Sinds de zomer van 2024 wordt ten zuiden van Oudega (gemeente Smallingerland, Friesland) een groot meer van ca 45 ha aangelegd (Aldegea oan it wetter) dat een verbinding moet vormen tussen het dorp en de Ee (Ie). Bij de werkzaamheden worden grote hoeveelheden veen uitgegraven, waarin zich zeer veel oude bomen van allerlei soorten, vooral Els, Wilg, Es en Eik, bevinden.
Vooral de Eiken zijn van grote wetenschappelijke waarde omdat ze een beeld geven van de ontwikkeling van de neerslag op het Drents-Fries plateau in het vierde en derde millennium voor het begin van de jaartelling. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) onderzoekt ze. Hier volgt een eerste – zeer voorlopige – stand van onderzoek.

Foto: Peter Veenema
Veen
In het zuidelijke en laagste deel van de ontgraving (ca 0,6 m -NAP) bevindt zich een pakket veen dat iets meer dan een meter dik is. Om een beeld te krijgen van de opbouw ervan, werd in april 2025 in één van de zuidelijkste werkputten met de schop een profiel schoongemaakt. Onderin is het zogeheten dekzand te zien dat hier in de laatste fase van de laatste ijstijd (vóór 9.750 jaar voor het begin van de jaartelling) door de wind werd afgezet. Daarboven bevindt zich tot direct onder de bouwvoor veen. In het veen zijn op het oog verschillende lagen te onderscheiden, maar het is allemaal bosveen: de plantaardige resten van wat eens een elzenbroekbos was. Op voorhand was niet duidelijk hoe oud het veen is. Daarom werden plantenresten van verschillende niveaus gedateerd met behulp van de 14C-methode. Voor zover de resultaten nu beschikbaar zijn, is duidelijk dat het veen op 40 tot 100 cm boven het zand stamt uit de periode tussen ca 2750 en 2000 voor het begin van de jaartelling. Dat valt ongeveer samen met wat in de archeologie de laatste fase van de jonge steentijd heet (laat-neolithicum). Aanvullende dateringen moeten een beeld geven van de volledige tijdsdiepte van de lokale veenontwikkeling. Voor 2026 staat ook een onderzoek van het in het profiel aanwezige stuifmeel en zaden en vruchten gepland. Het vormt de basis van een gedetailleerde reconstructie van de ontwikkeling van het lokale milieu waarin de bomen hebben gegroeid.

Foto: Jos Bazelmans
Bomen
Bij de graafwerkzaamheden wordt eerst de bouwvoor verwijderd. In het onderliggende en eerste vlak in het veen zijn meteen al veel bomen zichtbaar, als liggende takken en stammen of als stobben. Mogelijk dat in 2026 een klein deel wordt onderzocht alsof het een archeologische opgraving betreft. Tot dit moment richt het onderzoek zich echter alleen op de vele bomen die tijdens de werkzaamheden met de graafmachine of een grote zeef gescheiden worden van het voor de verkoop geschikte veen. Van iedere Eik wordt door de RCE met een motorzaag een plak gezaagd van ca 5 tot 10 cm dik, haaks op de lengterichting van de boom. Om uitdroging te voorkomen wordt elk monster verpakt in plastic folie. In het laboratorium in Amersfoort wordt ieder monster met een scheermesje geprepareerd. Door het schoongemaakte vlak in te wrijven met schoolkrijt worden alle individuele jaarringen goed zichtbaar. De dikte van ieder jaarring is voor het onderzoek een relevant gegeven omdat van dunne/dikke jaarringen mag worden aangenomen dat de kwaliteit van het groeiseizoen respectievelijk slecht/goed was. Onder de microscoop en op een met een computer verbonden meettafel wordt daarom de dikte van alle jaarringen van de kern naar de buitenzijde van de boom opgemeten (in 1/100 mm). Genoteerd wordt of het kern- of spinthout betreft en of merg (jaar van kieming) en wankant (sterftejaar) aanwezig zijn. De individuele reeksen van opeenvolgende jaarringdiktes kunnen tussen bomen onderling worden vergeleken: als er sprake is van een statistisch significante overeenkomst dan betekent dat dat ze tegelijkertijd hebben gegroeid. De reeksen worden ook vergeleken met zogeheten jaarringkalenders. Deze tot op het jaar nauwkeurig gedateerde reeksen van gemiddelde boomgroei zijn tot stand gekomen op basis van grote aantallen overlappende houtmonsters waarbij van de jongste de exacte kapdatums bekend zijn omdat ze onlangs geveld zijn. De kalenders zijn het resultaat van tientallen jaren van onderzoek. Ze stellen ons tegenwoordig in staat om Eiken uit een natuurlijke context of een opgraving tot op het jaar nauwkeurig te dateren, tot wel achtduizend jaar terug. Tot op dit moment zijn twintig monsters van Oudega onderzocht. Slechts één monster kon exact worden gedateerd op basis van een kalender die beschikbaar is voor het naburige Noord-Duitsland. De oudste jaarring stamt uit -3908 en de jongste uit -3759 voor onze jaartelling. Wanneer de boom precies dood is gegaan, is onbekend omdat het spinthout en de wankant ontbreekt. Opmerkelijk is het verschil in datering met de hierboven genoemde dateringen van de middelste veenlagen. Vooralsnog moeten we veronderstellen dat de onderste 40 cm veen zo’n duizend jaar of meer vertegenwoordigt.

