 1-jarige van 35 cm hoog. Wat moet je met zo’n ukkie in een stadspark? Men vroeg mij hem op te kweken. Ik heb ‘m zes jaar in kweek gehad en al mijn opgedane kennis van de bonsai er op toegepast. De verdamping werd gemeten op een weegschaal. Inmiddels groeide hij in die zes jaar tot een lengte van 4,50 meter, soms zelfs 80 cm per jaar en verbruikte deze zomer tot 7 liter water per dag. Ter ere van het 250-jarig bestaan is de herdenkingsboom deze herfst geplant in de Plantage. De vier seizoenen van de kastanje zijn verwerkt in een moderne boomkorf van cortenstaal en verwijzen naar het gedachtegoed van Anne Frank.

De officiële planting van de zaailing van de Anne Frankboom op 4 november 2017<br> Foto: Piet Bliek
De officiële planting van de zaailing van de Anne Frankboom op 4 november 2017
Foto: Piet Bliek

Geef een reactie