De eerste bestuursleden van de Stichting Rotterdamsche Diergaarde waren het er in 1857 al snel over eens dat hun ‘levende collectie’ niet alleen aandacht moest hebben voor zeer uiteenlopende exotische dieren, maar ook voor bijzondere plantensoorten.
In de vooroorlogse binnenstad, waar de eerste diergaarde was gevestigd, was ruimte genoeg om diverse dierenverblijven aan te leggen voor allerlei hoefdieren, evenals speciale gebouwen voor het huisvesten van roofdieren, vogels en reptielen. Ook tropische kassen voor palmen, varens en succulenten mochten daarbij niet ontbreken. De tuin was aangelegd in Engelse landschapsstijl en kende reeds diverse fraaie bomen.
Plant en dier gaan vanaf de prille oprichting van de ‘diergaarde’ hand in hand. Ondanks de nieuwe plannen voor de stadsontwikkeling in de jaren ’30 van vorige eeuw én de dreigende Tweede Wereldoorlog bleven de ambities van het bestuur hoog. De plannen om de hele diergaarde te verhuizen (van de plaats waar nu het huidige Centraal Station is gevestigd) naar de nieuwe locatie in de Blijdorp-polder werden in werking gezet. Door de bombardementen op het centrum van Rotterdam, in mei 1940 versnelde het hele verhuizingsproces naar de nog half opgebouwde nieuwe plek, net buiten de stad.
Het bestuur had in de voorgaande jaren grote plannen met de nieuwe diergaarde. Zij moest uitgroeien tot de modernste dierentuin van Europa, naar het voorbeeld van dierentuinen die eerder waren gerealiseerd in onder meer Duitsland, zoals het Tierpark Hagenbeck in Hamburg. Vrijwel geen tralies meer, maar open zicht en ruimtelijke transparantie. De diergaarde zou in haar geheel, van entree tot stal en van plantenborder tot bomenlaan, worden ontworpen door één architect: Sybold van Ravesteyn (1889–1983).

Afbeelding: Archief Diergaarde Blijdorp
Deze architect liet zich dat geen twee keer zeggen. Hij ontwierp de tientallen stallen en bijgebouwen, de padenstructuur, de entree en zijn grootste, centraal gelegen meesterwerk: de Rivièrahal. Met ruime en transparante constructies van beton en glas riep hij sferen op die deden denken aan Zuid-Europa en gaf hij duizenden Rotterdammers, die de wrede oorlogsjaren hadden doorstaan, een gevoel van rust en ruimte terug.
Die ‘rust en ruimte’ kwam niet alleen tot uitdrukking in de architectuur maar ook in het totale beplantingsplan van de diergaarde. Van Ravesteyn werkte de padenstructuur uit in heldere zichtlijnen met rotondes, dierenweides en lanen, die voor het publiek vanuit de 42 meter hoge uitkijktoren goed zichtbaar waren.
Samen met het hoofd van de plantencollectie en tuinen, de heer Schoonebeek, werd gezorgd voor de aanplant van de eerste bomen in de nog kale en winderige polder. De beplanting en boomkeuze waren gebaseerd op een ‘wijker en blijver’-systeem van Populieren, Wilgen, Berken, Sparren, Lindes en Eiken. Deze soorten zorgden snel voor een groene diergaarde en waren, wat in de oorlogsjaren goed van pas kwam, waarschijnlijk bovendien relatief goedkoop in aanschaf.

