Fitzroya cupressoides, een bijzondere naaldboom

Op de omslag van Arbor Vitae 2 uit 2021 een Conifeer die ook nog wel een plaatsje had kunnen krijgen in de afgesloten serie over bedreigde boomsoorten. Het wel en wee van deze bijzondere naaldboom werd eerder uitvoerig beschreven in Dendroflora 34 (1997). Ondanks dat deze bedreigde soort al jaren een beschermde status heeft, is er anno 2021 nog steeds sprake van teruggang en nauwelijks van verjonging.

Fitzroya, de alerce, hoort van nature thuis in het zuiden van Chili en overschrijdt in enkele gebieden de grens met Argentinië. De bomen groeien in groepen van min of meer grote aantallen, de zogenaamde alerzales, vanaf zeeniveau in het kustgebied tot aan de boomgrens. De soort werd in 1878 door de Spanjaard Molina beschreven als Pinus cupressoides. De Amerikaan Ian Johnston plaatste de soort in 1924 in het aparte geslacht Fitzroya, hij eerde daarmee Robert Fitzroy, gezagsvoerder op het beroemde ontdekkingsschip de Beagle met aan boord onder andere Charles Darwin. In 1833 heeft de bemanning een bezoek gebracht aan alerzales, de groeiplaatsen van Fitzroya cupressoides. De eerst zaden werden in 1849 door William Lobb, die verzamelde voor de bekende firma Veitch, naar Engeland gebracht.

Fitzroya cupressoides met kegeltjes

Kenmerken
Fitzroya groeit zeer langzaam met een diktegroei van hooguit 1 mm per jaar. De zeer langzame en gelijkmatige groei maakt dat het hout zeer gemakkelijk te splijten is. De belangrijkste eigenschap is de vrijwel onbeperkte duurzaamheid. Stobben van 100-200 jaar geleden gekapte bomen zijn nog steeds volkomen gaaf. Het kappen van de bomen in het kustgebied begon al snel na de komst van de Spanjaarden. In de huizenbouw werd het hout gebruikt voor dak- en wandbekleding, Het werd ook een belangrijk exportartikel en lang waren de plankjes een betaalmiddel. De houthandel gaf veel werkgelegenheid. In 1883 schatte men dat er 10.000 mensen werkzaam waren. Tussen 1830 en 1900 was de productie 5.250.000 m3. Begin 1900, toen het hele kustgebied intussen was gekapt, stagneerde de productie. Na 1945 nam de exploitatie van de alerzales enorm toe en met vooral Amerikaans kapitaal werden hoger gelegen gebieden ontsloten. Met modern materieel konden elke dag 80-100 duizend jaar oude bomen worden gekapt. Uiteindelijk kwam er verzet tegen deze kaalslag en in 1975 werd Fitzroya internationaal beschermd. Handel in fossiel hout was nog wel toegestaan wat leidde tot veel illegale kap. In 1977 werd deze handel ook verboden. Uiteindelijk kwam pas in 1991 een einde aan de illegale handel, onder andere na een artikel in het National Geographic Magazine.

Toch gaat het nog steeds niet goed met deze naaldboom. Intussen is ruim 40% van oorspronkelijke areaal verloren gegaan. Van hergroei is nauwelijks sprake. Ook bosbranden, zoals in de zomer van 1997-1998, en achteruitgang van de groeiomstandigheden zorgen voor teruggang.

Deze jonge Fitzroya cupressoides heeft het prima naar zijn zin in Zuid-West Frankrijk
Foto: Ineke Vink

Fitzroya in cultuur
Bomen van Fitzroya in cultuur zijn schaars. De hoogste boom in Europa is in de Schotse Ardkinglas Woodland Garden van Inveraray Castle. Deze is 24 m hoog. Dat is minder dan de helft van de 56,90 m hoge kampioenboom in Argentinië. In het Verenigd Koninkrijk zijn nog wel meer oude exemplaren. Maar het vasteland van Europa blijft daar ver bij achter. In België hebben drie arboreta jonge exemplaren, Bokrijk, Meise en Wespelaar. In het Nationaal Bomenmuseum in Doorn is een jong exemplaar verkregen van Meise. Ook in Arboretum Trompenburg, evenals in het Nederlands/Franse arboretum La Tuilière, staat een vrij jong exemplaar. Duidelijk is dat Fitzroya houdt van een vochtige standplaats in zure grond.