Foto: Jos Bazelmans
Klimaat
De bomen zijn bewaard gebleven omdat ze in het waterverzadigde en daardoor zuurstofloze veen terecht zijn gekomen. Bijzonder is echter dat de Eiken, met uitzondering mogelijk van de laatste bomen die groeiden op het onderliggende dekzand en overdekt zijn geraakt met veen, in een elzenbroekbos stonden. Het betreft hier voor Eiken lastige groeiomstandigheden omdat het grondwater in zo’n bos veelal tot bijna aan het oppervlakte reikt. De exacte grondwaterstand in het groeiseizoen heeft dan ook grote invloed op de groei. Langdurige hoge waterstanden in de lente betekenen een vertraging in het groeibegin en dus een verkorting van de groeiperiode; vernatting tijdens het begin van de groeiperiode brengt wortelschade teweeg door een gebrek aan zuurstof; en door langdurig natte omstandigheden sterven voor de bomen essentiële schimmels af. Dit verband tussen hydrologie en groei vormt voor onderzoek een spannend uitgangspunt: de variabiliteit in de jaarringdikte is immers niet willekeurig of afhankelijk van temperatuur maar juist van de toestroom van (regen)water. Zo is uit onderzoek van veeneiken uit het gebied van de Angstel en de Vecht, een gebied dat lang zorgde voor de afstroom van ca 10% van het water van de Rijn, gebleken dat in de groei ervan voor de periode tussen ca 1400 voor en 500 na het begin van de jaartelling een afwisseling zichtbaar is in de dominantie van meer of minder natte weersystemen. In Oudega zal de groei van de Eiken sterk bepaald zijn door regenval op het Drents-Friese plateau. Dit sterk regionale signaal verklaart mogelijk ook waarom tot nu toe maar één monster kon worden gedateerd (en er voor Oudega dus een eigen kalender gemaakt zal moeten worden). Het zal in de komende tijd een belangrijke focus van onderzoek zijn. Daarvoor is het echter nodig om een groot aantal monsters te verzamelen en te analyseren omdat met het oog op een representatief beeld van de groei ieder kalenderjaar in een flink aantal monsters vertegenwoordigd moet zijn (‘replicatie’). Dat is een grote opgave als bedacht wordt dat de nu beschikbare dateringen erop wijzen dat sprake is van een lange bosontwikkeling (meer dan 2000 jaar?) en de bomen maar gemiddeld 200 tot 250 jaar oud werden in deze natte omstandigheden. Gelukkig lijken de werkzaamheden die nog tot 2028 doorlopen de mogelijkheid te bieden om nog vele honderden monster te verzamelen.

Foto: Jos Bazelmans
NB: met dank aan projectleider Jacqueline de Booij (Weusthuis en partners) en uitvoerder Marcel Meppeling (De Waard Grondverzet) voor de toestemming tot het doen van onderzoek, de goede samenwerking en het enthousiasme, en aan Arjan Bosgraaf en Peter Veenema voor de belangstelling en informatie over de voortgang van de werkzaamheden.
Over de auteur
Jos Bazelmans is senior onderzoeker bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort, en bijzonder hoogleraar Delta-archeologie aan de Universiteit Leiden.