Foto: L.J. Nederlof
De Trompenburg-connectie
Rond de periode van de verhuizing nam de heer James van Hoey Smith (1891–1971) zitting in de Raad van Bestuur van de Stichting Rotterdamsche Diergaarde. Tevens was hij eigenaar van een particuliere bomenverzameling op landgoed Trompenburg in Kralingen. Zonder twijfel zette hij zijn uitgebreide handelsnetwerk in om er samen met Schoonebeek voor te zorgen dat bij diverse boomkwekerijen in binnen- en buitenland talloze boomsoorten werden aangeschaft.
Hoewel van Ravesteyn bepaalde waar de bomen met het oog op de zichtlijnen moesten worden aangeplant, opperden van Hoey Smith en Schoonebeek het idee om de bomen in taxonomische groepen over de beschikbare ruimte te verspreiden. Zo ontstond een Kastanjelaan met Paardenkastanjes, een windhaag van diverse soorten Haagbeuken, een Eikenlaantje met Eiken uit alle windstreken van Europa en een rij Beuken met de variëteiten die destijds in cultuur waren.
Een deel van de toen aangeplante bomen staat nog altijd in het ‘oude’ deel van de dierentuin. Het sortiment is qua leeftijd en variatie bovendien nog goed te relateren aan overeenkomstige exemplaren in het huidige Trompenburg Tuinen en Arboretum aan de Honingerdijk, enkele kilometers verderop!
De bomen als decor
In de jaren na de oorlog ontwikkelde Diergaarde Blijdorp zich tot een internationaal befaamde dierentuin met honderden diersoorten en bijzondere kweekresultaten. Ook de plantencollectie bleef niet achter. De Botanische Afdeling genoot bekendheid met omvangrijke collecties rotsplanten, Rozen, Orchideeën, cactussen en Bromelia’s. Het bomenbestand was eveneens indrukwekkend en zorgde voor het gewenste groen en de noodzakelijke schaduwwerking in het park.
Waar de bomen in de eerste periode vooral fungeerden als ‘piketpalen’ in het bouwkundig concept van Van Ravesteyn, was er veertig jaar later nog maar weinig over van het oorspronkelijke tuinontwerp. Bomen werden verwijderd of gingen op in nieuwe, ruimere dierenverblijven, waarin minder soorten juist meer ruimte kregen.
In de jaren ’90 van de vorige eeuw werd het eerste masterplan gelanceerd. Bezoekers moesten een beter en samenhangender beeld krijgen van de natuur als geheel, waarbij planten en dieren in onderlinge relatie werden gepresenteerd. De ruime verblijven, waarin beplanting een grote rol speelde, werden ‘biotopen’ genoemd en de dierentuin werd opgedeeld in continenten: Afrika, Amerika, Azië en Europa. Elk continent kreeg uitgestrekte verblijven met diersoorten die daar van oorsprong voorkwamen, inclusief, waar mogelijk, bijpassende beplanting.
Zo werd op het continent Amerika veel gewerkt met Eiken en Dennen. In de Chinese Tuin, onderdeel van het continent Azië, werd een omvangrijke collectie bomen en heesters uit China en de Himalaya aangeplant. Oude bomenstructuren werden daarbij zoveel mogelijk ontzien en, waar mogelijk, ingepast in de nieuwe ontwerpen. Langs de Chinese Tuin en de nieuwe Bergdierenrots zijn nog altijd sporen van het oude pinetum zichtbaar, terwijl op de Eikenlaan en Kastanjelaan nog steeds een diversiteit aan soorten staat die herinnert aan het ontstaan van Diergaarde Blijdorp.

Foto: L.J. Nederlof
Binnen het nieuwe masterplan kregen bomen niet alleen de functie om de collectie te versterken, maar ook om de sfeer van de biotopen te ondersteunen. Om bijvoorbeeld de beleving van een Afrikaanse savanne op te roepen, werd gebruikgemaakt van zogenoemde ‘look-a-likes’. Zo werden onder meer Robinia pseudoacacia en Styphnolobium japonicum toegepast als vervangers van de karakteristieke Afrikaanse acacia.

Foto: L.J. Nederlof
De weg richting natuurbehoud
Het was voor onze Botanische Afdeling een grote opluchting én een enorme opsteker toen we in 2022 de drie sterren erkenning kregen voor ons arboretum als lid van de Nederlandse Dendrologische Vereniging (NDV). Dit toonde aan dat het werk, de ontwerpen en de inspanningen van onze voorgangers werden gewaardeerd en dat de bomencollectie een nieuwe, bredere rol kon krijgen: van groen decor naar een bruikbare collectie voor onderzoek, educatie en onderwijs.
Het bomenbestand van Blijdorp is tegenwoordig veel zichtbaarder en omvat ruim 700 soorten houtige gewassen, waaronder een groot aantal taxa uit de tropen. Onze bomencollectie is aangesloten bij het netwerk van arboreta (www.arbnet.org) met een Level II-certificaat. Op OpenBomenkaart (www.openbomenkaart.org/obk.htm?data=blijdorp) is een plattegrond beschikbaar waarop het bomenbestand en de bijzondere heesters in de diverse tuindelen zijn weergegeven.

Foto: L.J. Nederlof
Van dierentuin naar natuurbehoudsorganisatie
Het nieuwe masterplan 2050 van Blijdorp beoogt een geleidelijke maar zekere transitie van een klassieke dierentuin naar een organisatie voor natuurbehoud, die planten en dieren in hun natuurlijke leefomgeving beschermt en uitsterven helpt voorkomen. Deze boodschap kan alleen effectief worden uitgedragen wanneer ook het fundament van al het leven op aarde, de groene planten, goed zichtbaar en gewaardeerd wordt.
Onze arboretumfunctie richt zich daarom steeds meer op de aandacht voor de vele bedreigde boomsoorten die wereldwijd onder druk staan. Voor sommige soorten is het van essentieel belang dat botanische tuinen en arboreta deze bedreigingen in samenwerking met andere organisaties kunnen neutraliseren en dat er voldoende genetisch materiaal beschikbaar blijft in ex-situ omstandigheden.
Met deze nieuwe missie zijn we nog maar net begonnen. Al veel is duidelijk geworden: Blijdorp kan dit werk niet alleen realiseren, maar wél in samenwerking met groene vakmensen, botanici, natuurbeschermers en dendrologen; eigenlijk zoals dat altijd al het geval is geweest!
Over de auteurs
Louwerens-Jan Nederlof is collectiebeheerder en Rick Put is senior botanisch medewerker, Botanische Afdeling Diergaarde Blijdorp, Postbus 532 3000 AM, Rotterdam, l.nederlof@diergaardeblijdorp.nl
Geïnteresseerden kunnen een overzicht van de houtige gewassen op verzoek toegestuurd krijgen door een mailtje te sturen.
