Voor de achtste keer was de koninklijke NDV te gast op de Hogeschool Van Hall Larenstein. Wat voorheen de Houtdag werd genoemd, gaat vanaf dit jaar verder als de Larensteindag. Op 27 februari 2025 waren twee sprekers uitgenodigd om een volle gehoorzaal deelgenoot te maken van hun praktische inzichten. De eerste spreker, Ronnie Nijboer, presenteerde een helder verhaal over (uitgestelde) onverenigbaarheid.

Foto: Adriaan Schalk
De tweede spreker, Adriaan Schalk van Schalk Boomexpertise, presenteerde een verhaal met als titel: “wat doen we met de Es?”. Sinds in 2010 de essentaksterfte (ETS) werd vastgesteld in Nederland wordt gevreesd voor het voortbestaan van deze boomsoort. De Gewone es (Fraxinus excelsior) is een inheemse boomsoort die groeit op relatief voedselrijke en vochtige bodems. De boom is veel aangeplant in bosverband en als wegbeplanting, deels ook ter vervanging van de Iepen die door de iepziekte het veld moesten ruimen. Inmiddels is volgens cijfers van Staatsbosbeheer 85% van onze essenbossen matig tot zwaar aangetast door ETS.
De symptomen van ETS werden in 1992 voor het eerst waargenomen in Polen, waarna de ziekte zich snel over heel Europa heeft verspreid. De veroorzaker werd in 2006 beschreven als Chalara fraxinea. Dit bleek later de ongeslachtelijke vorm te zijn van de schimmel Hymenoscyphus pseudoalbidus, het Vals essenvlieskelkje, dat oorspronkelijk uit Oost-Azië stamt. Dit Vals essenvlieskelkje is op het oog niet te onderscheiden van het inheemse Essenvlieskelkje (Hymenoscyphus albidus), dat saprotroof leeft op afgevallen bladstelen van de Es. Het lijkt er zelfs op dat de exoot de inheemse schimmel geheel aan het verdringen is.

Foto: Adriaan Schalk
De schimmelinfectie begint bij het levende blad en groeit via de bladstelen door naar de twijgen. Daar wordt de sapstroom verstoord door aantasting van bast en cambium. Daardoor verdort het blad en kleurt de twijg bruin en sterft af. In de bast van aangetaste takken ontstaan langgerekte afgestorven plekken (laesies). Binnen enkele jaren sterven steeds meer delen van de kroon af. Uiteindelijk gaat de gehele boom ten gronde. Secundaire aantasting door honingzwammen (Armillaria spp.) komt veel voor en kan het sterfteproces versnellen. Op dit moment is er nog geen adequate oplossing om ETS te bestrijden.

Foto: Adriaan Schalk
ETS treft vooral onze inheemse Es hard. Met name zaailingen blijken erg gevoelig. Er is enige natuurlijke variatie aanwezig in de wilde opstanden, maar resistentie blijkt gering. Hier wordt overigens wel actief onderzoek naar gedaan in meerdere landen. In Nederland houdt Paul Copini zich met anderen bezig met het isoleren en selecteren van resistente en sneller herstellende wilde Essen. Gevoeligheid bij cultivars blijkt variabel. Sommige cultivars kennen weinig zichtbare infecties of herstellen beter. Het is daarom goed de verschillende cultivars te kunnen herkennen. Adriaan liep tijdens zijn presentatie met behulp van de belangrijkste kenmerken de verschillende kweekvormen langs. Daarbij moet met name gelet worden op de bladvorm, de bladkleur, lenticellen, scheutkleur en groeivorm. De verschillen in groeiwijze zijn opvallend en werden door Adriaan verduidelijkt met heldere foto’s.
Van F. excelsior zijn de cultivars ‘Allgold’, ‘Altena’, ‘Atlas’, ‘Diversifolia’ (Eenbladige es), ‘Eureka’, ‘Geessink’, ‘Jaspidea’ (Goudes) en ‘Westhof’s Glorie’ getoond. Hiervan blijkt ‘Jaspidea’ erg gevoelig en ‘Geessink’ juist het minst gevoelig. Maar de standplaats is van grote invloed. In ‘Diversifolia’ komt veel Verticillium voor dat zich presenteert als een ETS-aantasting. Van de Smalbladige es (F. angustifolia) besteedde Adriaan aandacht aan de cultivars ‘Monophylla’ en ‘Raywood’, welke beide gevoelig zijn. Hetzelfde geldt voor de Amerikaanse es (F. americana) en Pennsylvaanse es (F. pennsylvanica). Van deze laatste soort werden de kweekvormen ‘Summit’ en ‘Zundert’ besproken. Adriaan sloot af met de Pluim-es Fraxinus ornus en de kweekvorm ‘Obelisk’, die heel herkenbaar is aan de opgaande vorm.

Foto: Adriaan Schalk
Ondanks ETS moeten we volgens Adriaan niet stoppen met het planten van Essen. Het is belangrijk om de Es te behouden omdat deze van grote waarde is voor de biodiversiteit en een belangrijke gebruiksboom is. Belangrijk is een essenprotocol te volgen; monitoring in plaats van rigoureuze kap. Bij een lichte tot matige infectie kan een boom herstellen en is kap niet nodig. Bij een lichte infectie is het vooral zaak af te wachten en te bekijken of de plant er op eigen kracht bovenop komt. Soms kan snoei van aangetaste takken helpen om de boom te ontzien bij een matige infectie, zodat de plant de kans krijgt de aantasting in te kapselen. Bij een zware infectie met als gevolg daarvan een instabiele kroon, is kap vaak wel de beste optie.
Er is geen enkele cultivar als resistent aan te merken. Wel maakt het voor de infectiedruk uit wat de standplaats is. In bosverband is 10% ernstig aangetast door ETS. In gazon is dat 3% en in verharding maar 1%. Dat hangt sterk samen met een verminderde infectiedruk doordat afgevallen blad wordt weggehaald en de bladstelen niet blijven liggen. Ook in jaren met hitte en droogte lijkt de schade door ETS minder. Dit komt doordat de overleving van het Vals essenvlieskelkje bij temperaturen boven de 30 °C beperkt is. Als European Tree Technician en NIVRE-schade-expert raadt Adriaan aan vooral de juiste soort en cultivar te kiezen, voor diversiteit te zorgen, goed te letten op de standplaats en actief te monitoren.

Foto: Adriaan Schalk
